De mythe van het joodse kannibalisme



Download 165.19 Kb.
Page1/4
Date09.11.2016
Size165.19 Kb.
#1263
  1   2   3   4

De mythe van het joodse kannibalisme

Pieter W. van der Horst


UTRECHTSE THEOLOGISCHE REEKS

Publicaties vanwege de faculteit Godgeleerdheid

van de Universiteit Utrecht

deel 55


De afbeelding op de omslag is ontleend aan het Utrechtse Psalterium, dat is vervaardigd in de eerste helft van de negende eeuw in de abdij van Hautvillers bij Reims en sinds 1716 berust in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek.

Het fragment toont een deel van de illustratie bij Psalm 1: De zegen op de overdenking van de Thora.


ISBN 90-72235-63-0

© 2006 Faculteit Godgeleerdheid

Universiteit Utrecht
Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

No part of this book may be reproduced by print, photoprint, microfilm or any other means without permission from the publisher.



De mythe van het joodse kannibalisme


door

Pieter W. van der Horst

Rede uitgesproken ter gelegenheid van zijn afscheid

van de Universiteit Utrecht op 16 juni 2006



De mythe van het joodse kannibalisme

De eerste ontmoetingen tussen Joden en Grieken waarover ons iets bekend is lieten bij de Grieken over het algemeen een positieve indruk van het joodse volk na. Zo is daar bijvoorbeeld de bekende passage waarin tegen het einde van de 4de eeuw v.C. Aristoteles’ leerling Theophrastus de Joden ‘filosofen’ noemt.1 Helaas is dit vroegste getuigenis vanwege tekstkritische en andere problemen onzeker en we kunnen er daarom niet te veel waarde aan hechten.2 We hoeven echter niet lang te wachten voordat hetzelfde opnieuw wordt gezegd, ook nu weer door een leerling van Aristoteles, genaamd Clearchus van Soli (rond 300 v.C.). Clearchus zegt in zijn dialoog De somno dat Aristoteles hem verteld had eens een Jood te hebben ontmoet die iets wonderbaarlijks en filosofisch had. Die man, zo zegt Aristoteles, sprak niet alleen Grieks, hij had ook een Griekse ziel. “In de tijd dat wij in Klein-Azië verbleven, bezocht hij dezelfde plaatsen als wij en zocht hij contact met ons en met enkele andere geleerden. Hij wilde testen hoe geleerd ze waren. Maar omdat hij al veelvuldig onder intellectuelen verkeerd had, kon hij ons meer leren dan wij hem.”3 Men kan met recht twijfels hebben over de historische geloofwaardigheid van een ontmoeting tussen Aristoteles en een geleerde joodse filosoof,4 maar dat doet feitelijk niet ter zake. Waar het om gaat is het feit dat er aan het begin van de hellenistische tijd door Griekse intellectuelen zeer positief over Joden geschreven kon worden.5 Ook relatief vrij van anti-joodse sentimenten zijn de fragmenten van Hecataeus van Abdera (begin van de hellenistische tijd) waarin hij de oorsprong en vroegste geschiedenis van het joodse volk beschrijft en daarbij zijn bewondering voor Mozes niet onder stoelen of banken steekt – hij noemt hem een man die uitblonk in wijsheid en moed – echter, halverwege zijn excursus over de Joden merkt Hecataeus wel op dat zij, vanwege hun ervaring als vreemdelingen uit Egypte verjaagd te zijn, er een wat asociale levenswijze op na houden die in zekere zin door vreemdelingenhaat gekenmerkt wordt (apanthrôpon tina kai misoxenon bion).6 Een eerste kritische noot is er dus al.


Het is dan ook van belang er op te wijzen dat, naast positieve geluiden, er van meet af aan, d.w.z. vanaf het begin van de hellenistische tijd, ook direct anti-joodse stemmen te horen zijn. Het is waar dat het verschijnsel van sympathie voor Joden en jodendom van Griekse en Romeinse zijde niet meer ophoudt te bestaan tot aan het einde van de oudheid – het beste bewijs daarvan zijn de tijdens het Romeinse keizerrijk overal zo goed geattesteerde ‘Godvrezenden’ (in het Grieks theosebeis, sebomenoi of phoboumenoi ton theon), groepen pagane sympathizanten die aansluiting zochten bij lokale synagogen, zonder er lid van te worden maar wel de joodse gemeente op allerlei wijzen ondersteunend.7 Maar dit verschijnsel werd onafgebroken begeleid door een eveneens niet meer ophoudende stroom van anti-joodse propaganda van de kant van antieke auteurs.8
Het beginpunt van deze anti-joodse propagandaliteratuur is te vinden in het werk van Manetho, niet toevallig een Egyptenaar die rond het begin van de derde eeuw v.C. in het Grieks een groot werk over de geschiedenis van Egypte schreef; en het voorlopige hoogtepunt (of liever gezegd: dieptepunt) wordt bereikt wanneer in de eerste eeuw n.C. door Apion, opnieuw een Egyptenaar uit Alexandrië die in het Grieks schreef, een uitermate venijnige lastercampagne tegen het joodse volk wordt gelanceerd die vrijwel zeker heeft bijgedragen aan de grote uitbarsting van fysiek geweld tegen de Joden in Alexandrië (in 38 n.C.) waarmee de eerste pogrom in de geschiedenis een feit werd.9 Zijn tijd- en stadsgenoot Chaeremon, alweer een Egyptische geleerde en jodenhater, wiens werk ik 22 jaar geleden heb gepubliceerd,10 komt ook uit Alexandrië. Ook enkele andere anti-joodse auteurs uit de drie daartussen liggende eeuwen waren uit Egypte afkomstig. Waar heeft dat mee te maken?
Hier moet men bedenken dat aan het begin van de derde eeuw v.C., dus in de tijd van Manetho, voor het eerst een Griekse vertaling van een deel van de Hebreeuwse Bijbel werd gemaakt, en wel van de Tora, de vijf boeken van Mozes, waaronder dus ook het boek Exodus over de uittocht uit Egypte. In dat verhaal komen de Egyptenaren er niet bepaald goed vanaf, in feite figureren ze daar als de vijanden van God. Of Griekstalige Egyptische intellectuelen nu deze vertaling zelf lazen of dat ze er slechts door horen zeggen weet van kregen, in ieder geval gingen ze direct in de tegenaanval door het verhaal van de exodus op anti-joodse wijze te hervertellen.
Manetho zette de toon. Deze priester wijdt in zijn grote werk over Egypte aandacht aan de exodus, maar in zijn versie liggen de zaken aanmerkelijk anders dan in het bijbelverhaal.11 Kort samengevat komt zijn verhaal hierop neer: Farao Amenophis wil graag een visioen van de goden ontvangen. Hij krijgt het advies om, wil hij dat doel bereiken, eerst het land Egypte te zuiveren van melaatsen en andere onreine personen. Daar verzamelt hij er zo’n 80.000 van – waaronder ook voormalige priesters - en stelt die tewerk in de steengroeven van het Nijldal. Later worden ze op hun verzoek overgebracht naar Avaris, de oude en inmiddels verlaten hoofdstad van de gehate Hyksos, waar een van de voormalige priesters de leiding over deze groep op zich neemt. Deze leider, Osarsiph genaamd maar later omgedoopt tot Mozes, decreteert dat de goden van Egypte niet meer vereerd mogen worden, dat de heilige dieren die in Egypte worden aanbeden opgegeten mogen worden, en dat de leden van de groep met niemand van buiten de eigen kring meer omgang mogen hebben. Hij legt ook contact met de inwoners van Jeruzalem, oude vijanden van de Egyptenaren, en vraagt hun medewerking om Egypte aan te vallen, hetgeen geschiedt. Farao Amenophis kiest eieren voor zijn geld en vlucht met zijn leger naar Ethiopië, waarna een waar schrikbewind van de overwinnaars in Egypte volgt: dorpen en steden worden platgebrand, tempels geplunderd, heilige dieren gebakken en gebraden, waarbij de priesters van deze dieren gedwongen werden hun eigen goden te slachten en op te eten, waarna ze naakt uit hun tempels werden gesmeten. Wanneer ze tenslotte toch verdreven worden, stichtten deze aartskriminelen hun schurkenstaat in en rond Jeruzalem.12
Dit klinkt allemaal al erg genoeg en is een regelrechte omdraaiing van het bijbelverhaal, maar dan wel gekwadrateerd in kwaadaardigheid. Toch is dit nog maar het begin van een proces van demonisering van het joodse volk dat in de eeuwen daarna hoe langer hoe grimmiger vormen zal aannemen. Het meest in het oog vallende is daarbij dat er sprake is van een proces van generalisering waarin afkeer van Egypte en zijn goden wordt verbreed tot haat jegens de mensheid in het algemeen en ontkenning van de godenwereld, kortom: het joodse volk krijgt als wezenskenmerken opgeplakt: misantropie en atheïsme.13 Goddeloosheid en mensenhaat zijn zo de standaard elementen geworden in de anti-joodse propaganda in Alexandrië (en Egypte). Welke gevolgen dat had voor de verhoudingen tussen enerzijds Joden en anderzijds Egyptenaren en Grieken in die stad wordt pijnlijk duidelijk in een onthullende papyrus van circa 20 v.C. waarin een Grieks-Alexandrijnse hoogwaardigheidsbekleder de wens van zijn Griekse medeburgers tot uitdrukking brengt “erop toe te zien dat de zuivere burgerstand van Alexandrië niet wordt gecorrumpeerd door mensen zonder opvoeding en beschaving.”14 Eenvoudig gezegd betekent dit: Joden mogen geen burgers van deze stad worden want die burgerklasse moet ‘Judenrein’ blijven. ‘Mensen zonder opvoeding en beschaving’ zijn hier de Joden, onthoudt u dat, want ik kom er op terug.
Ik moet om redenen van tijd en de gemengde aard van het publiek afzien van een zelfs maar oppervlakkig overzicht van de ontwikkeling van de jodenhaat en de ‘judeofobie,’ zoals de befaamde judaïst en Utrechtse eredoctor Peter Schäfer het heeft genoemd, en maak nu direct een sprong naar het dieptepunt bij Apion, de Alexandrijnse geleerde die ik al noemde. Deze extreme jodenhater was een alom gerespecteerd geleerde die zijn sporen had verdiend met een uitgebreid oeuvre op het terrein van de geschiedenis, de Homerusuitleg, de grammatica en tal van andere onderwerpen.15 Zijn aanvallen op het joodse volk in zijn geschiedwerk over Egypte zijn zó boosaardig en ook zó invloedrijk dat verscheidene decennia na zijn dood de joodse historicus Josephus het nog steeds nodig vindt om een heel werk te wijden aan de weerlegging van de laster van deze aartsantisemiet, namelijk in zijn boek Contra Apionem. Het verhaal dat Apion vertelt gaat als volgt:
De Seleucidische koning Antiochus IV kwam de Jeruzalemse tempel binnen en vond daar een man die op een aanligbed lag met voor zich een tafel die voorzien was van een rijk banket van vis en vlees waar de man in verbijstering naar staarde. Toen de koning binnenkwam werd hij door de man onmiddellijk verwelkomd als een bevrijder. Voor de koning neervallend strekte hij zijn handen uit en smeekte hem om zijn hulp. De koning verzekerde hem dat hij die zou geven en vroeg hem wie hij was, waarom hij hier vertoefde en wat de betekenis was van die uitbundige dis. Daarop vertelde de man onder zuchten en in tranen zijn treurige verhaal. Hij zei dat hij een Griek was en dat hij, terwijl hij rondreisde in dit land om er handel te drijven, plotseling werd gekidnapt door vreemdelingen en naar deze tempel werd gebracht en opgesloten. Hij werd door niemand gezien behalve door dienaren die hem vetmestten met maaltijden van de meest uitzonderlijke luxe. Aanvankelijk leek hem zo’n onverwacht buitenkansje nog wel iets aardigs, maar na enige tijd werd hij toch achterdochtig en tenslotte verbijsterd. Uiteindelijk vroeg hij een van de mensen die hem kwamen bedienen wat er aan de hand was. En deze informeerde hem dat dit gedaan werd om een geheime wet van de joden te vervullen. Elk jaar vingen zij namelijk op een bepaalde tijd een Griekse vreemdeling, mestten hem een jaar lang vet, leidden hem tenslotte naar een bos, waar ze hem vermoordden en zijn lichaam offerden met het gebruikelijke ritueel om daarna zijn ingewanden op te eten. En terwijl zij de Griek offerden, zwoeren zij een eed van vijandschap jegens alle Grieken.16
We moeten bij dit gruwelverhaal van Apion niet vergeten dat de auteur een man was die gedurende de regering van keizer Caligula niet alleen door Alexandrië geëerd werd met de schenking van het burgerschap van hun stad (een uitzonderlijke eer voor een Egyptenaar!), maar dat diezelfde stad hem ook vroeg om als leider en woordvoerder te fungeren in de Alexandrijns-Griekse delegatie naar Rome na het conflict tussen joden en Grieken, de pogrom die de joodse gemeenschap in de stad in het jaar 38 in zoveel ellende had gestort. Als deze man zó prestigieus was dat de Grieken in Alexandrië besloten hadden hem het burgerrecht toe te kennen, dan moet het ons niet verbazen dat zijn ongelooflijke beschuldiging van joods kannibalisme, waarbij er nota bene ook nog een Griek werd opgegeten, door deze Grieken serieus werd genomen en geloofd.17 En dat zal zeker buitengewoon veel haat hebben gekweekt en bijgedragen hebben aan de geweldsuitbarsting.
Maar waarom kannibalisme? Waren misantropie en atheïsme niet al erg genoeg als beschuldiging? Natuurlijk kan men zeggen dat kannibalisme altijd als de ergst denkbare beschuldiging geldt, dus dat daarvoor geen speciaal motief hoeft te worden aangevoerd. Ook is bekend dat de combinatie van het eten van menselijke ingewanden en het zweren van een eed in de antieke propagandaliteratuur een topos was om aan te geven dat het om een criminele samenzwering van de tegenstanders ging.18 Maar als men denkt dat dat de hele verklaring is – de Joden als samenzweerders tegen de erfdragers der beschaving, de Grieken19 - dan ziet men over het hoofd dat deze beschuldiging, hoewel in het Grieks op schrift gesteld, uit een Egyptische koker komt. Wat hier mijns inziens namelijk op de achtergrond meespeelt is een Egyptisch motief dat te maken heeft met de verering van de godin Isis.20
Isis is tot laat in de oudheid de meest populaire Egyptische godin geweest, niet alleen in haar land van oorsprong maar ook tot zeer ver buiten Egypte.21 Er is vrijwel geen land in de antieke wereld waar geen sporen van de verbreiding van haar cultus gevonden zijn. Een van de meer specifieke uitingen van de Isiscultus in de Grieks-Romeinse wereld zijn de zogenaamde Isis-aretalogieën, d.w.z. teksten, meestal als inscripties op steen bewaard gebleven maar soms ook geschreven op papyrus, waarin de grote daden en de goede eigenschappen van deze godin in het Grieks worden bezongen, hetzij door haarzelf in de ik-vorm hetzij door een van haar aanbidders in de derde persoon. Van deze propagandistische aretalogieën zijn een aantal exemplaren over, alle uit de eeuwen rond het begin van onze jaartelling (2de eeuw v.C. – 3de eeuw n.C.).22 Zij hebben een Egyptische achtergrond, wellicht in de priesterlijke theologie van de stad Memphis die het centrum van haar cultus was, maar de daarmee verbonden problematiek kunnen we voor onze doeleinden goeddeels buiten beschouwing laten.
Om een indruk te geven van zulke teksten citeer ik hier enkele zinnen uit mijn eigen, al 12 jaar geleden gepubliceerde vertaling van een Isis-aretalogie op een papyrus uit het Egyptische Oxyrrhynchus, waar Isis o.a. wordt bezongen als “leidster van zeeën, heerseres over mondingen van rivieren, (…) die ook de Nijl over het hele land doet komen, (…) de alheerseres bij de processies der goden, die vijandschap haat, het echte juweel van de wind en diadeem van het leven, (…) O heerseres Isis, grootste der goden, belangrijkste naam, (…) U heerst over het hemelse en het onmetelijke; (…) U brengt de zon van zijn opgang naar zijn ondergang en alle goden verheugen zich daarover; bij het opkomen der sterren aanbidden de bewoners van het land u onvermoeibaar; (…) de demonen zijn u gehoorzaam; (…) U hebt in alle steden voor altijd tempels van Isis gevestigd en u hebt aan alle mensen de wetten en een volmaakt jaar overhandigd; (…)U hebt aan vrouwen een gelijke macht aan die van mannen gegeven; (…)U bent dan ook de heerseres over alle dingen voor altijd!”23 Ook de ik-vorm wordt gebruikt (in de aretalogie van Kyme): “Ik heb met Hermes de lettertekens uitgevonden; (…) ik heb de mensheid wetten gesteld; (…) ik ben degene die voor de mensen vruchten heeft uitgevonden; (…) ik heb de aarde van de hemel gescheiden; (…) ik heb de baan van zon en maan bepaald; (…) ik heb man en vrouw met elkaar verbonden; (…) ik heb de heerschappij van tyrannen beëindigd en ik heb het moorden gestopt.”24 En zo gaat het maar door, de lofprijzing kan maar geen einde nemen.
Waar het mij in dit verband nu om gaat is dat in een aantal van deze Isis-aretalogieën een opvallend motief voorkomt dat als volgt wordt verwoord: “Samen met mijn broer Osiris heb ik een einde gemaakt aan de anthrôpophagia.”25 Het woord anthrôpophagia betekent ‘het opeten van mensen,’ kannibalisme dus. In de context wordt telkens benadrukt dat Isis de mensen, die aanvankelijk als wilde dieren leefden en geen wetten en regels kenden en daarom elkaar voortdurend naar het leven stonden en elkaar zelfs letterlijk verslonden, beschaving heeft gebracht: ze voerde wetten in, leerde de mensheid vruchten eten, dus de voortbrengselen van de aarde i.p.v. elkaar, ze maakte daarmee een einde aan het onderlinge moorden, ze leerde de mensen op een beschaafde manier met elkaar te leven, ze onderwees hen ook het schrift zodat cultuur kon ontstaan. Kortom: Isis is de godin van het eerste grote beschavingsoffensief.26 De overgang van een dierlijk, beestachtig bestaan naar een volwaardig menselijk leven is alleen maar dankzij haar goedheid mogelijk geweest. Het is het stoppen met elkaar uitmoorden en verslinden en het gaan eten van de voortbrengselen van de aarde dat de overgang van totale afwezigheid van beschaving naar een geciviliseerd bestaan markeert. Dat einde van een dierlijk bestaan is alleen dankzij de gaven van Isis mogelijk geworden.27
Een saillant detail is natuurlijk dat, terwijl in de Isisteksten het de wetten van deze godin zijn die de mensheid de beschaving binnenvoeren, het volgens Apion de wetten van de god van de Joden zijn die hen juist buiten de beschaving houden. Kennelijk heeft de joodse god niet het civilizerend potentieel dat Isis wél heeft. Het is daarom dat de Joden volgens Apion deze cruciale beschavingsslag hebben gemist, terwijl de rest van de mensheid die wél heeft meegemaakt. De impliciete vraag is dan ook of Joden eigenlijk wel volwaardig mensen zijn, quod non. Dat is zeker de suggestie die Apion bij zijn Egyptische en Griekse lezers wil wekken. Een ieder in het Alexandrijnse milieu die de door de Isis-aretalogieën verkondigde theorie over het ontstaan van beschaving en cultuur kende, en dat waren er in die stad zeker zeer velen, konden niet tot een andere conclusie komen dan dat Joden ‘Untermenschen’ waren. Geen wonder dat ze hen in het jaar 38, waarschijnlijk kort na de publicatie van Apions werk, met graagte vermoordden (zie Philo’s In Flaccum).28
Nu is het niet zo dat deze these staat of valt met de Egyptische oorsprong van deze theorie over het begin der beschaving.29 Ook in louter Griekse milieus, buiten de kring van Isis-aanhangers, circuleerden er soortgelijke gedachten.30 Om slechts enkele van de belangrijkste getuigenissen daarvan te noemen, reeds bij Homerus vinden we het motief van een menseneter als wilde barbaar in de figuur van de cycloop Polyfemus (androphagos noemt de dichter hem, Odyssee 10.200; ‘geen broodetend mens,’ 9.191) en hetzelfde epos kent ook hele volksstammen die leven van mensenvlees zoals de wilde Laistrygonen (Od. 10.116).31 Aristoteles spreekt over barbaarse volkeren bij de Zwarte Zee die zwelgen in mensenvlees (Ethica Nicomacheia 7.4, 1148b22; Politica 8.4, 1338b19-20). Hij was daarin al voorgegaan door Herodotus die over de Skythen, die ook in die regionen wonen, spreekt als de meest wilde van alle mensen, barbaarse androphagoi (kannibalen, 4.106; vgl. ook 1.216; 3.38; 3.99; 4.26); later zullen ook Plinius Maior en anderen dat doen (Naturalis Historia 6.54; 7.11-12).32 Plinius noemt in zijn beschrijving van stammen in Afrika ook een volk genaamd de Anthropophagi (menseneters, Naturalis Historia 4.88; 6.53). De tragicus Euripides laat Theseus zeggen dat hij die god prijst die de mensen uit hun oorspronkelijke dierlijke staat van leven heeft opgericht door aan hen verstand, spraak, de kunst van de landbouw en andere vormen van beschaving te schenken (Supplices 201vv.).33 Plato verwijst in zijn Epinomis (975a-b) naar de traditie dat de mensheid door de ontdekking van de akkerbouw verlost is van de noodzaak elkaar te verslinden (vgl. Wetten 782a-c). Hij schildert overigens elders, in zijn Staatsman 271d-e, het tijdperk van Kronos als een idyllische en vegetarische periode waarin vrede en harmonie allesoverheersend was, terwijl de filosoof Euhemeros (ca. 300 v.C.) zegt dat die oertijd, de periode van Kronos, een tijdperk van kannibalisme was, waarna het Zeus was die deze gruwelijke praktijk afschafte en de mensen wetten en beschaving (leges moresque) leerde (Testimonium 66 = Lactantius, Institutiones Divinae 1.13.2).34 Plutarchus levert de traditie over dat Osiris de mensheid van haar primitieve en dierlijke levenswijze bevrijdde door hen de landbouw te leren en wetten te geven (De Iside et Osiride 13, 356A); hier wordt weliswaar kannibalisme niet expliciet genoemd, maar gezien de wel zeer nauwe parallellie met de Isishymnen is die vrijwel zeker geïmpliceerd.35 De neef van Plato’s moeder, Kritias, spreekt in zijn beroemde tekst over het gemanipuleerde ontstaan van het geloof in goden over de ‘beestachtige’ (thêriôdês) staat waarin de mensheid leefde voordat er wetten werden bedacht, daarbij waarschijnlijk doelend op kannibalisme (88B25 Diels-Kranz).36 In een passage over de evolutie van de beschaving zegt de tragedieschrijver Moschion (4de-3de eeuw v.C.) dat de mensheid in haar oorspronkelijke staat kannibalistisch was, brute dierlijke kracht was alles wat telde, totdat de uitvinding van de landbouw de beschaving inluidde (TGF I 97F6).37 Theophrastus daarentegen was van mening dat de oorspronkelijke vorm van offer louter vegetarisch van aard was, maar dat het een gebrek aan plantaardig voedsel was waardoor de mensen er op een gegeven ogenblik toe overgingen elkaar aan de goden te offeren; zo ontstond het kannibalisme, dat vanwege de sociale nadelen op zijn beurt weer werd afgelost door het eten van dierlijk vlees (De pietate fr. 584A Fortenbaugh [zie noot 1], apud Porphyrius, Abst. 2.27).38 Een bijzondere overlevering wordt ons gemeld door de geograaf Pausanias, nl. dat de godin Demeter via een orakel de inwoners van Arkadië dreigt hen weer terug te laten vallen in hun oorspronkelijke staat van kannibalistische nomaden, waaruit ze hen eerder heeft bevrijd, als ze haar niet vereren (8.42.6). Tenslotte citeert Athenaeus een parodie van Athenion op al deze Kulturentstehungslehren, waarin iemand beweert dat de eigenlijke redders van de mensheid de koks zijn – immers, zij zijn het die door hun heerlijk bereide maaltijden de mensen er vanaf hebben gebracht elkaar rauw te verslinden (Deipnosophistae 14.660e). Er zouden nog veel meer teksten genoemd kunnen worden, maar ik volsta hiermee.39
In veel van deze teksten komt men telkens weer de termen thêriôdês (beestachtig, dierlijk) en agriôdês (wild, woest) tegen als aanduiding van de teugelloze en gewelddadige leefwijze der mensheid in haar kannibalistische fase.40 Aan de hier kort aangeduide passages kan men al zien dat er meer dan één theorie over de plaats van dit inhumane leven in de ontwikkeling der mensheid bestond. Voor sommigen was het een gelukkig overwonnen beginstadium; voor anderen was het juist een verschijnsel van degeneratie vergeleken met een ideale oertoestand; voor weer anderen speelde dit motief alleen maar een rol in hun beschrijving van volkeren in vreemde verten, gelegen aan de rand van of buiten de beschaafde wereld.41 De implicatie van deze Griekse theorieën voor de beeldvorming van Joden in de bewuste tekst van Apion is in ieder geval dezelfde als wanneer men een Egyptische achtergrond aanneemt:42 in beide gevallen is de conclusie onvermijdelijk dat de Joden in een stadium zijn blijven steken dat voorafgaat aan de ontwikkeling van de beschaving óf zijn vervallen tot een gedegenereerd leven op het niveau van wilde dieren. Opnieuw dus: Joden zijn ‘Untermenschen.’ Ze hebben wel wetten maar die dragen hen juist op rituelen uit te voeren die erop neerkomen dat ze nog op het niveau van dieren leven, er een thêriôdês bios op na houden. Als kannibalen zijn ze in feite wetteloos, primitief, immoreel, gewelddadig, en conspiratoir.43 Ik wijs er uitdrukkelijk op dat deze extreme vorm van defamering, voortkomend uit een intense jodenhaat, er al was vóórdat het christendom ontstond en lang voordat er racistische theorieën over de inferioriteit van de Joden werden ontwikkeld.


Download 165.19 Kb.

Share with your friends:
  1   2   3   4




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page