Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


E. De homiletiek van de Gereformeerden



Download 2.06 Mb.
Page6/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

E. De homiletiek van de Gereformeerden.
De eerste Gereformeerde homileet van betekenis is Hyperius geweest. Zijn naam is eigenlijk Andreas Gerhard, maar naar zijn geboorteplaats, Yperen in Vlaanderen, heeft hij zich later Hyperius genoemd. Hij is geboren in 1511 en in 1564 te Marburg gestorven, waar hij aan de hogeschool de dogma­tische, exegetische en ambtelijke theologie doceerde. In een rijk gedocumenteerde biografie heeft Prof. Biesterveld in 1895 het leven en de werken van Andreas Hyperius als homileet beschreven.95

Van de vele werken, die Hyperius geschreven heeft, zijn voor de homiletiek van belang Topica theologica (1561) dat han­delt over de wijze waarop de stof voor de preek te vinden is, en zijn hoofdwerk: De formandis concionibus sacris seu de interpretatione sacrae scripturae populari. De eerste druk van dit werk verscheen in 1553. Hyperius gaf zelf in 1562 een tweede, sterk vermeerderde druk, waarvan in 1781 een herdruk is bezorgd door Wagnitz. Van de uitgave van 1553 en van zijn catechetiek is een Duitse vertaling verschenen.96

Hyperius deelt zijn homiletiek in twee delen. Het eerste deel geeft de algemeen homiletiek en handelt ever datgene, wat alle preken gemeen hebben. Het tweede of bijzondere deel bespreekt de verschillende soorten van stoffen.

In het eerste hoofdstuk wordt al terstond te kennen gegeven wat we onder de prediking hebben te verstaan, n.l. de bediening van het Woord. Preken is het geven van populaire Schriftverkla­ring. Er moet wel onderscheiden worden tussen de populaire Schriftuitlegging en de wetenschappelijke exegese. De laatste is op haar plaats in de scholen en geschiedt naar wetenschap­pelijke eis. De populaire exegese is zulk een uitlegging der Schriften, die eenvoudig en praktisch is en voor ieder te verstaan. In de preek wordt de populaire Schriftverklaring voorgedragen in oratorische vorm.

Daar het predikambt een voortreffelijk ambt is, en de concio­nator optreedt als een dienaar van Jezus Christus, moet de drager aan bijzondere vereisten voldoen. Hij moet degelijke kennis hebben, zich kenmerken door zuiverheid van zeden (het is vruchteloos wanneer iemand door zijn wandel afbreekt wat hij met zijn prediking bouwt; het leven moet het zegel zijn op de leer) en geschiktheid bezitten om onderwijs te geven.

Van groot belang is het vierde hoofdstuk, waarin Hyperius zeer juist de verwantschap en het onderscheid van retorica' en homiletiek tekent. Dat de concionator en de orator veel gemeen hebben, is reeds door Augustinus in zijn de doctrina christiana lib. IV uiteengezet. Ook de prediker heeft te maken met inventio, dispositio, elocutio, memoria, pronuntiatio. Zelfs kan de concionator het drievoudig doel van de rede, hetwelk bestaat in docere, delectare, flectere, overnemen. Ook de onderscheiding der stijlsoorten (genus sublime, genus humile, genus mediocre) is voor hem van belang. Hyperius verwijst naar de handboeken der retorica en raadt aan die te bestuderen. Toch is er een belangrijk verschil tussen homiletiek en retorica. Het komt reeds uit bij de voordracht, maar vooral zien we het bij de inventio.


Van betekenis is ook de leer van de zes genera concionum. In de editie van 1553 spreekt hij van gezichtspunten, waarnaar een bepaald gedeelte der Heilige Schrift behandeld kan worden. Het zijn usus, die uit een Woord van God kunnen afgeleid worden. In de editie van 1562 zijn ze tot genera geworden en brengt hij een bepaalde preekstof onder bij een of ander genus. In deze leer van de genera kiest hij positie tegen de oude retorica, die onderscheidde: genus demonstrativum, genus deliberativum, genus iudiciale. Melanchthon had die genera overgenomen en er alleen het didactische genus, met het oog op de prediking, aan toegevoegd. Hyperius acht de indeling van de retorica onbruikbaar en ontleent zijn indeling aan de Heilige Schrift n.l. aan 2 Tim. 3 : 16: en aan Rom. 15 : 4. Er zijn dus stoffen tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing (opvoeding) en tot vertroosting. Hierbij voegt hij nog een zesde, n.l. het genus mixtum, waaronder hij stoffen samenvat, waarin verschillende stukken van de andere genera voorkomen. Hij onderscheidt dus de volgende genera:

1. genus doctrinale

2. genus redargutivum

3. genus institutivum

4. genus correctorium

5. genus consolatorium

6. genus mixtum.

De eerste vijf kunnen, gelijk Hyperius terecht inzag, tot een drietal herleid worden, n.l. genus gèoostikon, genus Jpractikon en genus paraklétikon. Terwille van de duidelijkheid kiest hij echter de indeling in vijven.

Deze leer van de genera, die meestal omgevormd zijn tot usus, is gemeengoed geworden bij de Gereformeerde homileten van de zestiende en de zeventiende eeuw.
Bij de behandeling van de onderdelen van de preek neemt de confirmatio bij Hyperius een brede plaats in. Hoewel zijn homiletiek in het geheel niet op de psychologie is afgestemd, valt niet te ontkennen, dat hij vooral in dit deel tal van praktische psychologische gegevens heeft verwerkt en met voorbeelden heeft geïllustreerd, dat men naar de behoeften der hoorders moet prediken.

Die psychologische trek wordt eveneens aangetroffen in het slothoofdstuk van het eerste deel, dat over het opwekken van de affecten handelt. De hoofdaffecten zijn vreugde, hoop, vrees en droefheid. Reeds dit éne hoofdstuk is voldoende om ons er van te overtuigen, dat de vader van de Gereformeerde homile­tiek allerminst wilde dat de preek een leerrede zou zijn. Met voorbeelden van redevoeringen uit de Heilige Schrift, die de affecten in actie zetten of tot zwijgen brengen, eindigt het eerste boek.

In het tweede boek worden de bovengenoemde genera con­cionum achtereenvolgens besproken en aangegeven, op welke wijze de preekstof van een bepaald genus het vruchtbaarst voor de hoorders te behandelen is en welke fouten te vermijden zijn.

Wanneer men deze eerste Gereformeerde homiletiek verge­lijkt met hetgeen de praeceptor Germaniae aan de Lutherse concionatores gaf, springt het onderscheid terstond in het oog. Hoe ver gaat Hyperius als homileet boven Melanchthon uit! Het is daarom te betreuren, dat de meeste latere homileten niet in dezelfde stijl op de door hem gelegde grondslag hebben voortgebouwd. De Lutherse homileten en vele van de Gereformeerde hebben Hyperius niet genoeg gewaardeerd. Door de onderzoekingen van Steinmeyer, Biesterveld e.a. is eerst in de negentiende eeuw in het licht komen te staan, van welke grote waarde de homiletiek van Hyperius is.


Er zijn in zijn hoofdwerk, dat inderdaad een standaardwerk is, wel leemten aan te wijzen. De indeling in een algemeen en een bijzonder deel is niet gelukkig, omdat hier heel moeilijk is uit te maken wat algemeen en wat bijzonder is, en dit aanleiding geeft tot ongewenste en onnodige herhalin­gen. Trouwens de auteur treedt telkens in allerlei finesses en is in de behandeling van onderdelen wijdlopig. Daarbij komt, dat van het schema der antieke retorica nog te veel door Hyperius is overgenomen. Hierin was hij kind van zijn tijd.

Tegenover deze debetzijde is aan de creditzijde zoveel winst te boeken, dat zonder overdrijving kan verklaard, dat de Gereformeerden in Hyperius' de formandis concionibus sacris een waardevolle homiletiek bezitten.

Hoe juist is het onderscheid tussen homiletiek en retorica aangegeven. Hoe goed weet hij de gaven Gods, door de alge­meen genade ons geschonken, te waarderen. Hoe krachtig handhaaft hij het onderscheid, en verzet er zich tegen, dat de homiletiek onder het genus retorica of oratoria zou thuis te brengen zijn. Waren alle latere Gereformeerden in dit opzicht maar bij Hyperius ter school gegaan!

Hij vat de preek op als bediening van het Woord in de gemeente des Heeren en omschrijft haar als een populaire interpretatie van de Heilige Schrift. Op het ambtelijk karakter van de prediking legt hij vollen nadruk. De stof voor de preek is niet doctrina of moraal, maar het ganse, rijke Woord van God.

Van betekenis is ook, dat hij in zijn homiletiek zich niet bepaalt tot een stel formele regelen en het concipiëren en voordragen van de preek, maar de materie van de preek ten voeten ,uit tekent en daaraan zijn genera concionum dienstbaar maakt.

Voorts moet erkend worden, dat, in aanmerking genomen de lage stand der psychologie in Hyperius' dagen, het psychologisch element in zijn homiletiek tot zijn recht komt. Hij moet roeien met de riemen die hij heeft, maar de koers die hij neemt is goed. Wat dit betreft kan een homiletiek van onzen tijd het hem moeilijk verbeteren. Naar waarheid schrijft Biesterveld: „met recht menen wij dus de verdiensten van de eersten Gere­formeerden homileet voor dit deel der theologische wetenschap groot te mogen noemen. Als wetenschappelijk, als Gereformeerd, als praktisch homileet is hij een man van betekenis”. Pag. 128

De latere Gereformeerde homileten in Duitsland hebben de lijnen van Hyperius niet altijd even zuiver doorgetrokken en zijn b.v. ten opzichte van de verhouding van homiletiek en retorica niet allen tot het heldere inzicht en principieel juiste standpunt van Hyperius gekomen.
Wilhelmus Zepperus, dienaar van het Woord te Herborn, leer­ling van Hyperius gaf in 1598 uit: Ars habendi et audiendi con­ciones sacras. Een samenvatting hiervan nam hij op in de tweede editie van zijn Politia ecclesiastica (1607). In Lib. II cap 7 handelt hij de methodo vel ratione formandi et habendi con­ciones ecclesiasticas (pag. 391-402). Een homiletiek, zelfs een in nuce, was in deze weinige pagina's niet te geven. Van de materie wordt slechts een enkel punt aangeroerd, in hoofdzaak is aan de constructie en voordracht van de preek aandacht geschonken. In aansluiting aan de retorica wordt de concio verdeeld in: exordium, narratio, propositio, confirmatio, con­futatio, epilogus. Hoe sterk Zepperus onder de druk van de antieke retorica staat, blijkt hieruit, dat hij onder de delen van de preek de narratio opneemt.

Het volgende caput, dat pag. 403-428 omvat, gaat de communibus concionum affectionibus, quas observare ecclesiastes oportet, ut maiori cum fructu concionandi officio defungatur. Hierin worden nuttige praktische wenken gegeven. Zepperus is ongetwijfeld een homileet van invloed geweest. Hij wordt herhaaldelijk door Voetius geciteerd. Uit principieel oogpunt staat hij achter bij Hyperius. In de bepaling van de


(relatie tussen homiletiek en retorica heeft Zepperus aan de laatste te groten invloed toegekend. De prediker is voor hem meer orator ecclesiasticus dan verbi divini minister.
Van meer belang is Bartholomaeus Keckermann († 1609), rector van het Geref. gymnasium illustre te Danzig. Hij do­ceerde de filosofie naar Aristotelische opvatting en gaf onderwijs in de retorica.97 In 1600 (tweede druk 1604) liet hij verschijnen een Retorica ecclesiastica, welk werk is opgenomen in de Opera Omnia van Keckermann, 1614 in 2 foliobanden te Genève uitgekomen. De volledige titel van dit veel gebruikte werk98 is: Retoricae ecclesiasticae sine artis formandi et habendi conciones sacras, libri II. Hij definieert de kerkelijke retorica als: ars persuadendi ecclesiam Christi res ad salutem necessarias.

Het eerste boek bevat elf capita. In het eerste hoofdstuk, de textuali inventione in genere, onderscheidt hij een l i b e r a en een t e x t u a l i s formatio concionis. Libera est, quae non versatur circa certum aliquem Sacrae Scripturae textum, sed ex arbitrio oratoris de re ipsa instituitur. Textualis formatio concionis est, qua certus aliquis locus seu textus S. Scripturae auditoribus praelectus, tractatur, ad quem deinde concionis inventio et dispositio dirigitur. De vrije formatie schakelt hij verder uit: libera formatio concionis est non admodum hodie frequens in evangelicis ecclesiis; ideo de textuali hic potissimum nobis tractare propositum. De formatio textualis bestaat uit tractatio et exornatio, terwijl de tractatio weer wordt onderscheiden in inventio et dispositio.

De onderwerpen die in de volgende capita aan de orde komen, zijn:

Cap. 2: de praecognitione textus didactici.

Cap. 3: in quo canones generales movendorum affectuum,

Cap. 4: in quo canones speciales de certis affectibus tra­duntur.

Cap. 5: de praecognitione textus mixti et historici.

Cap. 6: de partitione textus.

Cap. 7: de verborum explicatione.

Cap. 8: de amplificatione.

Cap. 9: de applicatione.

Cap. 10: de dispositione.

Cap. 11: de exornatione.

Het tweede boek geeft drie hoofdstukken:

Cap. 1: de voce.

Cap. 2: de gestibus.

Cap. 3: in quo introductio ad usum praeceptorum tradi­torum.

De homiletiek van Keckermann moge principieel de relatie tussen homiletiek en retorica niet zuiver gestatueerd hebben en naar de vorm te scholastisch zijn, zij is van waarde, omdat zij aan het materiele deel aandacht schenkt en het psycholo­gisch element in de prediking niet geheel verwaarloost. Ook is op zijn credit te boeken, dat hij de eerste is geweest die van de kerkelijke retorica een, hoewel niet bevredigende, definitie gegeven heeft.


Johann Heinrich Alstedt († 1638), hoogleraar te Herborn en later te Weissenburg, gaf in 1622 Uit Theologia prophetica, welke wordt omschreven als prudentia enarrans officium do­ctoris ecclesiae. Prophetica est doctrina sacra recte prophetiam, hoc est, munus ecclesiasticum exercendi. Deze theologia pro­phetica wordt weer onderscheiden in retorica ecclesiastica en politia ecclesiastica. Evenals Keckermann brengt hij de homile­tiek als een species onder bij het genus retorica. Ook is de wijze van behandeling vrij scholastisch. Alstedt sluit zich ten opzichte van de indeling der stoffen aan bij de vijf genera van Hyperius. Het doel van de preek wordt door Alstedt veel beter in overeenstemming met de Gereformeerde grondgedachte ge­formuleerd dan door Keckermann. Het hoogste doel van de preek is de verheerlijking Gods en het eeuwig welzijn van de mens. Daaraan ondergeschikt is het doel om van het geloof en de Christelijke religie te overtuigen perspicue docendo, suaviter delectando, acriter flectendo.

In overeenstemming met Augustinus brengt hij dus het doel van de preek in verband met de drie functies van de mense­lijke psyche. Bijzondere opmerkzaamheid schenkt hij aan de applicatie, zonder welke de preek alle warmte mist. Het psycho­logisch element komt bij dezen Gereformeerden theoloog vooral tot zijn recht, waar hij allerlei belemmeringen opnoemt, die de invloed van de toepassing des Woords kunnen verzwakken.

In één punt staat hij bij Hyperius ten achter, nl. in de opvatting van het wezen en de stofbron van de preek. Voor Alstedt is de preek meer een toespraak over een onderwerp dan een verklaring en toepassing van het in de Heilige Schrift geopenbaarde Woord van God. Hij deelt de preken in in:

1 conciones pertinentes ad librum naturae,

2 conciones catecheticae,

3 conciones locorum communium,

4 conciones textuales, sc. dominicales, nu­ptiales, funebres, consolatoriae etc.

De preek behoeft niet textu­alis te zijn. Niet altijd is de preek een popularis interpretatio Sola Scripturae. Prediken is prophetare en niet in strikten zin bediening van het in de Heilige Schrift geopenbaarde Woord van God. Van bladz. 89 der Theol. prophetica af geeft Alstedt conciones de libro naturae in quibus modus proficiendi in cognitione et cultu Dei ex consideratione creaturarum prout illa proponitur in theologia naturali! In vergelijking met Hyperius doet Alstedt hier een schrede achteruit en staat hij ten formele dichter bij de preektheorie der Scholastiek dan bij de zuiver reformatorische opvatting van Calvijn.


Van de Duitse Gereformeerde homileten zijn nog te noe­men:

Amandus Polanus à Polansdorf († 1610), hoogleraar te Bazel, Institutiones de concionum sacrarum methodo. Bazel, 1604.

Bernhard Textor, Pandectae sacrarum concionum. Herborn, 1606.

Abraham Scultetus († 1625), hoogleraar te Heidelberg. In 1619 gaf hij uit Axiomata concionandi practica, in het Nederlands verschenen onder de titel: Grondregelen om wel en stichtelijk te leren prediken. In het eerste axioma omschrijft ook Scultetus het doel van de prediking in de aan Augustinus ontleende formulering: finis concionatoris est, ut perspicue doceat, pie oblectat, acriter flectat doctrinae sacrae auditores.

Ludwig Crocius († 1655), te Bremen, die zich in zijn Orator ecclesiasticus (1624) dicht bij Hyperius aansluit.

De Gereformeerde homileten van Duitse origine, die na deze mannen nog optreden, zijn gering in aantal en niet van groot belang.99 De stroom van de Gereformeerde homiletiek in Duitsland verzandt.



In Nederland beleeft de Gereformeerde homiletiek in de zeventiende eeuw een bloeitijdperk. Er verschijnen werken, die tot op de huidige dag hun waarde voor de Gereformeerde theologie niet hebben verloren.

Kort en van geringe betekenis is de Ecclesiastes sive metho­dus et ratio formandi sacras conciones van L. Trelcatius Junior, opgenomen in zijn Opuscula Theologia (pag. 392-428), verschenen in 1614 te Leiden. Hij onderscheidt in de preken een textuale et catecheticum genus.


Een vijf en veertig tal „stokregels” geeft reeds G. Amesius100 († 1633) in het vierde Boek, cap. 26, van zijn in 1630 voor de eerste maal verschenen De Conscientia et eius iure, vel Casi­bus, uitgegeven in de Bibliotheca Reformata, 1896, naar de Nederlandsen tekst van 166o. Met kracht handhaaft hij, dat de Heilige Schrift de enige bron is voor de prediking. Niets moet gepredikt worden dan Christus' woord en wil.

In zijn Medulla theologica (1643), Lib. I cap. 35, spreekt hij de ministris ordinariis et eorum officio in concionando. Gelijk bij de andere Gereformeerde homileten ten onzent is voor Amesius de preek een verklaring en toepassing van het Woord van God. vervat in de Heilige Schrift. Op pag. 165 van zijn Medulla luidt het: ut voluntas Dei cum aedificationis fructu proponatur, duo haec sunt necessaria factu: I ut d e c l a r a t i o fiat eorum. quae in textu continentur, II ut eorundem a p p l i c a t i e instituatur ad auditorum conscientias, prout illorum conditio postulare videtur, I Tim. 6 : 17.

Wat hij onder de declaratio verstaat, blijkt uit hetgeen volgt op pag. 166: in declaratione, quid verf sit in textu debet explicari et tum postea quid boni ex eo sequatur. Illa pars in doctrinis vel documentis versatur, haec in usu vel utilitatis ex doctrinis illis derivatione, 2 Tim. 3 : 16. De usus behoren dus tot de declaratio en zijn van de applicatio onderscheiden.
Van Antonius Walaeus († 1634) verscheen geen homiletiek. Toch is het homiletisch standpunt van deze Leidse theo­loog voldoende te kennen uit een kleine essay, getiteld Metho­dus, formandarum concionum rationem tradens, opgenomen in zijn Opera Omnia.101 In overeenstemming met de andere Gereformeerde homileten is de preek voor hem een explicatie! et applicatio textus. Bij de applicatie attendeert hij op de ook destijds veel besproken vraag over de plaats van de toepassing. Sommigen gaven achter elk onderdeel een toepassing, anderen werkten eerst de gehele explicatie af en lieten daarop de appli­catie volgen.

Walaeus wil niet voor alle teksten een bepaalde toepassingsmethode, maar de plaats voor de toepassing laten afhangen van de doctrinae, die een tekst biedt. In dit betoog voert hij psychologische motieven aan: Tum enim praestat doctrinas toto textu explicato reservare, quando partes fere ad eundem scopum spectant: quia alioqui eadem res repeti videtur. Sed si partes explicatae sunt diversi generis, tum non est inutile, primae parti explicatae nonnullas doctrinas subjicere, ut taedio auditori occurratur, et major rerum varietas in textu appareat, quae semper facit auditoren attentiores. Interim tamen illas doctrinas convenit ad finem servare, in quibus maximum ,nág.os requiritur. De vijf genera van Hyperius zijn hem niet onbekend. De doctrinae kunnen naar vijf richtingen stof voor de appli­catie geven: confirmatio, refutatio, adhortatio ad virtutes, dehortatio a vitiis, consolatio. Evenwel zijn niet uit alle teksten vijfderlei soort van usus af te leiden.


Een beknopte verhandeling De publica verbi divini tracta­tione heeft G. Voetius († 1676) opgenomen in het eerste deel (Lib. II. Tract II) van zijn Politica Ecclesiastica (pag. 606-631), 1663. Hij legt er nadruk op, dat in de preek de Heilige Schrift moet verklaard worden. Hij waarschuwt tegen een extreme tekst of woordanalyse (waaraan vele Gereformeerde predikers in de zeventiende eeuw zich schuldig gemaakt hebben) en wil dat de prediker zich tot de hoofdzaak beperke. In aansluiting aan Hyperius leert hij, dat de preek eenvoudig moet zijn, simplex et perspicua explicatio ecclesiastica. Hij biedt uitnemende wenken voor de explicatie en somt op hetgeen te vermijden is. Voetius wil allerminst schematisch te werk gaan en niet ieder prediker aan een bepaalde methode binden. Ieder kan naar zijn eigenaardige gaven op verschillende manier prediken, wanneer het doel maar voor ogen gehouden wordt. En in betrekking tot het doel van de preek merkt hij op: Suf­ficit nobjs si modo ad cor populi praedicetur Christus et in ijs fides et resipiscentia potenter excitentur.
Een zeventigtal „stokregelen” gaf S. Maresius († 1673) in zijn Brevis methodus concionandi, Genève, 1662, ook opgenomen achter zijn Systema theologicum. Groningen, 1673.
Aan de Theoreticopractica theologia (1699) van P. van Mastricht († 1706) zijn toegevoegd Paralipomena de optima concionandi methodo, in de Nederlandse editie van 1753 onder de titel: Nagedachten over de beste predikwijze.
De eerste volledige homiletiek, die op onzen bodem verscheen, is een Tractatus de ratione concionandi van Joh. Hoornbeek († 1666). Het werk zag de eerste maal het licht in 1645 en is later opgenomen in Vetera et nova, 1672 (Lib. I pag. 225-274). Zijn zuiver Gereformeerd standpunt blijkt reeds uit de definitie die hij in het begin van zijn verhandeling geeft: Concio est actio sacra, explicans Dei ver­bum et applicans ad aedificationem eccle­siae. Deze definitie, waarin de preek omschreven wordt als een uitlegging en toepassing van Gods Woord, keert bij latere Gereformeerde homileten in onderscheiden variaties telkens terug.

In navolging van Augustinus en enkele Gereformeerde ho­mileten in Duitsland handelt hij slechts over het maken en het houden van de preek: omnis concionandi ratio duobus ab­solvitur, formanda concione et habenda (229).

Bij het maken van de preek spreekt hij achtereenvolgens over exordium, propositio, partitio, en voorts over de tractatio van de delen, welke bestaat in explicatio, documenta en usus.

De explicatie moet analytisch zijn. Documentum dicitur doctrina vel observatio doctrinae, axioma nempe theologicum, quod in textu observatum doceri, ex eo producitur, atque porro pro concione tractatur. Zulk een bewijs of documentum kan direct of indirect uit de tekst afgeleid worden. Documentum invenitur et eruitur, vel ex textus verbis expressis, vel ex textu per constructionem. Het betoog of bewijs neemt in de preek een belangrijke plaats in.

De applicatie wordt behandeld in de leer van de usus. Usus en applicatio is volgens hem eigenlijk hetzelfde. Onder aan­haling van de gevoelens van Perkins en Amesius over de appli­catie zegt hij: usus et applicatio usus idem sunt; jpse usus in applicatione consistit et proprie loquendo documentum in usu applicatur atque ita ulterius semper progreditur et pedetentim tamquam fructus animae ingeruntur (255).

Hoornbeek deelt de usus in dogmatici et practici, gene hebben betrekking op het geloof, deze op de zeden. De usus dogmatici worden onderscheiden in drie soorten:

1. ad veritatis alicuius certiorem penitiorem instructionem, observationem vel confirmationem;

2. ad vindicationem;

3. ad erroris con­futationem.

De usus practici worden verdeeld in:

1. usus ad informationem et directionem in praxi;

2. ad admonitionem;

3 ad consolationem.

Ten opzichte van het houden van de preek maakt Hoornbeek onderscheid tussen hetgeen gedaan moet worden ante concionem et in concione. Ante concionem: memorisatie, medi­tatie en gebed. In concione: pronunciatie en gesticulatie.

Dit werk van Hoornbeek is een eerste poging om de homile­tiek van uit het Gereformeerde beginsel systematisch te behan­delen. Door zijn zuiver principieel standpunt is deze ratio concionandi van grote waarde. Hoewel hij de gave der retorica weet te waarderen, is homiletiek hem geen retorica ecclesiastica.

Zijn uitgangspunt is theologisch. De leer van de materie van de preek is in deze homiletische proeve nog in de eerste windselen. Een zwakke zijde is, dat ze zich niet geheel aan het scholasticisme ontworsteld heeft. Dit blijkt hieruit dat: terwijl hij in de definitie van de preek explicatio en applicatio als de twee elementen naast elkander stelt, in de uitwerking de documenta daartussen geschoven en afzonderlijk naast de explicatio behandeld worden. Het was beter geweest de docu­menta bij de explicatie onder te brengen, gelijk hij de usus met de applicatie identificeert. Door het handhaven van de bewijsvoering naast de explicatie van de tekst gaf hij aan het dog­matiseren in de preek vrije baan. Het verdient de voorkeur zich in de explicatio eenvoudig te houden aan de popclaris interpretatio van Hyperius.

Merkwaardig is dat, hoewel in de inleiding onder de bronnen Hyperius wordt genoemd, in de stofbehandeling van diens genera concionum met geen woord sprake is. Door zijn brede behandeling van de usus heeft hij de volgende Nederlandse homileten in sterke mate beïnvloed.
De verwantschap met Hoornbeek is duidelijk merkbaar bij Johannes Martinus, predikant te Groningen, die in 1651 uitgaf Praxeos populariter concionandi rudimenta, waarin de ho­miletische regelen met praktische voorbeelden geïllustreerd wor­den. Hoornbeeks definitie is in hoofdzaak de zijne, de vorm is alleen iets breder: Concio sacra est oratio, quae a servo Dei ac Jesu Chrri'sti ipsius nomine ex verbo Dei ad ecclesiam habetur, in qua doctrina veritatis quae est secundum pietatem, aut aliqua eius pars, declaratur et applicatur, ad hominum in fide et oboedientia aedificationem et aeternam salutern, imprimis au tem ad Dei et Jesu Christi gloriam.

De preek is vel textualis vel catechetica. De teksten kunnen zijn unius generis en mixti, en die unius generis zijn, worden weer onderscheiden in dogmatici en narratorii; de eerste kunnen betrekking hebben op mensen en op God. Bij de eerste soort, die betrekking hebben op mensen, weet Martinus de onderscheiding te pas te brengen van textus didascalici, elenctici, paedeutici, epanorthotici, pa­raclerici, phobetici, welke aan Hyperius ontleende onderscheiding hem evenwel geen reden geeft, op de bijzondere kenmerken van deze teksten in te gaan.

De met de phobetici aangevulde onderscheiding komt in de leer van de applicatie terug, waar hij, psychologisch juist, de applicatie in verband brengt met de hoofdfuncties van de menselijke psyche, en de usus, waartoe een tekst aanleiding geeft, onderscheidt in 3 soorten, n.l. die betrekking hebben op het intellect, op de wil en op de aandoeningen. In elk van deze drie onderscheidt hij twee soorten van usus, zodat het vol­gende zestal ontstaat: didacticus, elencticus, paedeuticus, epan­orthoticus, consolatorius, territorius.

In het begin van Martinus' werk is enige verwarring, doordat hij onder concio nu eens verstaat de preek en dan weer de eredienst, zodat hij zelfs de aanvangsliturgie en het gebed onder het begrip concio opneemt, hetgeen niet juist is. De concio in engere zin laat hij bestaan uit exordium, propositio, tractatio, conclusio. Hier heeft hij de preek als oratio gehand­haafd, en tegelijk hetgeen van de retorica voor de preek on­bruikbaar is terzijde geschoven.

In de tractatio kent hij tweeërlei manier, de analytische en de afgeleide (modus analyticus et ortus) . Over de analyse van de tekst wordt dan breed, te breed gehandeld. De bezwaren, die zich in de praktijk bij de analytische prediking der Gere­formeerden van de zeventiende en de achttiende eeuw voordoen, zijn bij deze homiletiek in embryonale vorm aanwezig. Er wordt te sterk geanalyseerd. Er worden te veel regels gegeven, die wanneer ze ook maar tot de helft werden toegepast, de preek tot een wangedrocht zouden maken.

Tussen de leer van de explicatie en van de applicatie schuift Martinus een hoofdstuk in De observationibus. Onder zulk een observatio verstaat hij tale concionis membrum, quo perspicue primum ostenditur auditori, quod dogma seu quis locus theologicus, aut quae alicuius loci particula, quoad fidem et vitam, rem credendam aut faciendam, in verbis textus explicatis tradatur et fundetur; et porro eadem pluribus decla­ratur et confirmatur (88).

Gelijk Hoornbeek onder invloed van een scholastieken gedachtegang zijn documentum naast de explicatie stelt, voegt Martinus er zijn observatio aan toe, die toch logisch onder de explicatio een plaats had moeten vinden. Ook maakt hij nog weer onderscheid tussen appli­catio en usus, hetgeen minder juist is.

Resumerende kunnen wij constateren, dat de homiletiek van Martinus van waarde is om het principiële standpunt en de technische uitwerking, dat zij evenwel ten opzichte van de behandeling van het materiele gedeelte der homiletiek achterstaat bij de Ratio concionandi van Hoornbeek.


Zeer beknopt is de Concionator sacer, 1677, van Guiljelmus Saldenus († 1694). Met opzet geeft hij zijn werkje deze titel. Voor hem is de homiletiek geen species van het genus retorica (daarom niet orator sacer, maar concionator sacer). Uit de titel blijkt ook, dat Saldenus op de kwaliteiten van de prediker sterke nadruk legt, waarom hij in het eerste deel handelt over de concionans, scil. a quo concio habenda. Onmiddellijk is in dit werkje te herkennen de aanhanger van het Gereformeerde Piëtisme der zeventiende eeuw in Nederland, die de piëtas van de prediker op de voorgrond plaatst.102

In de definitie van de preek staat deze Gereformeerde predi­ker op dezelfde lijn met de bovengenoemde homileten: Concio est illa sacra verbi divini tra­ctatio per eiusdem perspicuam explica­tionem et solidam applicationem.

Merkwaardig is, dat Saldenus slechts drie partes concionis aanneemt, n.l. exordium, explicatio, applicatio. Het slot (epilo­gus) is geen zelfstandig deel van de preek, maar het exordium wel! Neque enim epilogum sive perorationem seorsim huc refero, cum vix pro concionis parte habenda videatur. Verder verdient vermelding dat hij onder de applicatie niet alleen de usus maar ook de documenta opneemt (41).

Overigens geeft deze voor dien tijd actuele homiletiek nuttige praktische wenken, o.a. deze, dat de predikers zich bij de explicatie van alle geleerdheidvertoon moeten onthouden.


Een goede homiletische handleiding is de Manuductio in oratoriam sacram van David Knibbe, waarvan in 1679 de eerste, in 1683 de derde, en in 1697 de zesde (naar ik meen, de laatste) druk verscheen.103 Knibbe heeft de werken van Erasmus, Keckermann, Hoornbeek en Martinus gebruikt en de hoofdzaken in eenvoudigen, overzichtelijke vorm samengesteld. Het boek is voornamelijk bestemd voor studenten in de theolo­gie en is voortgekomen uit homiletische colleges, die hij als predikant in Leiden aan de studenten aldaar heeft gegeven.

De minder juiste titel oratoria sacra houdt geen verband met het principiële standpunt, dat deze Gereformeerde homileet inneemt. In zakelijke overeenstemming met de andere homileten definieert hij de preek: c o n c i o est a c t i o sacra a publico ministro, ad ecclesiam habita, verbum Dei explicans et applicans ad Dei g l o r i a m et a u d i t o r u m ae d i f i c a t i o n e m et s a l u t e m. Hij legt er bijzondere nadruk op, dat de preek is bediening van Gods Woord en de explicatio niets anders moet zijn dan een zuivere vertolking van de gedachten der Heilige Schrift. De Heilige Schrift moet naar haar eigen aard uitge­legd worden. Sensus in Scripturam non inferendus, sed ex ea eruendus est et eliciendus. Non ex legentis voluntate sed ex scribentis auctoritate intelligenda est S. Scriptura.

Gelijk bij Martinus worden de conciones verdeeld in textu­ales et catecheticae.

De preek bestaat uit vier delen:

1. exordium,

2. dispositio,

3. explicatio,

4. applicatio cum epilogo.


Evenals Saldenus kent hij aan de epilogus geen zelfstandige plaats in de concio toe. Breed handelt hij over de applicatie, die is: nervosa et pathetica textus explicati ad specialer auditorum usus accom­modatio. Hierin vindt de leer van de documenta en van de usus een plaats, welke laatste onderscheiden worden in usus in genere en usus in specie, en deze weer in usus institutionis, usus refutationis, usus reprehensionis, usus admonitionis, usus consolationis, (pag. 114 seq). De zesde usus van Martinus, wie hij overigens in vele punten volgt, is weggevallen.

In de laatste capita geeft hij goede opmerkingen over histo­rische preken, lijdenspreken en catechismuspreken. De „pars formalis" is zeer kort en beslaat in de laatste editie slechts vijftien pagina's (198-214) .




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page