Sherborne’s bewegingspedagogiek


Conclusies ten aanzien van de afname van stressbeleving van de moeder



Download 0.84 Mb.
Page9/11
Date09.11.2016
Size0.84 Mb.
#1216
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Conclusies ten aanzien van de afname van stressbeleving van de moeder

Er is onvoldoende bewijs om de vierde hypothese dat de stressbeleving van de moeders in de Sherbornegroep meer is afgenomen in de controlegroep aan te nemen dan wel te verwerpen. In beide groepen zijn er verbeteringen opgetreden, maar in beide groepen zijn er ook gezinnen bij wie de testscores onveranderd zijn gebleven. Vanwege het kleine aantal gezinnen in beide groepen is het niet mogelijk om een eenduidige conclusie uit de analyse van de testgegevens te trekken. Geen van de groepen laat een duidelijk grotere verbetering zien. Hiermee is er onvoldoende bewijs dat de stressbeleving meer is afgenomen door de Sherborne’s bewegingspedagogiek. De gegevens sluiten echter ook niet uit dat Sherborne’s bewegingspedagogiek een positief effect op de stressbeleving heeft.

3.7 Contact tussen ouder en kind
De vijfde hypothese stelt dat binnen de gezinnen in de Sherbornegroep het contact tussen ouder en kind meer is verbeterd dan binnen de gezinnen in de controlegroep. De aanname die hieraan ten grond slag ligt, is dat Sherborne’s bewegingspedagogiek zorgt voor verbetering in het contact tussen ouder en kind. Om deze hypothese te kunnen toetsen is gekeken naar informatie afkomstig uit de interviews en naar de scores op de hechting en acceptatie schaal van de NOSI of de NOSI-K.
Gegevens uit de interviews

Uit de interviews komt naar voren dat in de Sherbornegroep bij zes van de acht gezinnen het contact tussen moeder en kind is verbeterd. De overige twee moeders geven aan dat het contact met hun kind al goed was en de problemen een andere achtergrond kenden (S1 en S5). Deze twee moeders noemden ook beiden dat niet de Sherborne’s bewegingspedagogiek, maar andere interventies hadden bijgedragen aan de verbeteringen in het gezin.


Van de vier moeders die positief zijn over Sherborne’s bewegingspedagogiek vertellen twee moeders dat het van invloed was op het contact met hun kind door positieve veranderingen bij het kind. Citaten die dit illustreren staan in paragraaf 3.3 (S3 en S4). De andere twee moeders geven aan dat zij positiever naar hun kind zijn gaan kijken door de Sherborne’s bewegingspedagogiek, maar dat het bij het kind niet tot veranderingen heeft geleid (S6 en S7). In beide gezinnen zat dit hem volgens de moeders in het feit dat de kinderen moeite hadden met het los laten van de controle tijdens de Sherborne sessies.
“…Met Sherborne, als het meteen heel goed begint en dat zij ook goed meewerkt, dan weet je dat het einde ook goed is. Maar als zij direct al dat controlerende gedrag gaat vertonen dan weet je dat het mis gaat…” (S6)
“…Met mijn kind is het gewoon jammer dat hij dat gewoon niet toelaat. Het was niet zo dat dat voor hem wat gemakkelijker werd. Dat was gewoon mijn kind, continu de controle over zichzelf willen houden, niet overgeven…”(S7)
De twee moeders die geen bijdrage van Sherborne’s bewegingspedagogiek aan de verbeteringen in het contact met hun kind, gaven wel duidelijke verbeteringen in het contact met hun kind aan (S2 en S8). Deze verbeteringen zijn vergelijkbaar met die van de moeders die positief zijn over Sherborne’s bewegingspedagogiek en ook verbeteringen in het onderlinge contact beschrijven.
“…Ik hield niet meer van mijn kind, maar nu wel weer. Ik heb leren inzien dat niet alles kwaad bedoeld is…” (S2)
“…Als ze verdrietig zijn komen ze nu gewoon bij mij en dat deden ze normaal nooit, dan was het altijd naar oma toe, van ik mag dit niet van mama en ik wil bij jou wonen. En knuffelen dat doen ze ook veel meer nou…” (S8)
In de controlegroep is het contact tussen moeder en kind bij vier van de vijf gezinnen verbeterd. Deze moeders geven verbeteringen binnen het gezin aan die vergelijkbaar zijn met de verbeteringen in de gezinnen uit de Sherbornegroep. De citaten die in paragraaf 3.1.1. onder het kopje verbeteren van pedagogische vaardigheden: positieve aandacht geven staan illustreren die samen met onderstaande citaat goed. De andere moeder (C4) geeft aan dat het contact met hun kind al goed was en daardoor onveranderd is.
“…Ik stootte mijn kind toen af en ik moest mijn kind weer aandacht geven en gewoon weer van hem houden. Nou is dat gewoon weer helemaal normaal. Net als ik met mijn andere kind heb…”(C2)
“…Het contact met mijn kinderen is wel anders geworden, toch overal in te betrekken. Toch als ik iets wil, leuke dingen dat doen we dan met z’n vieren, overleggen we met z’n allen en samen beslissen…” (C3)
In beide groepen blijkt het voor de moeders moeilijk specifieke gedragssignalen van verstoorde hechting aan de kant van het kind of de ouder te beschrijven. Het contact tussen hen en hun kinderen en verbeteringen hierin worden in meer algemene termen beschreven. Ook in de dossiers wordt in algemene woorden beschreven welke verbeteringen eventueel in het contact tussen ouders en kind zijn opgetreden. In alle gevallen kwam het beeld dat moeders schetsen in de interviews overeen met de informatie in de dossiers.
Gegevens uit de NOSI en NOSI-K

Er is beoordeeld of er verbeteringen zijn opgetreden ten aanzien van het contact tussen moeder en kind aan de hand van de scores op de schalen hechting en acceptatie van de NOSI en NOSI-K. Ook hierbij is weer gebruik gemaakt van de reliable change index en dezelfde indeling van de opgetreden verandering (0; + en ++).


Hechting

In tabel 3.8 zijn de scores van de moeders op de hechtingschaal van de NOSI en NOSI-K met elkaar vergeleken. Deze schaalscore geeft de mate aan waarin de ouder zich onvoldoende emotioneel verbonden met het kind voelt. Per gezin is aangegeven of er een verbetering ten aanzien van de emotionele verbondenheid van de moeder met het kind is opgetreden tijdens de IOG en/ of erna. Het verschil in scores op de NOSI-K is met behulp van het programma BergOp beoordeeld. Bij de scores op de NOSI geldt dat er sprake is van verbetering indien het verschil tussen twee metingen groter dan 5 is.


Tabel 3.8 Veranderingen ten aanzien van hechting van moeder met het kind.

S = Sherbornegroep, C = controlegroep

rood = NOSI; blauw = NOSI-K

0 = geen verbetering; + = verbeterd, maar niet klachtenvrij; ++ = verbeterd en klachtenvrij;

* = score van voormeting valt binnen categorie ‘gemiddeld of boven gemiddeld’
In de Sherbornegroep blijken vijf van de acht moeders zich bij afsluiting van IOG emotioneel meer verbonden te voelen met hun kind. Bij twee gezinnen is geen verbetering opgetreden en van één gezin ontbreken de testgegevens. In drie van de vijf gezinnen waar een verbetering is opgetreden, houdt deze verbetering stand en bij een gezin is dit onbekend. Bij het andere gezin is de emotionele verbondenheid van moeder met kind bij de follow-up weer verslechterd en op hetzelfde niveau als bij aanvang van de IOG gekomen (S7).
In de controlegroep blijkt dat twee moeders bij aanvang van de IOG gemiddeld en boven gemiddeld scoren (C1 en C4). Bij één van deze moeders is de emotionele verbondenheid van moeder met het kind bij afsluiting van IOG desondanks is verbeterd (C4). Aangezien de score op de voormeting niet afwijkend heeft, heeft dit voor dot onderzoek niet veel betekenis. Bij twee gezinnen is er geen verbetering ten aanzien van de emotionele verbondenheid opgetreden en van twee gezinnen ontbreken de testgegevens.


Download 0.84 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page