Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page8/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   29

6. INDELING VAN DE HOMILETIEK.

A. Schweizer. Homiletik. Leipzig. 1848, pag. 112 seq.; Th. Christlieb. Homiletik. Basel. 1893. pag. 49 seq.; C. Krieg. Homiletik. Freiburg. 1915; M. Reu. Homiletics. Chicago. 1922. pag. 29 seq.; A. Kuyper. Encyclopedie II 12. 502 seq.; J. Waterink. Plaats en methode der ambtelijke vakken. Zut­phen. 1923. pag. 194 seq.

In navolging van Augustinus hebben Zepperus, Kecker­mann, Hoornbeek,115 e.a. de homiletiek verdeeld in twee delen: het máken en het houden van de preek. Omnis concionandi ratio consistit in recte formanda concione et habenda. Uit methodologisch oogpunt is deze indeling niet aan te bevelen, omdat ze uitsluitend ingesteld is op de arbeid, dien de prediker aan de bediening van het Woord ten koste legt. Ook kan de stof voor de prediking bij deze divisio niet voldoende tot haar recht komen, hetgeen bij de homileten, die deze indeling kozen, dui­delijk is gebleken: Hyperius, die aan het materiele deel van de homiletiek alle recht laat wedervaren, onderscheidt een algemeen en een bijzonder deel.

In het algemeen deel vindt een plaats wat de preekstoffen van elk genus met elkander gemeen hebben, in het bijzondere deel wat de stoffen in de een groep van die in de andere onderscheidt. Hoewel tegen deze indeling in een alge­meen en een bijzondere homiletiek methodologisch geen overwegend bezwaar is in te brengen, kan zij toch niet aanvaard worden, omdat hetgeen eerst onder het gezichtspunt van het algemeen behandeld is, straks voor een deel onder het gezichts­punt van het bijzondere terugkeert en dus herhaling niet te vermijden is (cf. de herhalingen in Hyperius' homiletiek). Daarbij kan in het bijzondere deel nooit op alle bijzonder­heden worden gelet, zodat het bijzondere toch in zekeren zin weer generaal genomen moet worden. Betrekkelijk weinig homileten hebben de indeling van Hyperius overgenomen.


Dr. Kuyper slaat in zijn Encyclopedie der Heilige Godge­leerdheid voor de homiletiek in te delen als volgt:

  1. de kunsttheorie van de prediking,

  2. de geschiedenis der prediking,

  3. de anthologie der prediking.116

Dr. Waterink neemt de indeling van Kuyper over, alleen met deze wijziging, dat eerst de ge­schiedenis der prediking genomen wordt, waarop dan als tweede en derde deel de kunsttheorie en de anthologie der predi­king volgen.117

Tegen deze indeling is aan te voeren, dat aan het principiële deel van de homiletiek, dat over het wezen van de bediening van het Woord in de vergadering der gemeente handelt, moeilijk een goede plaats in een kunst theorie is aan te wijzen, dat het materiele deel van de homiletiek onder een eenzijdig en niet geheel juist gezichtspunt van kunsttheorie behandeld wordt, en het gevaar niet is buitengesloten, dat de methodeleer een al te beheersende plaats zal gaan innemen, hetwelk in een Gereformeerde homiletiek niet aanbevelenswaar­dig is. Daarbij is de geschiedenis met anthologie van de predi­king beter in de Inleiding op haar plaats, daar zij geen inte­grerend onderdeel is van de bediening van het Woord.

Te prefereren is daarom de indeling, die, onder verschillende benaming, door vele nieuwere homileten o.a. door A. Schweizer, Nitzsch, Krauss, Reu, Van Oosterzee, Van Veldhui­zen, en ten dele ook door Krieg, is voorgestaan, n.l. die van principiële, materiele en formele homiletiek.
De bediening van het Woord komt onder drieërlei gezichtspunt ter sprake.


  • Ten eerste wordt naar de Heilige Schrift onderzocht, wat we principieel onder de bediening van het Woord hebben te verstaan.

  • Ten tweede welke, zowel in het algemeen als in het bijzonder, de stof is voor de bediening van het Woord.

  • Ten derde welke eisen ten formele aan de bediening van het Woord moeten gesteld worden.

Tegen deze indeling zou kunnen aangevoerd worden, dat ze enigszins schematisch is en ook in andere ambtelijke vakken toepassing zou kunnen vinden. Daartegen zij opgemerkt, dat ook bij de indeling die Kuyper van andere ambtelijke vakken geeft, het schematisme niet altijd te vermijden is, gelijk uit zijn Encyclopedie blijkt. Voorts dat deze divisie niet in andere vakken behoeft terug te keren, omdat andere ambtelijke vakken naar hun aard een andere indeling kunnen krijgen, die buiten dit schema ligt. En ten slotte, dat de stof die in een homiletiek ter sprake moet komen, zal blijken naar dit schema op goede wijze geordend te zijn en bij deze indeling het gevaar voor repetitie en vermethodieken zeer gering is.
Aan de drie delen gaat vooraf een Inleiding, waarin de naam en het begrip worden besproken, de encyclopedische plaats bepaald, en de betrekking aangewezen, waarin de homi­letiek tot hare hulpwetenschappen, retorica en psychologie, staat. De Inleiding wordt besloten met een geschiedenis van de homiletiek en een geschiedenis van de prediking.

Daar, gelijk Kuyper in zijn Encyclopedie terecht heeft opgemerkt, de geschiedenis der prediking vergezeld moet gaan van een anthologie der prediking, verdient het uit praktische overwegingen aanbeveling de geschiedenis van de prediking afzonderlijk te laten verschijnen.



I. PRINCIPIEEL DEEL

7. DE NAAM VOOR DE BEDIENING VAN HET WOORD.
Cremer Kogel. Bibl. theol. Wörterbuch der N. T. Grazi­t 110. 1915: G. Voetius. Pol. Eccles. 1I1. 351 seq.: H. Bavinck. Geref. Dogmatiek IV. 395 seq.; J. J. van Oosterzee. Prak­tische Theologie. I. 211 seq.; P. A. E. Sillevis Smitt. De organisatie van de christelijke kerk in de apostol. tijd. 1910: A. Harnack. Mission und Ausbreitung des Christentums in de ersten drei Jahrhunderten. 1915.

Voor de mededeling van hetgeen God de Heere door Zijn dienstknechten tot onze zaligheid bekend maakt, worden in de Heilige Schrift onderscheiden woorden gebruikt.

In het Nieuwe Testament wordt de mededeling van de heilsge­dachten Gods genoemd kerussein, hetwelk overeenkomt met het Hebr. qara en het Latijn praedicare. De Statenvertaling heeft het woord doorgaans door prediken overgezet. Kerússein is de handeling van een heraut, die in naam van zijn koning aan het volk publiek de woorden van zijn heer mededeelt. De prediking is het kerugma, de prediker een κήρνξ

De opperste Wijsheid predikt in het straatgewoel Spr. 1 : 21 en predikt tot de mensen Spr. 8 : 1, 4. Jona predikte tot de inwoners van Ninevé, Jona 1 : 2, 3 : 4, Matth. 12 : 41. Johannes de Dooper predikte de doop der be­kering tot vergeving der zonden, Matth. 3 : 1, Markus 1 : 4. De Heere Jezus predikte het Evangelie des koninkrijks in de synagogen, Matth. 4 : 23, Markus 1 : 39, Lukas 4 : 44 e.a. en beval Zijn discipelen het Evangelie te prediken Markus 16 : 15, Lukas 9 : 2, waaraan ze gevolg gaven, Markus 6 : 12, 16 : 20.

Na de uitstorting van de Heilige Geest predikten de discipelen, Hd. 8 : 5, vooral Paulus was de machtige κήρνξ, die op zijn zendingsreizen eerst tot de Joden en daarna tot de heidenen predikte, Hand. 9 : 20, 1 Kor. 1 : 23, Gal. 2 : 2 e.a.

Het woord kerussein, is in het Nieuwe Testament niet uitsluitend gebruikt voor missieprediking, hetwelk reeds uit het kerugma, van Johannes de Dooper en de Heere Jezus blijkt. Wel komt het gewoonlijk op plaatsen voor, waar sprake is van de eerste bekendmaking van het Evangelie, Matth. 4 : 17, 10 : 7, Rom. 10 : 14, enz. Blijkens 2 Tim. 4 : 2 is het tot de aanvankelijke heilsmededeling niet beperkt.

Het kerussein, prediken, duidt aan dat de heilsboodschap Gods gebracht wordt op gezag, steunende op de autoriteit van de Koning van het Rijk. Als Jezus Zijn discipelen uitzendt om te prediken, gaan ze uit als Zijn herauten en treden op in de Naam van Jezus, de Heere. Daarbij is in kerussein, nog deze gedachte uitgedrukt, dat de verkondiging publiek is. De heilsmededeling hetzij op straat, in de synagoge, in de tempel of in de huizen, is openbaar. De herauten van Christus moeten wijd en zijd hun stem laten horen. De christelijke religie is allerminst geheimleer. Hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken, Matth. 10 : 27. En de apostelen predikten overal. Markus 16 : 20.
Het woord aggéllein, boodschappen, verkondigen, komt in het Nieuwe Testament (tekst Nestle) alleen Joh. 20 : 18 voor. Meer ge­bruikt worden de composita als aggéllein en apaggéllein, waarmede overeenkomt het Hebr. nagad. (High.) Specifiek Nieuw Tes­tamentische term is het verbum evaggelien (gewoonlijk Med.) , in de LXX vertaling van het Hebr. basar (Pi.), Jesaja 52 : 7, 60 : 6, 61 : 1 enz. Met of zonder het object tó evaggelion betekent het ook doorgaans: het Evangelie verkondigen. Jezus verkondigde het Evangelie, Matth. 11 : 5, Lukas 20 : 1, de discipelen verkondigden het Evangelie vóór en na de opstan­ding des Heeren, Lukas 9 : 6, Hand. 5 : 42, Filippus verkondigde het Evangelie des koninkrijks, Hand. 8 : 12, Paulus en Barnabas verkondigden het Woord des Heeren, Hand. 15 : 35, 1 Kor. 9 : 16, 1 Kor. 15: 1, enz.
Het verbum Εναγγελιξεσδαί geeft te kennen, dat in deze wereld van ellende en jammer een goede boodschap wordt gebracht, die het hart verheugt. Het brengt de tijding, dat de belofte Gods aangaande onze zaligheid in vervulling is gegaan, dat het heil er is. Virtueel ligt in Εναγγελιξεσδαί gat de gedachte opgesloten, dat de heilsboodschap niet uitgedacht is door de boodschapper zelf, maar gebracht wordt in opdracht van God Die de bron van alle heil is.

Geeft κηρύσσειν te kennen de publieke prediking van Gods­wege door een heraut, Εναγγελιξεσδαί wijst aan de inhoud van de verkondiging, n.l. de goede boodschap, dat de belofte Gods betreffende het heil voor zondaren tot volle verwerkelijking is gekomen.

Het Evangelie is van een bepaalde zijde gezien, leer; het brengt aan hen die onwetend zijn of dwalen kennis van de weg der zaligheid. De heilsboodschap moet door de gehele n mens opgenomen worden, ook door de mens als een kennend wezen. Het onderwijs in de dingen van Gods koninkrijk is een middel om de mens tot bekering te bren­gen. Zo wordt in het Nieuwe Testament de evangelieprediking herhaaldelijk dydaskein genoemd. Jezus leerde in de synagogen, in de tempel, aan de zee, Matth. 9 : 35, 11 : 1, Markus i : 21, 2 : 13. Lukas 4 : 15, 19 : 47, Joh. 7 : 14, de apostelen leerden het volk, Hand. 4 : 2, 5 : 25, Paulus en Barnabas leerden te Antiochië het woord des Heeren.

De inhoud van de verkondiging, dat wat onderwezen wordt, is δίδαχή, Matth. 7 : 28, passim. Soms komt didaskein voor in verbinding met Εναγγελιξεσδαί, Lukas 20 : 1, Hand. 15 : 35, of ook met kerussein, Matth. 4 : 23, 9 : 35, Hand. 28 : 31, in welk geval volgens Cremer-Kögel kerussein ‚die blosse Mitteilung resp. die sich daran schliessende Aufforderung (z. b. metanoeite u. s. w.) bezeichnet dem das akouein entspricht, wogegen didaskein die näher auf die Sache eingehende, beleuchtende und begründende, auf Bewirkung des Verstädnisses berechnete Lehrtäigkeit bezeichnet.’


De prediking van de heilsboodschap richt zich tot het verstand, bedoelt onkunde en dwaling weg te nemen, en heet dan didaskein. Tracht zij op de wil des mensen in te werken en tot gehoorzaamheid en onderwerping aan het Woord van God te leiden, dan krijgt zij een vermanend karakter en wordt parakalein genoemd. Lukas 3 : 18, 2 Kor. 5 : 20, Tit. t : 9. Ook het vertroostend karakter der prediking wordt door parakalein uitgedrukt, 2 Kor. 1: 4, waarmee overeenkomt het Hebr. nicham, Jes. 40 : 1, passim.

Het spreken van het Woord van God wordt in de Heilige Schrift ook profeteren genoemd.118 Profeteren (nibba' Niph. en Hithpa.; profeteuein is het onder sterken aandrang van de Heilige Geest mededelen van hetgeen in de raad Gods verborgen was, Num. 11:25-27, Amos 3 : 8.

Onder het Oude Testament, in welke bedeling het heil nog toekomstig was, heeft profe­teren daarom dikwijls de engere betekenis van voorzeggen of de toekomst voorspellen, 2 Kron. 18 : 7, Jer. 19 : 14, Ezech. 4 : 7, enz. In het Nieuwe Testament is profeteren de mede­deling van het heil dat aanwezig is, hetzij meer charismatisch, hetzij ambtelijk, onder krachtige beïnvloeding van de Heilige Geest, die tot spreken dringt, Lukas 1 : 67, Hand. 2 : 17.

Soms heeft profeteuein, profetreia in het Nieuwe Testament de betekenis van de bekendmaking van de verborgenheden uit de raad Gods in betrekking tot de toekomst van wereld en mensheid. Openb. 1 : 3, 22 : 7, Hand. 21 : 10. Het charisma der profetie was in bijzondere mate geschonken aan de gemeente te Korinthe. Mannen en vrouwen profeteerden en de apostel Paulus acht deze gave hoger dan die van de glossolalie, 1 Kor. 14 : 5. Profeteren is dus een verkondigen van het Woord van God, niet een uitleggen van het reeds in schrift of door traditie bestaande Woord van God, maar het spreken van het Woord door onmiddellijke inwerking van de Heilige Geest, die tot spreken dringt.

De dienst, die de ambtsdrager in Naam des Heeren tot welzijn van de gemeente verricht, wordt in het Nieuwe Testament gewoonlijk diakonia genoemd. diakonia heet zowel het ambtelijk werk der apostelen en der herders en leraars, als der ouderlingen (opzieners) en der diakenen. Dit algemeen begrip diakonia is van toepassing op de onderscheiden functies van het ambt. De prediking van het Evangelie aan de gemeente des Heeren is een bediening van het Woord, diakonia tou logou Hand. 6 : 4, en de predikers zijn dienaren van het Woord of des Evangelies, Ef. 3 : 7, Col. 1 : 23.

In Hand. 20 : 1I wordt de prediking van het Woord aan de gemeente homilein genoemd, in welk woord het vertrouwelijk karakter van de bediening van het Woord wordt uitgedrukt en waarmede tevens te kennen is gegeven, dat de prediking in eenvoudige vorm geschiedt.


In het kerkelijk spraakgebruik komt Εναγγελιξεσδαί spora­disch voor. In het Oosten werd kerussein het woord voor de prediking tot de heidenen, homilein voor de prediking tot de gemeente. Homilia is bij Justinus Martyr de toespraak, die door de presbyter gehouden wordt over het gedeelte der Heilige Schrift, dat in de vergaderde gemeente was voorgelezen.119 De preken van Chrysostomus werden homilia genoemd.

Toen in de derde en vierde eeuw onderscheiden mannen tot het christendom overgingen, die zich in de klassieke retorica hadden geoefend, trachtten zij de goede elementen uit de orato­ria in dienst te stellen van de prediking. Naast de parafrase van de tekst die óµt Ua genoemd werd, kwam een nieuw genre op, n.l. de bediening van het Woord in de vorm ener rede, die voldeed aan de eisen, welke de retorica stelde. Zulk een kunstvolle systematisch opgebouwde prediking van het Woord werd Logos genoemd, een woord dat ook bij Demosthenes, voorkomt in de betekenis van een aan de retorica beant­woordende rede.

In het Westen heeft Augustinus op de terminologie voor de bediening van het Woord groten invloed uitgeoefend. Hij nam de term homilia over in de betekenis van eenvoudige, populaire verklaring van de Heilige Schrift voor de gemeente. Hij maakte echter nog weer nader onderscheid tussen homilia als meer analytische en sermo (van serere, aaneenrijgen) als., meer synthetische prediking. Homilia wordt niet vertaald door conversatio of confabulatio; wel spreekt hij van tracta­tus populares, quos Graeci homilias vocant. Van deze is onderscheiden de met logos overeenkomende oratio, een toespraak over geloofswaarheden in de vorm ener rede naar de kunstregelen der retorica.

Naast sermo komt in de Middeleeuwen op, waarschijnlijk reeds na de zesde eeuw, de Latijnse vertaling van kerussein praedicare (praedicatio, praedicator). Vooral onder invloed van de Franciscanen die hun religieuze toespraken gaarne praedicationes noemden, is het woord praedicatio in zwang gekomen. Terwijl evangelizare, hoewel het als de verlatijnsing van Εναγγελιξεσδαί in de Vulgaat gebruikt wordt, geen burgerrecht kon verkrijgen, werd, vooral in de tweede helft van de Middeleeuwen, de bediening van het Woord herhaaldelijk concio, concionari genoemd. Concio is de volksvergadering en vervolgens de toespraak die tot het volk, in vergadering samengekomen, wordt gericht. Concio doet veelal dienst als vertaling van homilia.


Na de reformatie heeft het woord sermo zich in de Latijnse literatuur weten te handhaven. Luther spreekt gewoonlijk van praedicare, predigen, Predigt. In zijn Bijbelvertaling heeft hij niet alleen kerussein maar ook Εναγγελιξεσδαί en didaskein weergegeven door predigen. En dit woord is een term voor de evangelieverkondiging in het midden der gemeente gebleven tot de huidigen dag. Bij bijzondere gelegenheden wordt door de Luthersen van „Rede” gesproken, b.v. Taufrede, Beichtrede.

Door de Gereformeerden, die Latijn schreven, werd naast prae­dicatio het woord concio gebruikt. De verlatijnste vorm van prophetare, theologia prophetica (Alstedt), heeft geen ingang gevonden. In het Frans en Engels wordt naast het aan het Latijnse sermo ontleende substantief sermon het van praedicare afstammende prêcher en to preach gebruikt. Voor een godsdienstige toespraak, die in bijzondere mate aan retorische eisen voldoet, wordt in het Frans oraison (b.v. oraisons funèbres) gebezigd. In het Nederlands komt naast predicatie (preek) ook leerrede, kanselrede, kerkelijke redevoering voor.


Wanneer we de vraag stellen, welk woord voor de beitsverkondiging in de vergadering der gemeente des Heeren moet gebruikt worden, zij opgemerkt, dat homilie niet te verkiezen is, omdat het zich in het spraakgebruik eenmaal heeft vastgezet in een bepaalde betekenis n.l. van bediening van het Woord in de vorm ener korte parafrase van de tekst, zonder thema en verdeling. Het woord profeteren, profetie is niet aanbevelenswaardig, omdat het in de Heilige Schrift gebruikt wordt voor een hetzij ambtelijke, hetzij charismatische verkondi­ging van het Woord onder drijving des Geestes, 2 Petrus 1 : 21. De dienaar van het Woord moge vele trekken met de profeet gemeen hebben, zijn ambt is wezenlijk van dat van de profeet onderscheiden.120

De woorden leren, vermanen en vertroosten duiden de verkondiging van het Woord naar een bepaalde zijde aan en zijn daarom voor een algemeen be­naming minder geschikt. Indien Εναγγελιξεσδαί wordt vertaald door verkondigen of verkondigen van het E v a n g e 1 i e, is er tegen dit woord geen enkel bezwaar, omdat het de heerlijken inhoud van de boodschap des Heeren aangeeft.

De woorden evangeliseren en evangelisatie zijn echter voor de bediening van het Woord in de vergadering der gemeente niet aan te raden, daar het hedendaags spraakgebruik deze gestempeld heeft in de betekenis van de verkondiging van de blijde boodschap tot hen, die in de christelijke maatschappij van het Evangelie van Christus zijn vervreemd.121

Wordt evangeliseren ook gebruikt voor de prediking in de gemeente des Heeren, dan ontstaat verwarring. Daarom is het niet goed te keuren, dat het woord evangeliseren soms gebezigd wordt voor de prediking van het Woord tot de Heidenen en Mohamme­danen.

Naast evangelieverkondiging is te gebruiken p r e d i k e n, prediking, predicatie, preek. In deze benaming ligt uitgedrukt, dat de bediening van het Woord een publieke mede­deling is van het heil in Christus, welke door de heraut des Konings in Zijn Naam tot de gemeente wordt gebracht.

Voor algemeen benaming is bijzonder geschikt b e d i e n i n g des Woords, diakonia tou logou, omdat hierin is aangegeven wat de heilsverkondiging in de gemeente naar haar inhoud en haar karakter is.

Tot de gemeente moet gebracht wor­den het Woord van God, dat de Heere tot onze zaligheid in de Schriften heeft geopenbaard, dat Woord in zijn vollen omvang, in wet en evangelie, in Oud en Nieuw Testament. Dat Woord alleen is het brood voor de zielen, de hemelse spijs voor het volk Gods. En het Woord wordt bediend, d. i. in de Naam des Heeren door de dienstknecht, de dienaar van het Woord, verkondigd.122

De prediker is subject aan het Woord, zijn dienst is een ministeriun. En de gemeente heeft dat Woord te ontvangen niet als zijn Woord, maar, gelijk het waarlijk is, als Gods Woord. Er is geen enkel bezwaar om evangelieverkondiging, prediking en bediening van het Woord promiscue te gebruiken, maar als vaste benaming verdient toch de term bediening van het Woord, om zijn rijken inhoud, de voorkeur.

De namen kerkelijke redevoering, kanselrede en leerrede moeten afgekeurd worden. Tegen alle drie is in te brengen, dat de preek als een species bij het genus rede (oratio) wordt ondergebracht, hetgeen, na het gezegde over de verhouding van homiletiek en retorica, af te wijzen is. Ook zou deze benaming de verkeerde opvatting kunnen bevorderen, alsof bediening van het Woord, die niet in de vorm ener rede was gegoten, een van haar wezenlijke kenmerken zou missen. Voorts is de naam k e r k e l ij k e redevoering te verwerpen, omdat zij veel te algemeen is en niets van de speciale inhoud van de preek zegt.

Kanselrede is nog meer afkeurens­waard, omdat hier de bediening van het Woord wordt genoemd naar de spreekplaats. Het vooral door Van Oosterzee met voorliefde gebruikte woord 1 e e r r e d e is evenmin aan te bevelen. Ongetwijfeld wordt in de Heilige Schrift de mededeling van het heil Gods voor zondaren een l e r e n genoemd. Jezus leerde de schare. Dit Schriftuurlijk begrip leren is echter breder en dieper dan dat van het Rationalisme. De leer van Jezus en van de apostelen was een mededeling van het Evangelie Gods, die zich richtte tot het hart en het geweten der mensen. Maar de leer der Rationalisten was een product van de ratio, bestemd om alleen door het intellect aangenomen te worden. Het woord leerrede is vooral gebruikt in de achttiende eeuw, toen de bloeitijd der Gereformeerde theologie voorbij was en het Ratio­nalisme hoogtij vierde .123

Omdat het Rationalisme van de kerk een school wilde maken, uit de religie het hart uitsneed en, geheel intellectualistisch, de prediking van het Woord degradeerde tot een verkondiging van door de ratio gefiltreerde leer, waaraan de diepreligieuze factor ontbrak, is het raadzaam het woord leerrede, een product van het Rationalisme, uit het theologisch en kerkelijk spraakgebruik te verwijderen.



8. HET WEZEN VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD.
F. Schleiermacher. Prakt. Theol. 185o. pag. 201: E. Sachsse. Evangelische Homiletik. 1913. pag. 48; Th. Christlieb. Ho­miletik. 1893. pag. 52; A. Krauss. Homiletik. pag. 140; F. Niebergall. Prakt. Theologie. 1919, II. pag. 65; C. Krieg. Homiletik 1915. pag. 201 ; J. C. Sikkel. De Heilige Schrift en haar verklaring. 1906.

Het wezen van de bediening van het Woord bestaat hierin, dat zij is de verklaring en de toepassing van het Woord van God, geopenbaard in de Heilige Schrift. Deze omschrijving van het wezen der christelijke prediking in de vergadering der gemeente des Heeren is ontleend aan het principium cognoscendi der theolo­gie, n.l. de Heilige Schrift.

Wie, gelijk de Schleiermacheriaansche theologie en de theologie van het Modernisme, de Heilige Schrift niet als principium cognoscendi der theologie aanvaarden, komen daardoor ook tot een andere omschrijving van het wezen der prediking. Zo is Schleiermacher de profeet van de aesthetische opvatting. Volgens Schleiermacher komt in de cultus tot uiting het religieuze leven van de gemeenschap en dit cultische handelen is geen zwecksetzendes, wirksames, maar een darstel­lendes Handeln. Zoals een artiest zijn ideeën darstellt in een kunstwerk, objectiveert de religieuze gemeenschap in de cultus wat in haar omgaat. In de prediking, die niets anders is dan cultuselement, moet de prediker in de vorm ener rede darstellen, wat in de kerkelijke gemeenschap religieus wordt door­leefd. De prediker moet bij die Darstellung volkomen in iden­titeit zijn met de gemeente, die hij dient. So muss ihn (nl de geestelijke) der Geist seiner Kirche so durchdrungen haben, dass alles was ihn affizirt ihn religi6s affizirt; niemals wird er glauben seinem Beruf Geni ge geleistet zu haben, wenn nicht die Totalitt seiner Amtsfuhrung auch die Totalitt seiner ganzen religieisen Selbstdarstellung ist.124
A. Schweizer en H. Bassermann sloten zich bij deze opvatting aan en dit subjectivisme is een kenmerk geworden van de prediking van het Modernisme in zijn vele vertakkingen.125

De Schleiermacheriaansche theorie is onaannemelijk voor de Gereformeerde homiletiek. Reeds om deze reden, dat door Schleiermacher c.s. de Heilige Schrift als principium cogno­scendi der theologie losgelaten en daarvoor de ervaring van het religieus bewustzijn in de plaats geschoven wordt. Het zwaartepunt wordt door hen uit het object in het subject verlegd. Het Gereformeerde en het Schleiermacheriaansche standpunt staan in dezen lijnrecht tegenover elkander, en de opvattingen over het wezen der prediking zijn zó verscheiden, dat ze niet te verzoenen zijn.

Terecht heeft Dr. van Mourik Broekman gecon­stateerd, dat de tegenstelling orthodoxiemodernisme van principiële aard is. Voorts is een ernstig bezwaar, dat in de constructie der Schleiermacheriaansche theologie de prediking uitsluitend wordt opgevat als cultisch element en haar begrip uit het wezen van de cultus is afgeleid. Nu is de prediking zonder twijfel een element, dat naar de Heilige Schrift in de chris­telijke eredienst thuis hoort. In de liturgiek komt de prediking als zodanig ter sprake, b.v. wat betreft haar duur, de plaats in het kerkgebouw van waar ze wordt gehouden, de verhouding tot de aan haar voorafgaande en op haar volgende cultische elementen, enz.

Maar de bepaling van het wezen, de inhoud en de samenstelling van de preek is niet af te leiden uit het cultusbegrip, maar uit het ambt van de didakalos, overeenkomstig de gegevens die de Heilige Schrift biedt. De bediening van het Woord is veel meer dan cultisch element. Zij is naast liturgische acte een zelfstandige functie van het ambt van de dienaar van het Woord en als zódanig wordt haar een plaats gegeven in de constructie der liturgische elementen.

Vervolgens is het niet vol te houden, dat de prediking een Selbstdar­stellung van de „geestelijke” is, ook al leeft deze in identiteit met zijn gemeente.
Want vooreerst is hij dan niet in staat zijn gemeente tot een hoger peil op te voeren, ten tweede is er geen zekerheid dat de prediking inderdaad een „christelijk” cachet zal dragen, en ten derde raakt hij met zijn Selbstdarstellung spoedig uitgeput en zijn prediking verarmt. Feit is dan ook, dat zelfs de trouwste vertegenwoordiger van de esthetische opvatting meer verkondigt dan hij beleeft. En werpt men tegen, dat de prediking een Darstellung is van het religieuze leven der ideaalgemeente, dan is deze tegenwerping in strijd met het Schleiermacheriaansche empirisme, daar empirisch nooit is vast te stellen wat een ideaalgemeente is.

Eindelijk laat zich op het subjectivistisch standpunt moeilijk bepalen wat onder een „religieuze” rede moet worden verstaan. Over het begrip religie bestaan de meest uiteenloopende meningen onder hen, die het Goddelijk gezag der Heilige Schrift niet erkennen, en het adjectivum religieus is zo mogelijk neig vager dan het substantivum religie zelf. Voegt men met Van Oosterzee126 aan het adjectief reli­gieus de beperking „christelijk” toe, dan is het bezwaar allerminst vervallen. Immers blijft de inhoud van de „rede” even onbepaald, daar in de omschrijving van het wezen der predi­king de norm ontbreekt ter beoordeling van hetgeen christelijk of niet-christelijk is.

Het z.g. christelijk religieus bewustzijn met zijn velerhande meningen, divergerende strevingen en tegenstrijdige emoties kan in zijn variabele en onsamenhangen­de totaliteit nooit een waardemeter zijn ter beoordeling van het specifiek christelijk gehalte van de preekinhoud. Om deze redenen moet de omschrijving van het wezen der prediking, gelijk die door Schleiermacher c.s. en door Van Oosterzee gegeven is, afgewezen worden.
De bediening van het Woord in de vergadering der gelovigen is de verklaring en de toepassing van het Woord van God. Dit Woord van God hebben wij alleen in de Heilige Schrift. Onder de Oude Bedeling werd het Woord van God verkondigd door de profe­ten.127 Door een extraordinaire werking des Heiligen Geestes, die van de gewone verlichting, welke het deel is van alle gelovi­gen, wel te onderscheiden is, werden zij in staat gesteld in menselijke taal het Woord van God te verkondigen op zulk een wijze, dat zij voor dwaling werden behoed, 2 Petrus 1 : 19-21. De drijving van de Geest was dikwijls zó krachtig, dat de profe­ten spreken moesten, ook wanneer zij zich (b.v. Jeremia) daartegen verzetten.128 Het deel van de rijke openbaring van het Oude Testament, waarvan God naar Zijn wijsheid nodig achtte, dat het voor alle geslachten tot de wederkomst des Heeren toe bewaard zou blijven, heeft Hij schriftelijk laten fixeren en bij deze inscripturatie der bijzondere openbaring de heilige mannen door Zijn Geest geleid, zodat wij in de Schrift van het Oude Tes­tament bezitten het Woord van God, Joh. 10 : 35, Rom. 15 : 4, 2 Tim. 3 : 16.

Het Woord van God is onder de Nieuwe Bedeling verkondigd door Jezus Christus, de Zoon van God. Hij, die in geheel enige zin het Woord van God is, Joh. 1 : 1, heeft het Woord van God tot de mensen gesproken, Heb. 1 : 1, en ons de Vader verklaard, Joh. 1 : 16. Wat van de vele woorden en daden des Heeren voor de volgende eeuwen bewaard moest blijven, Joh. 21 : 25, is door de mannen, die oor en ooggetuigen waren van hetgeen de Heiland sprak en deed, onder leiding van de Geest opgetekend. Naar des Heeren belofte heeft de Heilige Geest, die Christus hen van de Vader zond, hun alles geleerd en indachtig gemaakt wat Jezus gezegd had, Joh. 14 : 26, hen in al de waar­heid geleid en hun de toekomende dingen verkondigd, Joh. i 6 : 13. De brieven van de heilige apostel Paulus staan op een lijn met de andere Schriften, 2 Petrus 3 16, en zijn door de kerk des Heeren als Woord van God aanvaard.

Zo bezitten wij in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament de teboekstelling van de bijzondere openbaring Gods. Deze Heilige Schrift is het Woord van God.
Nu is het de taak van de bediening van het Woord, dit in de Heilige Schrift vervatte Woord van God voor de gemeente des Heeren te verklaren en op haar toe te passen.

Voor de juistheid van deze omschrijving geeft de Heilige Schrift zelve de aanwijzingen. Het is niet voldoende, dat het Woord van God alleen gelezen wordt in de vergadering der gelovigen, het moet bediend worden. En tot de rechte bediening behoort allereerst de verk1aring. De rijkdom van de gedachten der Schrift moet aan de gemeente voorgesteld worden, door haar naar haar eigen aard uit te leggen, 2 Petrus 1 : 20; het Woord moet gepredikt, 2 Tim. 4 : 2, de dienaar des Evangelies is een schriftgeleerde in het konink­rijk der hemelen onderwezen, die als een huisheer uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt, Matth. 13 : 52.

Vervol­gens moet dat Woord toegepast worden. Het behoort toebereid te worden als voedsel en op zulk een wijze bediend, dat aan de volwassenen vaste spijze, aan de kinderen melk wordt uitgereikt, 1 Kor. 3 : 2, Hebr. 5 : 12; de prediker is een huisvader die het Woord der waarheid recht snijdt en ieder zijn bescheiden deel geeft, 2 Tim. 2 : 15; het Woord moet aangewend worden op de hoorders, want de Heilige Schrift is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot opvoeding in de rechtvaardigheid, 2 Tim. 3 : 16, en al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden, Rom. 15 : 4.

De toepassing behoort tot het wezen van de bediening van het Woord. Wordt het Woord van God recht bediend, dan schijnt het licht der wereld in de harten en in het bewustzijn der gelovigen; dan schijnt het met zijn lieflijke glansen in de strijd en in het lijden; dan heeft het een antwoord bij het vragen om troost en het zoeken om vergiffenis; dan is er licht in het donker van schuld en zonde; dan is er kracht om op te wassen in de Heere.129

Door verklaring en toepassing van het Woord van God hebben de Heere Jezus en de apostelen ons het voorbeeld gegeven, hoe de predikers van het Evangelie het Woord hebben te bedienen. Toen de Heere Jezus voor de eerste maal in de synagoge te Na­zareth optrad, heeft Hij een gedeelte van Jesaja 61 aan de vergaderde gemeente voorgelezen, daarna deze woorden ver­klaard en toegepast op hen, die het Woord hoorden, Lukas 4. Petrus heeft in zijn grote Pinksterprediking het Woord van God van het Oude Testament verklaard en toegepast, Hand. 2. Paulus handelde te Thessalonica drie sabbatten met de Joden uit de Schriften, opende d.i. verklaarde deze en bewees, dat hetgeen in de Schriften geschreven was, vervuld was in Christus, en maakte de toepassing, door aan de Joden van Thessalonica in het bijzonder die Christus als hun Zaligmaker te verkondigen, Hand. 17.

In de gemeente van Korinthe waren vele gaven o.a. de gave des glossolalie. Evenwel, niemand mocht in glossolalie spreken of zijn woorden moesten uitgelegd worden. In dit opzicht staat het charisma van de profetie boven dat der glosso­lalie. Immers die profeteert, spreekt de mensen stichting en vermaning en vertroosting, 1 Kor. 14 : 3. Wat van het charisma der profetie geldt, is evenzeer van toepassing op de verkondiging van het in de Heilige Schrift vervatte Woord van God. Het moet zó geschieden. dat de gemeente onderwezen, vermaand en vertroost wordt.


Onder de Gereformeerde predikers van vroeger en later tijd heeft niemand beter dan Calvijn de schriftuurlijke regel in praktijk gebracht, dat de bediening van het Woord is verklaring en toepassing van het Woord van God. Terecht zegt Biesterveld in zijn studie over Calvijn als bedienaar van het Woord: „Zijn exegese in de preken is altijd echt homiletische exegese. Hij verklaart op de kansel niet om te verklaren. Het is een bedienen van het Woord; uitlegging en toepassing samen. En dan bewaart hij dat toepassen niet tot het slot, neen, gevoelt het onder het verklaren reeds: de dienaar arbeidt aan uw onderwijzing en vertroosting. Geen exegesis scolastica die in de academiën thuis hoort, maar echte exegesis popu­laris ... Van praktische conclusiën en raadgevingen vloeien zijn preken over. Tot in de kleinste verhoudingen van het natuurlijk en geestelijk leven daalt hij af. De fouten, voor­oordelen, uitvluchten en verontschuldigingen worden als op de voet gevolgd”.130

Met instemming haalt Biesterveld het woord van Prof. Vignié aan: „Calvijn is de man der toepassingen!”

In overeenstemming met de leer der Heilige Schrift en de daarop steunende praxis van Calvijn en de Gereformeerde predikers uit de eeuw der Reformatie hebben de oude Gereformeerde homileten in Nederland de bediening van het Woord omschreven als de verklaring en toepassing van het Woord van God. Hoornbeek definieert aldus: concio est actio sacra, explicans Dei ver­bum et applicans ad aedificationem ecclesiae.131

Knibbe geeft dezelfde, enigszins bredere omschrijving: concio est actio sacra a publico ministro ad ecclesiam habita, verbum Dei explicans et applicans, ad Dei gloriarn et auditorum aedificationem et salutem. 132

Martinus zegt hetzelfde in nóg bredere bewoor­dingen: Concio sacra est oratio, quae a servo Dei ac Jesu Christi ipsius nomine ex verbo Dei ad Ecclesiam habetur, in qua doctrina veritatis, quae est secundum pietatem, aut aliqua eius pars, declaratur et applicatur, ad hominum in fide et obedientia aedificationem et aeternam salutem, inprimis autem ad Dei et Jesu Christi gloriam.133

Zoo komt bij een zuivere opvatting van het wezen van de bediening van het Woord zowel het objectief als het subjectief element, zowel het „voorwerpelijke” als het „onderwerpelijke” tot zijn recht.134




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page