Sherborne’s bewegingspedagogiek


Child Behaviour Check List (CBCL)



Download 0.84 Mb.
Page3/11
Date09.11.2016
Size0.84 Mb.
#1216
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Child Behaviour Check List (CBCL)

De CBCL is ontwikkeld door Achenbach (1991) en bewerkt voor de Nederlandse situatie door Verhulst, Koot, Akkerhuis en Veerman (1990). Met de CBCL kan nagegaan worden hoe ouders het gedrag van het kind beleven. Er zijn twee versies ontwikkeld, een voor kinderen van zes tot achttien jaar en een voor kinderen van anderhalf tot zes jaar. Met deze vragenlijsten kan worden vastgesteld welke problemen de ouders bij het kind ervaren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internaliserende problemen, externaliserende problemen en totale problemen. De volgende gedragsclusters en syndromen worden onderscheiden: teruggetrokken, somatische klachten, angstig en depressief, sociale problemen, denkstoornissen, aandachtsprobleem, delinquent en agressief gedrag. De CBCL is door Resing, e.a. (2002) als goed beoordeeld in het kader van indicatiestelling. De ruwe scores van de CBCL worden omgezet naar T scores om de score van het individuele kind met de normgroep te kunnen vergelijken. Deze T scores zijn volgens de volgende regels toegekend (Verhulst, van der Ende en Koot, 1996):



  • Alle ruwe scores tot en met de 50e percentiel kregen de T score 50 toegewezen;

  • Vanaf T score 50 tot en met de T score 70 werden T scores toegewezen op basis van percentielen;

  • Boven de T score 70 werden de overgebleven ruwe scores verdeeld over de overgebleven T scores tot en met 100.

Een T score van 50 wil zeggen dat 50% van de kinderen van de normgroep hoger scoort en bij een T score van 70 scoort 2% hoger. Scores in de normgroep tussen de 82e en 90e percentiel bleken de meest efficiënte discriminatie tussen “gestoord” en “normaal” te representeren voor de meeste geslachts- en leeftijdsgroepen. Er werd daarom gekozen voor T scores van 60 en 63, corresponderend met twee bovengenoemde percentielen om het klinische gebied aan te geven. De keuze van deze grenzen is door Achenbach (1991) gemaakt op basis van de verschillen in scores tussen de normgroep en een groep klinisch verwezen kinderen in Amerika. Een klinische score betekent dat die score voor een kind in die leeftijdscategorie als problematische moet worden gezien. Concreet betekent dit dat één op de tien kinderen zo problematisch scoort. Deze afkappunten zijn ook in dit onderzoek gehanteerd. Om de terminologie van de CBCL en SDQ op elkaar af te stemmen is ervoor gekozen niet de term “klinisch”, maar de term “verhoogd” te gebruiken. De volgende indeling is in dit onderzoek aan gehouden:

Normaal <60 dit komt overeen met 0-82e percentiel

Grensgebied 60 – 62 dit komt overeen met 82e – 90e percentiel

Verhoogd >63 dit komt overeen met 90e – 100e percentiel


Strenghts and Difficulties Questionnaire (SDQ)

De SDQ is ontwikkeld door Goodman (1997) en bewerkt voor de Nederlandse situatie door Treffers en Van Widenfelt. De vragenlijst is bedoeld om kinderen met een hoog risico op psychosociale problemen te signaleren. De SDQ is in verschillende varianten beschikbaar, versies voor kinderen (van 11 tot 16 jaar) en voor ouders en leerkrachten voor verschillende leeftijdsgroepen tussen 3 en 16 jaar. De test meet zowel de aanwezigheid van psychosociale problemen als de sterke kanten van het kind en de invloed van psychosociale problemen op het dagelijkse functioneren. De vragenlijst bevat 25 items, die betrekking hebben op vijf subschalen: hyperactiviteit/ aandachtstekort, emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en pro-sociaal gedrag. Naast de 25 items is er ook een impactschaal. Deze vragen zijn bedoeld om inzicht te krijgen in hoeverre de aanwezige problematiek interfereert met het dagelijks functioneren en wat de ernst en duur van de problematiek is. De volgende afkappunten zijn gebruikelijk en zijn ook in dit onderzoek gehanteerd:

Normaal 1-10 dit komt overeen met 0-82e percentiel

Grensgebied 11-13 dit komt overeen met 82e – 90e percentiel

Verhoogd 14-30 dit komt overeen met 90e – 100e percentiel
Binnen dit onderzoek is gebruik gemaakt van de totale score op de CBCL en de SDQ. Deze gegevens dienen als maat voor de gedragsproblemen van het kind en zijn in combinatie met de informatie uit de interviews gebruikt om de derde hypothese te toetsen. Deze hypothese stelt dat de gedragsproblemen van het kind in de Sherbornegroep meer zijn afgenomen dan van het kind in de controlegroep. Op grond van de gevonden correlaties tussen hechting en gedrag van het kind op latere leeftijd wordt aangenomen dat hechtingproblematiek mede tot uiting komt in probleemgedrag (zie paragraaf 1.3 hechtingstheorie). Een goede hechting zou essentieel zijn voor een goede emotionele en sociale ontwikkeling en een kind helpen om een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen.
Nijmeegse Ouderlijk Stress Index (NOSI) en verkorte versie (NOSI-K)

De NOSI (De Brock, Vermulst, Gerris & Abidin, 1992) is een bewerking van de Amerikaanse “Parenting Stress Index”. De NOSI wordt ingevuld door ouders en meet de stressbeleving van ouders in de opvoeding van het kind. De NOSI kan worden afgenomen bij ouders met kinderen in de leeftijd van 2 tot ongeveer 13 jaar en is genormeerd. De NOSI bestaat uit een totale stress schaal die onderverdeeld is in twee domeinen: ouderdomein en kinddomein. Het ouderdomein als geheel brengt tot uitdrukking in welke mate de ouder zich niet berekend voelt op de opvoedingstaak en zich daarin inadequaat en gespannen voelt. Het kinddomein bestrijkt de bijdrage van bepaalde karakteristieken/eigenschappen van het kind aan de mogelijke overall-stress in de ouder-kind relatie. Onder ouderdomein vallen competentie, rolrestrictie, hechting, depressie, gezondheid, sociale isolatie en partnerrelatie. Binnen het kinddomein vallen aanpassing, stemming, afleidbaarheid, veeleisendheid, positieve bekrachtiging en acceptatie. Na factoranalyses zijn er 25 vragen overgebleven die de verkorte versie (NOSI-K) vormen. De betrouwbaarheid van de NOSI-K ligt tussen de .92 en .95 en is dus zeer hoog. Voor de NOSI en NOSI-K geldt dat de scores worden vergeleken met een normgroep van moeders of vaders uit een niet klinische populatie. De normtabel is ingedeeld in een zevental klassen: zeer laag,laag, onder gemiddeld, gemiddeld, boven gemiddeld, hoog en zeer hoog. Een ouder scoort zeer laag als de score behoort tot de vijf procent laagste scoorders van de normgroep, een lage score komt overeen met de daaropvolgende tien procent van de scoorders in de normgroep en een gemiddelde score met de daaropvolgende dertig procent, een bovengemiddelde score met de volgende twintig procent, een hoge score met 10 procent en een zeer hoge score met de vijf procent hoogste scoorders in de normgroep. Steeds geldt: hoe hoger de score, des te meer stress, minder competentie, meer depressie, etc.


De doelgroep van IOG zijn gezinnen waarbij de draaglast van het gezin onder andere verzwaard wordt door ernstige opvoedingsproblematiek. Binnen dit onderzoek is de totaalscore op de NOSI gebruikt om eventuele afname van stressbeleving in de opvoeding in kaart te brengen. Wanneer de situatie in het gezin is verbeterd, kan dat op verschillende manieren tot uiting komen. De totaalscore op het ouderdomein is in dit onderzoek gebruikt om te beoordelen of de ouder zich beter berekend voelt op de opvoedingstaak en zich daarin adequater en meer ontspannen voelt. De totaalscore op het kinddomein is gebruikt om te beoordelen of bepaalde karakteristieken/eigenschappen van het kind in mindere mate aan de overall-stress in de ouder-kind relatie bijdragen. Deze drie scores zijn in combinatie met de informatie uit de interviews gebruikt om de vierde hypothese te toetsen. Deze hypothese stelt dat de stressbeleving van moeders in de Sherbornegroep meer is afgenomen dan van moeders in de controlegroep.
De subschaal ‘hechting’ meet de mate waarin de ouder zich onvoldoende emotioneel verbonden met het kind voelt. Hoog scoren op dit construct betekent dat de ouder zich onvoldoende in staat acht om accuraat de gevoelens van het kind te begrijpen. De ouder-kind interactie kan in dat geval gekenschetst worden als kil en afstandelijk. De schaal ‘acceptatie’ geeft de mate aan waarin een kind niet voldoet aan de verwachtingen van ouders omtrent fysieke, intellectuele en emotionele eigenschappen. Een problematisch verlopend hechtingsproces en afwijzing van het kind door de ouder kan hiervan het gevolg zijn (De Brock et al., 1992) Beide schalen zijn daarmee indicatief voor de hechting tussen ouder en kind. Om de eventuele verandering in de hechtingsproblematiek te meten is binnen dit onderzoek gebruik gemaakt van de schalen ‘hechting’ en ‘acceptatie’ van de NOSI of de NOSI-K. Deze twee scores zijn in combinatie met de informatie uit de interviews gebruikt om de vijfde hypothese te toetsen. Deze hypothese stelt dat het contact tussen ouder en kind in de Sherbornegroep meer verbeterd is dan in de controlegroep.



      1. Analyse

Door de testgegevens bij aanvang, afsluiting en follow-up van de behandeling met elkaar te vergelijken is achterhaald in hoeverre ouders verbeteringen beleven tijdens en na de behandeling. Om te bereken of het verschil tussen de voormeting en nameting klinisch betekenisvol en betrouwbaar is, is gebruik gemaakt de ‘kritische verschilscore’. Dit houdt in dat het verschil tussen de voor- en nameting een bepaalde kritische waarde moet overschrijden om te kunnen spreken van een klinische betekenisvol en betrouwbaar verschil. Aan deze kritische verschil score ligt de ‘standaardfout van het verschil’, ook wel reliable change index (RCI) ten grondslag. Dit wordt gezien als de mate waarin door behandeling een individu buiten de range van de disfunctionele populatie terechtkomt of de mate waarin een individu binnen de functionele populatie beweegt (Jacobson & Truax, 1991).
De testgegevens van de SDQ en NOSI-K zijn bij Jarabee in het computerprogramma BergOp verwerkt. BergOp is een database voor opslag van behandelingsevaluatie- en registratiegegevens (Kroes, 2007). Dit programma geeft de mogelijkheid om in kaart te brengen of het verschil in scores op twee metingen klinisch betekenisvol en betrouwbaar is. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de RCI, zowel voor de scores op de SDQ als de NOSI-K. In dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen:

0 geen verbetering (onveranderd of verslechterd);

+ verbeterd, maar niet klachtenvrij;

++ verbeterd en klachtenvrij;

De gegevens uit deze effectrapportage van de betrokken gezinnen zijn in dit onderzoek overgenomen en gebruikt. Een + houdt in dat er een verbetering is opgetreden, maar dat de score nog steeds dusdanig hoog is dat het overeen komt met de vijf procent hoogste scoorders in de normgroep (‘verhoogd’ bij SDQ of ‘zeer hoog’ bij NOSI-K). In deze groep is dus nog steeds sprake van forse problematiek. Een ++ houdt in dat er een verbetering is opgetreden en dat de score van de tweede meting ook daadwerkelijk in een lagere categorie valt, dus niet meer overeenkomt met de vijf procent hoogste scoorders. Een 0 houdt in dat het verschil tussen de twee metingen niet groot genoeg is om van betekenis te zijn of dat er een verslechtering is opgetreden.
De scores van de CBCL en NOSI zijn niet in het programma ‘BergOp’ verwerkt. In dit onderzoek zijn de verschillen tussen de voor- en nameting op deze vragenlijsten handmatig berekend. Om de RCI en daarmee de kritische verschilscore, van de verschillende (sub)scores van de NOSI te berekenen is gebruik gemaakt van de standaardmeetfout, die te vinden is in de handleiding van de vragenlijsten. Hiermee is de standaardfout van het verschil, of te wel de RCI, berekend met de volgende formule (Jacobson & Truax, 1991):

standaardfout van het verschil = √ (2 x standaardmeetfout2)


Omdat in dit onderzoek alleen is gekeken naar verbetering van testscores, is uitgegaan van eenzijdig toetsen bij een significantieniveau van 5%. Om uiteindelijk de kritische verschilscore te berekenen, is de RCI vermenigvuldigd met 1.65. Dit getal is de z-waarde die vermeld staat in de statistische tabel met de kritische waarden voor de t-verdeling (Moore & McCabe, 2006) en komt overeen met een significantieniveau van 5% bij eenzijdig toetsen. Vervolgens is per gezin beoordeeld of het verschil in testscores tussen de voor en nametingen groter is dan de berekende kritische verschilscore. Ook hierbij is vervolgens een 0, + of ++ toegekend.
Bij de CBCL is het gebruik van de ‘kritische verschilscore’ vanwege de omzetting van ruwe scores naar t-scores. Het verschil in scores van de CBCL op de verschillende meetmomenten is dan ook subjectief beoordeeld. Alleen wanneer de score op de eerste meting in het grensgebied of klinische gebied valt en de score op de eindmeting of follow-up in het normale gebied valt, werd het label ‘verbeterd en klachtenvrij’ (++) toegekend. Alle overige verschillen tussen voor en nametingen werden als ‘geen verbetering’ (0) beschouwd.
3 Resultaten

3.1 Bevindingen tijdens het beloop van het onderzoek


Tijdens het onderzoek zijn er verschillen tussen de twee hulpverleners die Sherborne’s bewegingspedagogiek toepassen naar voren gekomen. In dit onderzoek bestaat de Sherbornegroep uiteindelijk alleen uit gezinnen die behandeld zijn door één van hen (hulpverlener A). Ook is het vinden van geschikte controlegezinnen een lastige zaak gebleken. Hierdoor bleek het niet haalbaar om de gezinnen in de controlegroep te matchen met de gezinnen in de Sherbornegroep. Voorafgaand aan het toetsen van de hypothesen worden deze twee punten toegelicht.
Sherbornegroep

Bij het in kaart brengen van de gezinnen die Sherborne’s bewegingspedagogiek hebben gekregen, blijkt hulpverlener A bij meer gezinnen Sherborne’s bewegingspedagogiek te hebben toegepast dan de andere hulpverlener (hulpverlener B). Hierbij gaat het om respectievelijk elf en vier gezinnen. Daarnaast loopt het aantal sessies Sherborne’s bewegingspedagogiek dat is gegeven, sterk uiteen. Hulpverlener A heeft bij negen van de elf gezinnen zes tot negen Sherborne sessies uitgevoerd. Bij de andere twee gezinnen zijn de Sherborne sessies in overleg met het gezin vroegtijdig beëindigd. Redenen hiervoor waren fysieke klachten bij de ouder en ontevredenheid over de totale hulpverlening waardoor IOG is beëindigd. Bij hulpverlener B zijn bij drie van de vier gezinnen de Sherborne sessies na twee of drie keer vroegtijdig beëindigd. Redenen hiervoor waren dat het gezin voorzetting van de Sherborne sessies niet zagen zitten of dat de gezinssituatie zodanig veranderde dat voortzetting van Sherborne’s bewegingspedagogiek niet haalbaar was. Uit gesprekken met hulpverlener B blijkt dat zij minder goed uit de voeten kan met de Sherborne’s bewegingspedagogiek binnen de IOG. Zij geeft aan veel vertrouwen te hebben in de methodiek zelf, maar vaak gebrek aan motivatie hiervoor bij de gezinnen te ervaren. Hulpverlener A geeft aan dat zij in de kennismakingsperiode met het gezin Sherborne’s bewegingspedagogiek als een mogelijkheid aanbiedt en hier alleen mee start als het gezin hier open voor staat. Gebrek aan motivatie ervaart zij daarmee niet. Deze bevindingen duiden erop dat naast de methodiek zelf kenmerken aan de kant van de hulpverleners een belangrijke rol spelen bij de effectiviteit van de Sherborne’s bewegingspedagogiek.


Controlegroep

Voorafgaand aan het onderzoek was de verwachting dat er een ruime hoeveelheid gezinnen beschikbaar zou zijn voor de controlegroep. Het is aannemelijk dat de gezinnen van de hulpverleners die ook Sherborne’s bewegingspedagogiek toepassen, vergelijkbaar zijn met de gezinnen van andere hulpverleners. De gezinnen voor de controlegroep werden aangedragen door de overige gezinshulpverleners. Na verschillende verzoeken om gezinnen voor de controlegroep aan te dragen, bleef het aantal aangedragen gezinnen echter zeer laag. Bij navraag naar de redenen hiervoor gaven sommige hulpverleners aan dat ze een hoge werkdruk ervaren en dat ze geen tijd hadden om gezinnen voor het onderzoek aan te dragen. Ook zagen verschillende hulpverleners deelname aan het onderzoek als een te grote belasting voor ouders. Uitleg over het onderzoek en de belasting die dit zou meebrengen voor ouders of hulpverleners heeft geen verandering hierin gegeven. Daarnaast bleek de term hechtingsproblematiek zelden te worden gebruikt in de dossiers van de overige hulpverleners. Zij gaven aan weinig of geen gezinnen met vermoedens van hechtingsproblematiek te kennen. Aangezien het zeer onwaarschijnlijk is dat de problematiek van de gezinnen van gezinshulpverleners die Sherborne’s bewegingspedagogiek toepassen verschilt van de problematiek van gezinnen van andere gezinshulpverleners is gekeken naar alternatieve formuleringen in de dossiers van andere hulpverleners. Bij het schetsen van de problematiek binnen gezinnen uit de Sherbornegroep geven verschillende hulpverleners aan toch vergelijkbare gezinnen in behandeling te hebben. In deze dossiers stonden meer algemene beschrijvingen zoals “problematische interactie tussen ouder en kind”, “problemen in relationele sfeer” en “ouder-kind problematiek”. Er is dan ook gekozen om het laatste criterium te laten vallen en af te gaan op deze algemene beschrijvingen in de dossiers.


Het is echter niet verwonderlijk dat hulpverleners onderling verschillen in hun bekendheid met en opvattingen over hechting aangezien er in de praktijk geen duidelijke criteria zijn voor het gebruiken van de term hechtingsproblematiek in de dossiers. Ook in de verslaglegging van de doorverwijzende instanties lijkt hier geen eenduidigheid in te zijn. Deze bevindingen verklaren waarom de controlegroep uit zo weinig gezinnen bestaat. De gezinnen in de controlegroep zijn dan ook slechts een zeer beperkte afspiegeling van de gezinnen die binnen Jarabee IOG krijgen en bij wie hechtingsproblematiek een rol spelen.

3.2 Algemene bevindingen


Binnen de IOG van Jarabee is in totaal bij vijftien gezinnen gestart met Sherborne’s bewegingspedagogiek. Hiervan zijn elf gezinnen afkomstig van hulpverlener A en vier gezinnen van hulpverlener B. Voor dit onderzoek zijn vier gezinnen afgevallen: twee gezinnen vielen af op grond van de algemene inclusiecriteria, één gezin bleek verhuisd te zijn en in één gezin is de situatie tijdens het onderzoek zeer complex en wordt een andere vorm van intensieve hulpverlening geboden. De overgebleven elf gezinnen zijn gevraagd deel te nemen aan het onderzoek, drie gezinnen zagen deelname aan het onderzoek niet zitten. Het uiteindelijke aantal gezinnen in de Sherbornegroep komt daarmee op acht gezinnen. Deze acht gezinnen zijn allen afkomstig van hulpverlener A.
Voor de controlegroep zijn in totaal dertien gezinnen aangedragen door verschillende gezinshulpverleners. Hiervan vielen vijf gezinnen af op grond van de algemene inclusiecriteria. De overige acht gezinnen zijn gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Hiervan gaven twee gezinnen aan niet te willen deelnemen en een gezin trok zich tijdens het onderzoek terug uit het onderzoek. Het uiteindelijke aantal gezinnen in de controlegroep komt daarmee op vijf gezinnen. Deze vijf gezinnen zijn afkomstig van vier verschillende hulpverleners.
In de tabel 3.1 is een overzicht van de kenmerken van de deelnemende gezinnen weergegeven. In deze tabel is onderscheid gemaakt tussen gezinnen in de Sherbornegroep en gezinnen in de controlegroep. Er is gekeken naar het geslacht van het aangemelde kind, de leeftijd en het type onderwijs dat het kind volgt. Daarnaast is gekeken naar de samenstelling van het gezin. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande moeder met kinderen, een samengesteld gezin bestaande uit een biologische moeder, stiefvader en eventueel (half- of stief-) broertjes en/of zusjes en een intact gezin bestaande uit de biologische vader en moeder en eventueel broertjes en/of zusjes. Ook is gekeken naar de duur van de IOG. Binnen Jarabee wordt de termijn van zes maanden aangehouden en in de praktijk blijkt het in enkele gevallen nodig dit te verlengen met drie of zes maanden. Binnen de gezinnen die deelnamen aan het onderzoek was de duur van de IOG dan ook zes, negen en in één geval twaalf maanden.
Tabel 3.1 Kenmerken van deelnemende gezinnen

S = Sherbornegroep; C= controlegroep



Hulpverleners A en B hebben cursus Sherborne’s bewegingspedagogiek gevolgd, hulpverleners C,D,E niet
Om te beoordelen of de Sherbornegroep en controlegroep vergelijkbaar zijn bij de start van de IOG is gekeken naar de scores op de verschillende vragenlijsten bij de beginmeting. In tabel 3.2 is weergegeven hoeveel gezinnen een score in de categorieën ‘normaal’ tot ‘verhoogd’ en ‘zeer laag’ tot ‘zeer hoog’ behalen. De gemiddelde scores voor iedere groep zijn niet berekend. Omdat gebruik is gemaakt van verschillende vragenlijsten als maat voor de gedragsproblemen van het kind en ervaren opvoedingsbelasting is dit niet mogelijk.
Tabel 3.2. Verdeling van scores bij beginmeting

S = Sherbornegroep; C= controlegroep


Uit de tabel blijkt dat er duidelijke verschillen zijn tussen de Sherbornegroep en de controlegroep. Wat het probleemgedrag van het kind betreft, valt op dat in de Sherbornegroep zeven van de acht kinderen een score heeft die in de categorie ‘verhoogd’ valt en één kind heeft een score die in het grensgebied valt. In de controlegroep liggen deze aantallen anders. Hier scoren slecht twee van de vijf moeders in de categorie ‘verhoogd’, twee in de categorie ‘normaal’ en van één gezin ontbreken de testgegevens. De twee moeders die ‘normaal’ hierop scoren, blijken ook op de NOSI steeds als enigen gemiddeld of bovengemiddeld te scoren. Om te beoordelen hoe deze normale scores kunnen worden verklaard, is gekeken naar informatie uit de dossiers en interviews. Bij één gezin bleken de problemen inderdaad minder ernstig en gecompliceerd te zijn. Deze moeder vertelde dat ze bij het consultatiebureau had aangegeven dat haar kind veel en heftige driftbuien had. Ze wilde graag adviezen om hiermee om te gaan, maar het consultatiebureau verwees haar door voor IOG. Deze moeder gaf aan dat zij de inzet van IOG veel te hoog gegrepen vond. Tijdens de behandeling bleek ze er toch veel eraan te hebben en is de behandeling voortgezet en na de normale termijn van 6 maanden afgerond. Dit kan een verklaring zijn waarom ze lager scoort op de vragenlijsten bij de voormeting. Bij de andere moeder die laag scoort op de vragenlijsten is de situatie geheel anders. Hier speelden veel en gecompliceerde problemen binnen het gezin. De hulpverlening vond plaats in het kader van ondertoezichtstelling van de kinderen en de IOG werd gestart net nadat het oudste kind uit huis was geplaatst. Moeder was vanwege de uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis zeer wantrouwend tegenover hulpverlening. Dit kan een verklaring voor de normale scores zijn. Bij de toetsing van de hypothesen zullen de scores van deze twee moeders in de controlegroep verder worden toegelicht.

3.3 Bijdrage van Sherborne’s bewegingpedagogiek


De eerste hypothese stelt dat gezinnen in de Sherbornegroep aangeven dat de Sherborne’s bewegingspedagogiek een bijdrage heeft geleverd aan de veranderingen die zijn opgetreden binnen het gezin. Vier moeders vinden dat Sherborne’s bewegingspedagogiek een bijdrage heeft geleverd, drie moeders vinden dit niet en één moeder weet het nog niet.
De vier moeders die positief zijn over Sherborne’s bewegingspedagogiek, beschrijven duidelijke verbeteringen in het contact tussen moeder en het kind. Alle vier de moeders zagen zelf meer positieve kanten van hun kind tijdens en na de Sherborne sessies. Over de veranderingen die het bij hun kinderen heeft gebracht, zijn de meningen verdeeld. Eén moeder geeft duidelijk aan dat het bij haar kind niet de verandering heeft gebracht die ze voor ogen hadden. Het deed meer voor één van de andere kinderen uit het gezin. Een andere moeder zegt dat de Sherborne sessie soms slaagt en soms niet, afhankelijk van de stemming van haar kind. Drie moeders geven aan dat ze oefeningen vanuit de Sherborne’s bewegingspedagogiek nog wel eens gebruiken of dat hun kind erom vraagt. De andere moeder zegt de oefeningen niet meer te gebruiken, maar dat wel het bewustzijn ervan is gebleven. Om de bevindingen te illustreren zijn citaten uit de interviews toegevoegd. Achter het citaat staat tussen haakjes het gezin van wie het citaat afkomstig is. De gezinnen zijn genummerd met een letter ervoor. De S staat voor gezinnen uit de Sherbornegroep:
“…Het contact, dat je weer positief naar je kind kan kijken en dat mama ook wat anders kan dan alleen maar brommen… …het samen wat doen, het samen weer leuk hebben. Dat geldt vooral voor het contact tussen mij en haar, dat gaat weer meer vanzelf. Met de andere twee kinderen ging dat altijd vanzelf…” (S3)
“…Ja, ik merkte na een paar keer gewoon dat mijn kind naar me toe kwam en de armpjes om mij heen sloeg en dat was heel lang geleden…” (S4)
“…Ik ben iemand die helemaal niet gauw huilt, maar gewoon dat je je kind dat normaal zo onhandelbaar is enzo, mij kutwijf noemt en zegt dat ik dood moet en dan bij me ligt en zo kwetsbaar en zo klein en zo rustig en zo stil, en dan heb je echt zoiets van ja dat is mijn kleine meisje…” (S6)
“…Dat is gewoon zo genieten als je dat kind ziet genieten, dat maakt zoveel goed. Dat geeft een stuk meerwaarde een stuk positiviteit naar je kind toe…” (S7)
Daarnaast is er één gezin bij wie IOG en Sherborne’s bewegingspedagogiek nog gaande zijn. In dit gezin hebben moeder en kinderen drie Sherborne sessies gehad en dit ervaren ze als “erg leuk”. Moeder kan echter nog niet aangeven of het effectief is en een meerwaarde heeft. Hiervoor denkt ze langer door te moeten gaan met Sherborne’s bewegingspedagogiek. De overige drie gezinnen geven aan dat Sherborne’s bewegingspedagogiek geen meerwaarde heeft gehad. Hiervan vertellen twee moeders dat het type spelletjes en oefeningen niet aansluit bij hun eigen belevingswereld of die van hun kinderen (S2 en S5). De andere moeder vertelt aan dat het contact tussen haar en haar kind al goed was en dat het mogelijk wel geschikt zou zijn voor kinderen met andere problemen (S1). De volgende citaten geven de kern van hun reacties duidelijk weer:
“…Het was op zich leuk, maar het hielp niet, bij ons niet. Ik zeg ook, ik vind het een hele goede techniek alleen voor ons maakte het weinig uit. Mijn kind is juist naar mij toe heel close. Bijvoorbeeld een schoonzus die kon je als baby niet knuffelen en het is een heel koel persoon, echt afstand. Ik denk dat zulke kinderen en met autisme enzo, dat het voor hen heel goed zou zijn…” (S1)
“…Ik hou niet van aanraking en dat soort spelletjes… en ook heb ik veel moeite met de video-opnames, daarom zijn we ermee gestopt…”(S2)
“…Het was moeilijk om daar serieus mee bezig te zijn. Op zich heb ik er niks mee, met dat soort spelletjes en dingetjes. En dat moet je dan net bij jongens doen van die leeftijd…” (S5)
Download 0.84 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page