Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


DE HOOFDINHOUD VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD



Download 2.06 Mb.
Page9/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   29

9. DE HOOFDINHOUD VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD.
J J. van Oosterzee. Prakt. Theol. 1. Utrecht. 1877. pag. 213; J. Ridderbos. Predikende het Evangelie des Koninkrijks. Kampen. 1911; Idem. Het Oude Testament in onze prediking. Kampen. 1922; G. Ch. Aalders. De profeten des Ouden Ver­bonds. Kampen. 1919. Hfdst. XI, XII, XIII; M. Reu. Homiletics. Chicago. 1922. pag. 57 seq.

De hoofdinhoud van de bediening van het Woord in de ver­gaderde gemeente moet dezelfde zijn als die van de Heilige Schrift. Nu is er in heel de Heilige Schrift van Genesis 1 tot Openbaring 22 één hoofdgedachte, die alle andere gedachten beheerst, één thema dat in vele variaties bezongen wordt, één boodschap die in verschillende vormen, met steeds groter duidelijkheid, tot de mensen wordt gebracht. Het is de mededeling van de raad Gods tot onze zaligheid in Jezus Christus.

De bijzondere openbaring onderstelt 's mensen val. Zij komt tot de mens, die door de zonde van God is vervreemd, en heeft ten doel de mensheid, wel niet hoofd voor hoofd, maar toch als organische eenheid weder door Christus tot God te brengen, opdat God zij alles in allen, Ef. 1 : 10, Col. 1 : 20.

De Heilige Schrift predikt ons, door de mededeling zowel van de historie als van woorden Gods, dat des mensen zaligheid is een werk G o d s. De val van de mens is zó diep, dat hij uit eigen kracht zich niet opheffen kan en niet opheffen wil. Zijn redding is een daad Gods. De sóteria (redding) is door God uitge­dacht; Christus, de Soter, is een gave van Hem; God zelf is de Soter in eigenlijke zin. Hij bereidt aan Christus door de histo­rie van het Oude Testament heen een plaats in het menselijk geslacht; Hij bereidt door de Geest aan Christus een woning in het hart dergenen die Hem gegeven zijn. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Joh. 3 : 16, Rom. 8 : 39, Rom. 11 : 36, Hand. 16 : 14, Ef. 1 : 46, 1 Tim. 2 : 1.


De Heilige Schrift is van het begin tot het einde t h e o 1 o g i s c h. Zij openbaart het Evangelie, de wijsheid G o d s, die in het hart van een mens niet is opgeklommen, maar die God ons geopenbaard heeft door Zijn Geest, 1 Kor. 2 : 710. Het is een Evangelie niet naar de mens, en ook niet van de mens, Gal. 1 11 en 12, het is een Evangelie van Jezus Christus, de Zone Gods, Markus 1 : 1, het is een Evangelie van het koninkrijk Gods, Markus 1 : 14. De heilshistorie, die de Heilige Schrift in Oud en Nieuw Testament verhaalt, is een historie van de daden G o d s. De verantwoorde­lijkheid van de mens wordt niet uitgeschakeld, ieder van ons zal Gode rekenschap moeten geven van hetgeen hij gedaan heeft hetzij goed hetzij kwaad, Rom. 2 : 116, 2 Kor. 5 : 10, maar door alle overleggingen en handelingen der mensen heen, voert God Zijn raad uit, Hand. 4 : 28. De Heere God zoekt na de val de mens op, die al bevende voor Hem vlood, geeft hem de heilsbelofte en verdrijft hem uit het paradijs, opdat hij zijn hand niet zou uitsteken naar de boom des levens en daarvan eten.

Hij beveelt Noach een ark te bouwen en redt hem en de zijnen van de vloed. Hij roept Abram uit Ur der Chaldeeën, leidt Israël uit Egypte door de woestijn naar Kanaän, verkiest en zalft David tot koning van Israel, bewaart in het volk van het Oude Verbond bij de afval nog een overblijf­sel, zendt in de volheid des tijds Zijn Zoon in de wereld, brengt naar Zijn raad het lijden over Hem, wekt Hem uit de doden op, neemt Hem op in de hemel, zet Hem tot Zijn rechterhand en betrouwt Hem het oordeel toe.

De Heilige Schrift tekent de daden Gods. Zij geeft een in de hoogste zin pragmatische historiebeschrijving, ze is uit dit oogpunt bezien een tendensboek. De Bijbel is door en door theologisch.
Met dit theologisch karakter der Heilige Schrift hangt het C h r i s t o c e n t r i s c h onlosmakelijk samen. Door woord en daad openbaart God zich in Jezus Christus, die de Middelaar Gods en der mensen is. Alles concentreert zich om Hem. Overal staat Hij in het middelpunt, die een verzoening is voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld, 1 Joh. 2 : 2. Hij is de spil, waarom heel de openbaring Gods in Oud en Nieuw Testament zich beweegt. Alle lijnen der historie staan in relatie tot Hem. De weg, die God met de mens houdt, om hem te brengen tot de zaligheid, loopt langs het kruis van Christus. De weg naar het paradijs loopt over Golgotha. De getuigenis van Jezus is de geest der profetie, Openb. 19 : 10. Zonder de marturia van Jezus zou de profetie gelijk zijn aan een lichaam zonder pneuma. De getuigenis van Jezus is het levensbeginsel van de bijzondere openbaring.

Dit christocentrisch karakter van de openbaring treedt het helderst aan het licht in het Nieuwe Testament, dat één prediking is van het heil, dat God in Zijn genade door Jezus Christus aan zondaren bereidt.

Naar het woord van de engel Gabriël zouden zich velen over de geboorte van Johannes de Dooper verblijden, Lukas 1 : 14, maar groter zal de blijdschap zijn, wanneer Hij geboren wordt, die de Zoon des Allerhoogsten genaamd zal worden, die over het huis Jacobs Koning zal zijn in der eeuwigheid en Wiens koninkrijk geen einde zal zijn, Lukas 1 : 33. Bij zijn geboorte zingen Israëls vromen ter eer van God, die in het Kindeke van Bethlehem Zijnen volke verlossing heeft teweeggebracht, Lukas 1 :46—55, 6879, 2 : 29—32.

De boeteprediking van Johannes de Dooper heeft ten doel, om de Heere te bereiden een toegerust volk, Mal. 4 : 6, Lukas 1 : 17. Johannes wijst Hem aan als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, Joh. 1 : 29, beveelt zijn discipelen Jezus te volgen, Joh. 1:35-37, want Jezus moet wassen maar Johannes minder worden, 3 : 30.

Nadat Jezus gedoopt is en met de Heilige Geest gezalfd, treedt Hij op met de prediking van het Evangelie des koninkrijks, Matth. 4 : 17, 4 : 23, 9 : 35, Markus 1: 14 en 15, Lukas 8 : 1. Hij verkondigt de armen het Evangelie, Matth. 11:5. Daartoe is Hij uitgegaan, Markus 1 : 38. Hij zegt van Zichzelf, dat de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, om zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen, Markus 10 : 45. Wat Jesaja in hfdst. 61 gesproken heeft van de Gezalfde des Heeren, die gezonden is om de armen het Evangelie te verkondigen, te genezen de gebrokenen van hart en te prediken het aangename jaar des Heeren, is in Hem vervuld, Lukas 4 : 18—21. Een iegelijk, die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoor­zaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem, Joh. 3 : 16, 36. Christus is het Brood Gods, dat uit den hemel is nedergedaald, het Brood des levens. Hij is het, die der wereld het leven geeft, Joh. 6 : 33, 48.
Van het Evangelie des koninkrijks is Christus de inhoud. Hij draagt Zijn discipelen op te prediken, dat het koninkrijk der hemelen nabij gekomen is, Matth. 10 : 7. Na zijn opstan­ding beveelt Hij alle volkeren tot zijn discipelen te maken en hun te leren, wat Hij bevolen heeft, Matth. 28 : 19. Wanneer de apostelen na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinkster­dag prediken, is de gekruiste en opgewekte Christus de hoofdinhoud van hun prediking, Hand. 2 : 22-36, 3 : 12-26. De zaligheid is in genen anderen, Hand. 4 : 12. Aan de eunuch van Candacé verkondigt Filippus Jezus, Hand. 8 : 35. Paulus predikt niets anders dan Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Hand. 13 : 16 seq. De Joden in Thessalonica opent hij de Schriften en stelt hun voor ogen, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat Jezus is de Christus, dien ik u verkondig, Hand. 17 : 3. Johannes schrijft zijn evangelie, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam, Joh. 20 : 3 1 .

Ook uit de Nieuw Testamentische brieven blijkt zonneklaar, dat Jezus Christus het middelpunt en de inhoud van het Evangelie is. De groetzegen in de Brieven is van God de Vader en van onzen Heere Jezus Christus, en zij dragen dus in dien zegen reeds een theologisch en Christocentrisch karakter. Het Evan­gelie heeft zijn oorsprong in God, wordt gekend uit de Heilige Schriften, gaat over de Zone Gods, die geworden is uit de zade Davids naar het vlees, Rom. 1 : 2-4. Het Evan­gelie van Christus, d. i. hetwelk Christus tot inhoud heeft, is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, Rom. 1 : 16.

De Dikaiosune Theou,135 die God tot auteur heeft en voor de zondaar bestemd is, wordt in het Evangelie geopen­baard en aangenomen door het geloof van Jezus Christus, d.i. het geloof, dat Jezus Christus tot inhoud heeft,136 Rom. 1 : 17; 3 : 22. Het woord dat Paulus predikt, is het woord des kruises.

Hij heeft zich voorgenomen onder de Corinthiërs niets anders te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd, 1 Kor. z : 18, 2 : 2. Hij predikt Christus en niets anders dan Christus, i Kor. 15 : 12; 2 Kor. 1 : 19; 2 Kor. 4 : 5. Het Evangelie is een woord der verzoening, ja, de ganse bediening van de apostel is zulks, 2 Kor. 5 : 18, 19. Hem is de grote genade gegeven om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus.

J. van Andel zegt in zijn verklaring van 2 Kor. 2 : 15 en 16 (Paulus' tweede Brief aan de Corinthiërs aan de gemeente uitgelegd, Leiden 1903, pag. 32): Wij beweren hiermede niet, dat er over de vele waarheden, in de Schrift geopenbaard, niet gepredikt zou mogen worden; Paulus zelf heeft over vele andere zaken dan die rechtstreeks de Christus raken gesproken, over de hoogste en de geringste, over alles. Maar van hem zie de prediker de heilige kunst af, om alle dingen in samenhang te zetten met Christus, in aansluiting aan de wille Gods, dat alle dingen tot Christus gericht en in Christus samengevat zouden worden, Col. t : 16 en 17; Ef. 1 : 10. Predik zo, dat Christus ner­gens buitengesloten wordt. en laat Hij geen bloot aanhangsel of toevoegsel zijn, maar het Middelpunt, het geheim van alles, en de sleutel tot alles. Zie hoe Paulus hem nergens buiten laat; de kennis der heerlijkheid Gods is gegeven in het aangezicht van Jezus Christus, 2 Kol. 4 : 6; door Hem en tot Hem zijn alle dingen geschapen, en in Hem bestaan zij te samen. Col. 1 : 16, 17; in Hem heeft God ons verkoren, Ef. 1 : 4; Hij is ons wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking, verlossing geworden, 1 Kor. 1 : 30. De verwijzing naar onze schuld en onmacht, Rom. 5 : 6-8, geschiedt met de bedoeling de zoenkracht van zijn dood te laten uitkomen, en op Zijn leven wordt onze hoop op de verlossing van de toekomende toorn vastgezet, Rom. 5 : 10.

Het geheim van onze zaligheid ligt in de doorwerking van de beide grote wendingen Zjner historie, Zijn dood en Zijn opstanding, in ons, waardoor zij onze dood en onze opstanding worden. Rom. 6 : 4. Die voor Hem lijden, dragen zijn lidtekenen in hun lichaam. Gal. 6 : 17; die in Hem geloven zijn van Zijn vlees en van Zijn benen, Ef. 5 : 30: Hij is in ons, 2 Kor. 13 : 5, en wij in Hem, t Kor. 1 : 30; Hij is het Hoofd der gemeente, de verzoening aller dingen, de woonstede der volheid Gods, de eerstgeborene aller creature. Col. 1 : 15—20; het hoofd van eiken man, 1 Kor. 11 : 3, de erfgenaam der wereld, Hebr. 1 : 2: voor Paulus zelven niets minder dan het leven, dat hij leefde, nadat hij zichzelven afgestorven was, Gal. 2 : 20. Men zou er nog veel meer kunnen bijvoegen, het zij echter genoeg naar Paulus' brieven te verwijzen: wie deze leest zal bemerken, dat Christus in al zijn gedachten de plaats der eer heeft. Wie dan met hem Gode een goede reuk wil zijn, ruime in zijn prediking gelijke plaats aan Christus in; de prediker hebbe slechts één tekst — Christus! Gelijk de reuk van een welriekende stof aan onze klederen, zo moet Christus aan ons te rieken zijn, zal onze dienst Gode waarlijk een reukoffer wezen.


Zowel in de Paulinische als in de andere brieven en in de Openbaring aan Johannes is Christus tó méeson, terwijl God de é arché en tó télos van alles is. Het Lam staat in het midden van de troon en van de vier dieren en in het midden van de ouderlingen en ontvangt naast God, uit Wie alle dingen zijn, de eer als Middelaar, Openb. 5 : 6-13. De internationale schare voor de troon zingt in haar lied van de zaligheid, die te danken is aan onzen God, die op de troon zit, èn het Lam. Zij roemt de uitdenker en de bewerker van het heil, Openb. 7 : 10. Na de ondergang van de Gode vijandige wereld, die in Openb. 19 onder het zinnebeeld van Babylon wordt voorge­steld, hoort Johannes de grote schare het Hallelujah zingen, omdat de Heere, de almachtige God, het koningschap heeft aan­vaard. Laat ons, zo jubelen zij, blijde zijn en vreugde bedrijven en Hém de heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich zelve bereid, Openb. 19 : 18.

Bij dit licht van Christus, dat uit heel de Nieuw Testamentische openbaring straalt, moeten wij het Oude Testament lezen, zul­len wij de bedoeling, de zin van dit deel van het Woord van God verstaan. Vetus testamentum in novo patet, novum testamen­tum in vetere latet. Terecht zegt de Heidelbergse Catechismus in vr. 19, dat wij de kennis van de Middelaar Jezus Christus verkrijgen uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeran­den en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.

Het Nieuwe Testament leert, dat we de hoofdinhoud van het Oude Testament eerst recht kunnen kennen, wanneer het oog voor het Christocentrisch karakter van de Oud Testamen­tische openbaring is opengegaan. Christus Zelf zegt, dat de Oud Testamentische Schrift een verkondiging is van Hem. Hij wijst er op in zijn eerste prediking te Nazareth, Lukas 4 : 21. De Schriften getuigen van Hem, Joh. 5 : 39, Mozes heeft van Christus geschreven, Joh. 5:49. In de lijdensdagen wordt telkens opgemerkt, dat aan Hem vervuld wordt wat in de Schriften geschreven was, Matth. 26 : 31, 56; Lucas 22 : 37. de twee discipelen op de weg naar Emmaüs wijst de opge­stane Heiland de gouden draad, die loopt door de Oud Testa­mentische Schrift. Begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten leide Hij hun uit in alle de Schriften hetgeen van Hem geschreven was, Lukas 24 : 27. Jesaja heeft de heerlijkheid van Christus gezien en van Hem gesproken, Joh. 12 : 41.
Toen de apostelen op de Pinksterdag vervuld werden met de Heilige Geest, ging hun oog open voor de betekenis des Ouden Testaments. Helder en klaar, als nooit te voren, zagen zij het licht van Christus door de nevelen heen. Petrus verkondigt op de Pinksterdag, dat de opwekking van Jezus Christus uit de doden in het Oude Testament is voorzegd, Hand. 2 : 34, 35. Mozes heeft gesproken van de Profeet, Die God verwekken zou, Hand. 3 : 22, en al de profeten van Samuël aan en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, hebben gepredikt de dag der vervulling van het heil door Christus, Hand. 3 : 24. Dezen, n.l. Christus, geven getuigenis al de pro­feten, Hand. t o : 43. Paulus bewijst uit de Schriften, dat Jezus is de Christus, Hand. 17 : 3; de profeten en Mozes hebben gesproken, dat de Christus zou lijden en dat hij de eerste uit de opstanding der doden zijnde een Licht zou verkondigen het volk der Joden en der heidenen, Hand. 26 : 22, 23. Paulus poogde de Joden te Rome te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, Hand. 28 : 23.

De Schrift van het Oude Testament is Evangelie en spreekt, zij het in de belofte, van Christus. Matthéüs wijst er in zijn Evangelie gedurig op, dat alles is geschied; Matth. 1 : 22, passim. Abraham is gerechtvaar­digd uit het geloof in de belofte, Rom. 4. Ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun, Hebr. 4 : 2. Van de zaligheid der zielen hebben ondervraagd en onderzocht de profeten, die ge­profeteerd hebben van de genade aan u geschied, 1 Petrus 1 : 10- 12. De getuigenis van Jezus is de geest ook der Oud Testa­mentische profetie, Openb. 19 : 10.

Zo blijkt dat wij, die leven onder de Nieuw Testamentische bedeling, de Oud Testamentische Schrift bij het licht van het Nieuwe Testament moeten verklaren en verstaan, en het Evan­gelie van Christus, zij het omhuld en in beloftevorm, van Genesis tot Maleachi kunnen ontdekken. In het Oude Testament neemt het Evangelie na de bondssluiting op Sinaï tijdelijk een wet­tische vorm aan en uit dat oogpunt kan de bedeling heten een bedeling der wet, der letter die doodt, der verdoemenis; maar in zijn wezen is het Oude Testament evenals het Nieuwe openbaring van de genade Gods voor zondaren in Jezus Christus.
Daar de Heilige Schrift alzo naar haar inhoud theologisch en Christocentrisch is, moet ook de prediking, die een bediening van het Woord is, naar haar hoofdinhoud theologisch en Christocentrisch zijn.

De prediking behoort theologisch te wezen. In de bediening van het Woord voor de gemeente des Heeren moet bij de verklaring van de Heilige Schrift duidelijk uitkomen, dat het God is die de openbaring gaf, dat Hij in al de woorden en daden ons Zichzelf in zijn heerlijke deugden doet kennen, dat Hij het is die in de historie zijn recht handhaaft en zijn genadetrouw doet schitteren. De Heilige Schrift is Gods openbaring. Aan de ere Gods, aan de hoofdinhoud der openbaring is de prediker verplicht, de Heilige Schrift zó te verklaren en toe te passen, dat dui­delijk de bedoeling Gods met de bijzondere openbaring uitkomt. Ook de gemeente des Heeren heeft nodig uit de Heilige Schrift God te leren kennen. Zij heeft aan daden en woorden van mensen op zichzelf niets. Die kunnen haar geen troost bieden en haar geestelijk leven niet bouwen. Zij wil God kennen tot haar zaligheid. Om Hem en Hem alleen is 't haar te doen. God te ken­nen in het aangezicht van Jezus Christus, is haar het eeuwige leven, Joh. 17 : 3. Daarom moet de prediker doordringen tot de kern der Schrift, de daad Gods in alle menselijk gebeuren opsporen en de bedoeling Gods met al de leidingen zijns volks, in de Schrift beschreven, doen verstaan. Hij steke af naar de diepte. Hij luistere naar de kloppingen van het harte Gods. De Schrift is een spiegel, die de deugden Gods weerkaatst. Straalt het licht Gods door middel van de bediening van het Woord, dan zal de gemeente bij dat licht niet alleen haar God maar ook zichzelf en de kosmos sub specie Dei leren kennen.

Het is niet altijd even gemakkelijk heel de Godsopenbaring onder deze belichting te zien en bij de verklaring en toepassing van iedere tekst een prediker Gods te zijn. Er behoort grote geoefendheid in de Schriften en in de praktijk des geestelijken levens toe, om dien theologische inhoud van de Schrift, vooral in de historische gedeelten, te zien. De Schrift geeft echter zelf aanwijzingen, die voor de dienaar van het Woord van het hoogste belang zijn. Zo wordt b.v. in de eerste capita van het boek der Richteren verhaald, dat de kinderen Israëls, toen ze door de wondere leiding des Heeren in Kanaän waren gekomen, de vreemde volken niet geheel uitroeiden, de Kanaänieten cijnsbaar maakten en dezen in hun midden lieten leven. Ze waren daardoor ongehoorzaam aan het Woord des Heeren en werden deswege door de Engel des Heeren berispt. In het laatste ge­deelte van caput 2 valt het licht van Boven op Israëls zonde. De Heere laat de volken, die in ongehoorzaamheid aan Gods bevel door Israel gespaard waren, in het leven, opdat Hij door die vreemde volken Israel zou beproeven of het in vrije gehoorzaamheid zijn God wilde dienen of niet. Door dergelijke verklaringen, die in de historische literatuur gedurig voorkomen, wordt de onderzoeker duidelijk, dat we in de Heilige Schrift voor ons hebben Openbaring G o d s. Zij zijn voor de dienaar van het Woord van grote waarde.
Ten tweede is de hoofdinhoud van de prediking niet alleen theologisch maar ook Christocentrisch. Omdat het Woord van God ons de heilswil Gods tot onze zaligheid in Jezus Chris­tus openbaart, mag de relatie van het verkondigde Woord tot Christus nimmer ontbreken. Buiten Christus is geen zaligheid, Hand. 4 : 12, zonder Hem die het Brood des levens is kan de gemeente niet worden gevoed, in Christus alleen is God te kennen tot zaligheid en kunnen we Hem voor de verlossing prijzen, I Petrus 1 : 3. In elke preek worde daarom aangewezen, welk verband er is tussen het Woord van God dat tot tekst geko­zen werd en het centrum der openbaring. Dat verband is er altijd, in alle delen van het lichaam der Schrift is de hartslag van de Christus waar te nemen. Wie de Schrift voor de gemeente uitlegt, het Woord bedient, stelt er een eer in, overeenkom­stig zijn roeping, aan te tonen dat er zelfs van het verst ver­wijderd punt aan de omtrek een weg is naar het middelpunt. Want een preek zonder Christus is geen preek. Een preek, waarin veel wetenswaardigs als vrucht van secure exegese wordt medegedeeld, maar waarin alle relatie met de gestorven en opgestane Christus wordt gemist, is geen bediening van het Woord. Wie zo preekt, geeft stenen voor brood. Een gemeente die geregeld onder zulk een prediking op gaat, lijdt honger.137

Sufficit nobis si modo ad cor populi praedicetur Christus (Voetius).

,,Vindt het Nieuwe Testament zijn eenheid in Christus, dan mag en moet elke plaats Christocentrisch worden verklaard. Ik acht dat een zaak van zeer grote betekenis, niet het minst voor de exegese, zoals ze is deel der voorbereiding tot de prediking des Woords. Er wordt nog zoveel, vergunt me de woorden, gedraaid en geknoeid. Men hoort preken, waarin de naam van Christus niet wordt genoemd, dan aan het einde in een toepasselijk slot.

Een andere prediker acht zich bezwaard van meet af het werk van Christus in het middelpunt te zetten, omdat hij eigenlijk meent, dat de tekst er niet van spreekt. Weer een ander zou tegen zijn geweten handelen, als bij van Christus zweeg en wil toch ook de tekst niet verklaren in een zin, dien hij zeker niet heeft.

Een vierde, minder schroomvallig, maakt er maar wat van en gaat óf op de klank af óf begeeft zich op paden der allegorische en mysticistische exegese. Hier moet ons de weg wijzen het stellige besef, dat het Nieuwe Testament zijn eenheid vindt in Christus. Dan zullen we verder komen. Want schijnt soms één bepaalde tekst van Christus te zwijgen, dan is die toch zeker weer opgenomen in een perikoop, die als geheel duidelijk op Hem wijst, heeft hij voor 't minst een eigen plaats in het Nieuwe Testament, waarvan Christus het middelpunt is. En dan moet die een tekst genomen in zijn verband en op die wijze Christocentrisch verklaard. Want van Oude en Nieuwe Testament geldt het gelijkelijk: De Schriften getuigen van de Christus, dat is hun eigenlijke taak. Van elke cirkel is het middelpunt te construeren, in elke plaats is ten slotte te vinden, hoe ze in verband staat met de Christus Gods." F. W. Grosheide. De eenheid der Nieuw Testamentische Godsopenbaring. Kampen. 1918. pag. 33.
Volgaarne wordt toegestemd, dat het niet altijd gemakkelijk is de relatie van een tekst met de Christus te zien. In de profetie van Jesaja, in sommige Psalmen, in het Evangelie, de Brieven en de Openbaring liggen de meeste gedeelten onmiddellijk bij het centrum en is de Christocentrisch visie niet moeilijk. Over Joh. 1 : 14 te preken zonder enige relatie tot de Christus Gods, is niet wel mogelijk.

Het zijn vooral de historische gedeelten der Schrift, die de homileet moeite baren. Het vereist enige homiletische scho­ling en geoefendheid in de Schriften bij de bediening van het Woord, b.v. over Matth. 8 : 24, De reiniging van de melaatse door Jezus, de wonderdoende Heiland in zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt voor het oog der gemeente te schilderen. Ongetwijfeld is er gevaar, dat, wanneer schitterende neven

figuren in de historie des heils optreden, de hoofdpersoon op de achtergrond komt en Christus in het donker blijft. Rembrandt had de rechte visie, toen hij bij zijn schilderij van de voorstelling van het kindeke Jezus in de tempel al het licht op het kind liet vallen. In dat gouden Rembrandtlicht moet onze Heere Jezus Christus altijd in de prediking staan.

Bij historische teksten uit het Oude Testament mag aan dezen eis niet in het minst te kort gedaan worden. Wie bij de behandeling van een Woord van God van het Oude Testament de relatie met Christus uit het oog verliest, predikt geen evangelie meer, geeft misschien een zedenpreek, die door literair schoon esthetisch bekoort, maar biedt niet wat de bediening van het Woord eist en de ziel van Gods kind behoeft.

Bij preken b.v. over het boek Esther moet het Christocentrisch karakter van de Godsopenbaring en mitsdien van de bediening van het Woord helder aan het licht treden. Ook in dit deel der openbaring is een weg, en geen lange, van de periferie naar het centrum. Het gaat immers in de Oud Testamentische openbaring om de strijd tussen het zaad der vrouw en het slangenzaad, die in de diepste grond een strijd tussen God en Satan is.

Na de belofte van Messias in het paradijs, Gen. 3 : 15, tracht Satan de geboorte van het kindeke te verhinderen door het heilig zaad, waaruit de Christus moet voortkomen, aan zijn zijde te krijgen of om te brengen. Was de kerk des Heeren, de vrouw die van Messias zwanger ging, omgebracht, dan zou het kindeke ook niet geboren worden (Openb. 12 : 1 seq.). Satan heeft het vóór de vloed zó ver gebracht, dat de aarde vervuld werd met wrevel en het God berouwde, dat Hij de mens gemaakt had, Gen. 6 : 6, 13. Dan grijpt de Heere in en redt in de ark één huisgezin, waaruit straks weer een nieuw geslacht der mensen wordt gebouwd.

Later roept God Abram uit Ur en brengt hem in Kanaän, waar hij als vreemdeling verkeert. Dan schijnt de heilige linie afgebroken, want eerst als Abraham oud is en de moeder in Sara verstorven, wordt Izak geboren, die het kind des wonders is, Hebr. 11: 11 en 12. Wanneer Israel in Egypte woont, tracht Satan door het wreed bevel van de Farao het heilig volk om te brengen, maar de Heere verwekt Mozes, die Israel uitvoert uit het land der verdrukking. Aan David had de Heere toegezegd, dat uit zijn geslacht de Christus zou voortkomen, op aanhitsing van Satan brengt echter Athalia al het Koninklijke zaad van Davids huis om. 't Is door het voorzienig bestuur des Heeren, dat Jojada en zijn vrouw de kleinen Joas kunnen redden. In de tijd van Esther is de macht van Satan geklommen tot haar hoogtepunt. Ahasveros heeft op instigatie van Haman het bevel (dat niet te herroepen was) gegeven, dat op een bepaalden dag in al de honderd zeven en twintig landschappen van zijn koninkrijk de Joden uitgeroeid zouden worden. 't Bevel is uitgevaardigd, verzegeld met 't Koninklijke zegel. Snelle boden brengen het naar alle landschappen van het grote koninkrijk. Nu verwekt de Heere ech­ter Mordechaï en in zijn hand wordt een eenvoudig Joods meisje, dat niets heeft dan hare schoonheid, het middel om de Joden voor de ondergang te behoeden en het volk in het leven te behouden, waaruit naar Gods belofte de Christus der wereld moest geboren worden. Zien we nu de geschiedenis, in het boek Esther verhaald, onder dit theologisch en Christocentrisch aspect, dan eindigt bij een bediening van het Woord over een deel van het boek Esther de prediking in een jubel aan God, die ondanks het woeden van Satan de Zaligmaker uit het zaad Davids naar zijn belofte deed geboren worden.
De hoofdinhoud van de bediening van het Woord dient eveneens theologisch en Christocentrisch te zijn, wanneer zij ge­schiedt in de vorm van de verklaring van de Heidelbergse Catechismus. Ook de wet (Zond. 34 en volgende) moet onder dit aspect gepreekt. Nergens is het gevaar voor moraalpreken, in de ongunstige zin des woords, groter dan hier. De pre­diker lette er op, dat de wet des Heeren voor de Nieuw Testa­mentische gemeente een stem van Golgótha is. De wet des Heeren moet in de praktijk van het leven betracht worden in Christus' kracht, uit dankbaarheid voor de verlossing door zijn bloed. Daarom wijze de wetpredicatie aan, niet alleen welke de negatieve en de positieve zijde is van het gebod des Heeren, maar ook hoe Christus voor onze zonden tegen elk wetgebod geleden heeft, de ganse wet in al hare delen voor ons heeft vervuld en door Zijn Heilige Geest kracht schenkt om die wet te volbrengen. Hoe inniger contact met Christus, Die alles voor ons heeft volbracht, des te heiliger leven. Christus heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons verlossen zoude van alle ongerechtigheid en zichzelven een eigen volk zou rei­nigen, ijverig in goede werken.

Wordt de inhoud der Schrift op deze wijze in de bediening van het Woord vertolkt, dan zal de prediking in de goeden zin „Christum treiben”, straalt het licht van het kruis over heel 't leven en is de bediening van het Woord naar het apostolisch woord een diakonia tès katallagès.

Zulk een prediking van de rijke Christus Gods, die de Zaligmaker is van de arme zondaar, biedt een overvloed van telkens variërende stof. De prediker, die de Schriften bestu­deert en van uit het theologisch en Christocentrisch gezichts­punt het Woord bedient, blijft fris en raakt n o o i t uitgepreekt. Preaching Christ monotonous? Then in­finite variety is monotonous.138



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page