Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page4/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

5. GESCHIEDENIS VAN DE HOMILETIEK

Walch. Bibliotheca Selecta. Pars IV. 967—973; J. L. von Mosheim. Anweisung erbaulich zu predigen. 1771; L. Linsen­mayer. Geschichte der Predigt in Deutschland. Munchen. 1886: C. G. H. Lentz. Geschichte der christlichen Homiletik. Braunschweig, 1839; R. Cruel. Gesch. der deutschen Predigt im Mitteralter. Detmold. 1879; A. Krauss. Lehrbuch der Ho­miletik. Gotha. 1883; E. Ch. Achelis. Lehrb. der prakt. Theologie II3. Leipzig. 1911: C. Krieg. Homiletik. Freiburg. 1915; J. Hartog. Geschiedenis van de predikkunde en Evange­lieprediking in de Protestantsche Kerk van Nederland. Amsterdam. 1865; J. J. van Oosterzee. Praktische Theologie I. Utrecht. 1877; Kirchenlexicon von Wetzer und Welte. art. Homiletik; P. Biesterveld. Andreas Hyperius. Kampen, 1895. pag. 173 seq.; J. Wiarda. Huibert Duifhuis. Amsterdam. 1858. pag. 165 seq.: P. Drews. Die Predigt im 19ten Jahr­hundert. Giessen. 1903; A. Ypey. Geschiedenis van de Kristel. Kerk in de achttiende eeuw. Utrecht 1807. VIII pag. 535 seq.; C. Sepp. Proeve ener pragmatische Geschied. der Theologie. Haarlem. 186o. pag. 408 seq.; Id. Het Godgeleerd onderwijs in Nederland. Leiden. 1874. II 409.

Het heeft betrekkelijk lang geduurd eer in de christelijke kerk de belangstelling ontwaakte voor de theorie van de bediening van het Woord. Voor het tot een eerste proeve van homi­letiek kwam, had de christelijke prediking reeds een ontwikke­ling van meer dan twee eeuwen achter de rug. De theorie volgde ook hier op de praxis. Primum vivere, deinde philoso­phari. De homiletiek van de eerste eeuwen is in hoofdzaak een neerslag van de praktijk, een reflectie over de bediening van het Woord, zoals die in de eredienst werd uitgeoefend. Dit is in de eerste helft van de Middeleeuwen bij de meeste vertegen­woordigers zo gebleven. In de tweede helft van de Middeleeuwen en na de Reformatie komen mannen, die uit het principium theologiae afleiden wat wezen, inhoud en doel der prediking is, die niet vragen welke opvatting in de praktijk als de beste geldt, maar die door de theorie aan de praxis leiding geven en haar beïnvloeden. We kunnen de geschiedenis van de homiletiek indelen in de geschiedenis van de homiletiek in de Oude Kerk, in de Middeleeuwen en na de Reformatie. Deze laatste periode is het best te behandelen door achtereenvolgens de homiletiek van de Roomsen, van de Luthersen en van de Gereformeerden te bespreken.
A. De homiletiek in de Oude Kerk.
In de eerste periode van de geschiedenis der homiletiek is er in het Oosten slechts één werk dat enigermate in aanmer­king komt. Bij Irenaeüs en Origenes, Basilius en Gregorius Nazianzenus vindt men terloops opmerkingen die op de theorie der prediking betrekking hebben, maar de eerste die een belangrijke bijdrage voor de homiletiek gaf is Chrysostomus (overl. 407) geweest in zijn Griekse werk .. de sacerdotio, cap. IV en V. Naar zijn opvatting is de ambtsdrager een pries­ter, wie de zorg voor het heil der zielen is toevertrouwd. Het medicijn dat hij de kranke zielen toedient, het voedsel waardoor het geestelijk leven in wasdom zal toenemen, is het Woord. De priester is dienaar des Woord s. Naast het voorbeeld van een Godvruchtige wandel is er maar één middel tot genezing der zielen gegeven nl. de didascalie door het Woord, (de sacerdotio IV. 3). Zowel in de theorie als in de praktijk heeft Chrysostomus de prediking opgevat als een verklaring van het Woord van God, dat in de Heilige Schrift ons is gegeven.

De homiletische praecepta in cap. V staan alle in verband met de wijze van prediking in het Oosten. Het volk dat in de kerk samenstroomde was meer een gemengde hoop dan ecclesia Christi. De hoorders waren zeer kritisch, kittelachtig van gehoor, letten minder op de schriftuurlijken inhoud der pre­diking dan op de oratorische vorm, gaven van hun goedkeuring door luide bijvalsbetuigingen blijk en uitten op even duidelijke en hoorbare wijze hun afkeuring.

De raadgevingen, die Chrysostomus uitdeelt, hebben op deze toestanden betrekking. Hij zegt, dat de prediker zich moet oefenen in de welsprekendheid. Het is niet genoeg de orato­rische gave te bezitten, deze moet door kennis van de retorica en praktische oefening voortdurend ontwikkeld worden. Ieder prediker moet zich ernstig voorbereiden, vóór hij optreedt. De begaafde redenaar niet het minst. Ieder die over alle hulpmiddelen der welsprekendheid krachtens zijn aanleg beschikt, moet zich bijzonder inspannen, omdat de hoorders telkens hogere eisen stellen. De prediker moet vooral twee eigenschappen bezitten: geschiktheid om een rede te houden en verachting van de lof der mensen.

Dit laatste is van groot belang. De prediker mag zich niet laten bedwelmen door de wierookgeuren van de bijvalsbetuigingen der mensen en door hun afkeu­ring zich niet te zeer laten ontmoedigen. Hij moet de lof der mensen gering achten en zoeken Gode meer te behagen dan de mensen (V. 7).


Door Chrysostomus is het wezen en het einddoel van de prediking juist geformuleerd. De prediking is verkondiging des Woords, het einddoel is de verheerlijking Gods. In de methode van de bediening van het Woord is hij te veel kind van zijn tijd; aan de retorica kent hij, hoewel hij de valse welsprekendheid der Sofisten bestrijdt, te groten invloed toe. De op oratoria beluste Griek wint het gedurig in hem van de christenhomi­leet. Tot een zelfstandigen opbouw van de homiletiek is het bij Chrysostomus niet gekomen.
Van meer belang is de aanvankelijke homiletische ontwik­keling in het Westen. Behalve enkele verstrooide opmerkingen bij Ambrosius in zijn De officiis ministrorum (I, 18, 19, 22) e. a. is het alleen Augustinus († 430) die op dit onderwerp dieper ingaat. In zijn De doctrina christiana (lib. IV) heeft hij aan de christelijke kerk de eerste homiletiek geschonken. De eerste drie boeken handelen de inveniendo quae intelligenda sunt, het vierde boek de proferendo quae intellecta sunt.

Van groot gewicht is in dezen eersteling van de homiletische handboeken, dat de Heilige Schrift de enige stofbron voor de prediking is. Uit de Heilige Schrift moet de prediker de schatten der wijsheid halen. Een andere bron voor de prediking dan de Heilige Schrift, als b.v. de traditie, kent Augustinus niet.

Ten opzichte van de verhouding der retorica tot de theorie van de bediening van het Woord tracht hij het zelfstandig karakter van de homiletiek te handhaven. Wat de klassieke retorica aan goede, voor de christelijke prediking bruikbare, elementen biedt, wil Augustinus overnemen. Hij is zelf retor geweest en in het vierde boek van De doctrina christiana toont hij met Cicero goed op de hoogte te zijn. Hij acht het noodzakelijk, dat de doctor evangelicus in de retorica zij onderwezen.
Bij alle waardering van de retorica vindiceert hij met kracht de zelfstandigheid der homiletiek. Zij is geen onderdeel van de retorica, zou deze zelfs, als 't moet, kunnen ontberen. Meer nog dan in de retorica, moet de prediker zich oefenen in de Saint Scriptura. In haar zijn wijsheid en welsprekendheid harmonisch verenigd. Naar haar voorbeeld moet de prediker het sapienter dicere met het eloquenter dicere verbinden. Wanneer hem dat niet mogelijk is, moet hij het eloquenter dicere loslaten, om het sapienter dicere te behouden. Telkens weer wordt de prediker door onderscheiden voorbeelden gewezen naar de Heilige Schrift, waarin wijsheid en welsprekendheid zijn verenigd.

Bij de bespreking van het doel der prediking staat Augus­tinus het meer nabijliggend doel voor ogen, dat hij in aansluiting aan de retorica omschrijft als docere, delectare, flectere; de prediker moet de Goddelijke waarheid brengen en zijn doel is ut veritas pateat, ut veritas placeat, ut veritas moveat. Deze doelstelling is, van psychologisch gezichtspunt bezien, juist, daar zij in verband staat met de drie hoofdakten van de menselijke psyche in ken- gevoels- en streefleven.

Met het drievoudig doel van de prediking corresponderen volgens Augustinus de drie stijlsoorten: de eenvoudige, de gematigde en de verheven stijl. Is erft igitur eloquens qui ut doceat poterit parva submisse, ut delectet modica temperate, ut flectat magna granditer dicere (cap 17). In het algemeen genomen behoort de lagere stijl bij het docere, de gematigde stijl bij het delectare, de verheven stijl bij het flectere. In dezelfde preek komen alle drie stijlsoorten voor; er is dus voldoende afwisseling.
Evenals Chrysostomus legt ook Augustinus er nadruk op, dat de prediker zich moet kenmerken door een godvruchtige wandel en een voorbeeld voor de gelovigen zijn. Om het gewicht van zijn ambt wordt hem aangeraden zijn werk biddend te verrichten.

Aan het slot van zijn homiletiek geeft Augustinus aan predikers, die zelf niet in staat zijn een goede preek te concipiëren, de raad, het werk van een ander voor te dragen, daar elk goed woord van God komt en gemeen goed is van alle ge­lovigen.

Deze raadgeving (die met beroep op de autoriteit van Augustinus in de Middeleeuwen herhaaldelijk in toepassing gebracht is) houdt verband met het lage peil waarop de pre­diking stond en de ongeschiktheid van vele predikers. In een gezond kerkelijk leven (waartoe ook voldoende wetenschap­pelijke vorming van de aanstaande dienaren van het Woord behoort) is het houden van andermans preken te veroordelen: behalve dat de dienaar een valse schijn geeft, bevordert het de luiheid en komen de persoonlijke gaven van de prediker niet tot de nodige ontwikkeling.
Uit het bovenstaande blijkt, dat hetgeen Augustinus bood van groter waarde is, dan hetgeen Chrysostomus gaf. Augus­tinus heeft evenals Chrysostomus de prediking opgevat als een verkondiging van het Woord van God, gaat echter hierin boven Chrysostomus uit, dat hij de grenslijn tussen homile­tiek en retorica principieel juist heeft getrokken en het naast bijliggend doel van de prediking op zulk een voortreffelijke wijze bepaald, dat zijn doelstelling door de beste homileten is overgenomen en haar waarde behouden heeft tot de tegen­woordige tijd toe. Augustinus is de eerste geweest die een homiletiek gaf. Dat zijn werk nog vele leemten vertoont, is te verwachten. Alle begin is moeilijk, zelfs voor een man als Augustinus.

Onjuist en onwaardig is het harde vonnis van Steinmeyer: Im ganzen hat diese Arbeit des Augustin weder wissenschaftlichen Wert noch auch praktische Brauchbarkeit.60


Onder invloed van Augustinus staat Gregorius Magnus († 604), die in het derde deel van zijn Liber regulae pastorales homiletische voorschriften geeft. Hij vestigt vooral hierop de aandacht, dat niet alle hoorders op dezelfde wijze toegesproken moeten worden en noemt niet minder dan 36 gevallen op, waarin de prediking zich op een eigen wijze tot bepaalde standen en klassen onder de hoorders heeft te richten. Voor de casuïstiek van de Middeleeuwen vormt dit werk van Grego­rius het uitgangspunt.

In betrekking tot de geschiedenis der homiletiek in de oude kerk hebben we dus gevonden, dat de inhoud van de prediking is het Woord van God, dat de vorm van de prediking rekent met de eisen der retorica (waarbij het standpunt van Augusti­nus zuiverder is dan dat van Chrysostomus), en dat op het godvruchtig leven van de prediker volle nadruk gelegd wordt.


B. De homiletiek in de Middeleeuwen.
In de eerste periode van de Middeleeuwen (tot de 12e eeuw) is het getal homiletische werken zeer gering. Het is de tijd van de kerstening van West-Europa. Gevolg van de toen­malige zendingsmethode was, dat de grote massa des volks van de voornaamste stukken der christelijke religie weinig wist. De predikers misten voldoende kennis van de heilswaarheid en homiletische scholing ontbrak.

De raad, die Augustinus in het vierde boek van zijn De doctrina christiana had gegeven, werd opgevolgd; de preken van de kerkvaders werden aan het volk voorgedragen. Deze methode kreeg zelfs een officieel kerkelijk stempel. De Synoden van Tours (813) en van Rheims (813) bepaalden Caroli Magni Imperatoris iussu, dat de homilieën van de kerkvaders door de priesters in de landstaal moesten overgezet en aan h et volk gepredikt worden. Het besluit van Rheims luidde aldus: ut episcopi sermones et homilias sanctorum patrum, prout omnes intelligere possint, secundum proprietatem linguae praedicare studeant.61


Ofschoon er tegen deze methode gewichtige instanties aan te voeren zijn, moet aan de anderen kant toegegeven, dat het beter was dat de predikers, die voor een deel op een laag peil van ontwikkeling stonden, de preken van de kerkvaders hielden dan dat ze ongezonde, door hen zelf toebereiden kost opdienden. Het gevolg er van is geweest dat er op homiletisch gebied stilstand kwam; men repeteerde en compileerde de homilieën der kerkvaders, maar produceerde zelf bijna niets. Zo was de praxis en daarmee is de theorie in overeenstemming. Na Gregorius is tot de 12de eeuw van de homileten alleen te noemen Rabanus Maurus († 856) die in het derde boek van zijn De clericorum institutione herhaalt wat Augustinus en Gregorius gezegd hebben.62
Van de twaalfde tot de zestiende eeuw nam het getal predi­kers voortdurend toe; er werd gepreekt, niet zozeer in de cultus, als wel buiten de publieke eredienst. Het peil der prediking, dat aanvankelijk niet hoog stond, rees vooral door de arbeid van de orde der Dominicanen en die der Franciscanen, en later onder invloed van Scholastiek en Mystiek. De meeste predikers waren door hun gebrekkige opleiding en armelijke kennis niet in staat zelfstandig een preek te maken. Vandaar, dat naar allerlei hulpmiddelen werd omgezien.

Er verschenen „Postillen”, prekenbundels van de kerkvaders; boeken met alfabetisch geordende themata en disposities; reallexica (Sum­mae) over alle mogelijke onderwerpen, die in de preek te pas gebracht konden worden; geschriften met legenden en anec­doten; beschrijvingen van dieren, planten en verschijnselen in de natuur, die allegorisch geïnterpreteerd konden worden of als exempla dienen. Bonaventura († 1274) schreef een Biblia pauperum, omnibus praedicatoribus perutilis.

Deze pauperes zijn de predikanten, die arm waren aan stof en door zulk een Biblia aan gedachten geholpen moesten worden.
De homiletiek doet in deze periode een schrede voorwaarts. Zij is in het algemeen genomen geen neerslag meer van de predi­king. Zij draagt wel de sporen van de evolutie, die de prediking doormaakt, in haar komt wel tot uitdrukking wat in een bepaalden kring praktisch geldt, maar zij tracht nu aan de praxis leiding te geven en deze op een hoger niveau te brengen.

In de homiletische handboeken tot de veertiende eeuw wordt veel gesproken over de eisen aan de prediker te stellen en over de stof der prediking, welke geput wordt uit de Heilige Schrift en gewoonlijk ethisch van karakter is. Dit houdt misschien verband met het theologisch onderwijs aan de hogescholen. waar de Heilige Schrift verklaard werd met het oog op de christe­lijke moraal. En deze ethische toespitsing van theologie en pre­diking hangt weer samen met de poging, om het laag staande zedelijke leven der pas gekerstende volken tot een hogere, zo mogelijk tot de schriftuurlijke basis op te voeren.63

Onder invloed van de Scholastiek ontwikkelt zich daarna een prediking die wel de Heilige Schrift tot fundament heeft, maar zich nauwer aansluit bij de kerkleer dan bij de Heilige Schrift. De stof wordt samengevat in een thema, dat naar scholastieke eis wordt behandeld. Men onderscheidt de meer praktische, aan de Heilige Schrift zich aansluitende, tekstuele prediking en de thematische prediking. Reeds door Bonaventura is de thematische prediking geïntroduceerd. Hoewel de Heilige Schrift in de scholastieke homiletieken nog het fundamentum praedicationis genoemd wordt, is de prediking bovenmate thematisch en weinig textueel. Tegen deze eenzijdig thematische prediktheorie der Scholastiek is later de Reformatie, met name van Gerefor­meerde zijde, in verzet gekomen. Voor haar werd de concio weder een expositio verbi Dei, zij greep naar Augustinus en Chrysostomus terug. Van invloed der retorica is weinig te bespeuren. Zelfs bij Surgant en Hieronymus van Dungersheim speelt de retorica een ondergeschikte rol. Aan het eind der Middeleeuwen dringt bij Reuchlin en Erasmus het Humanisme de homiletiek binnen en wordt deze op de leest van de retorica geschoeid.
Van de homileten uit de twaalfde eeuw dient in de eerste plaats genoemd te worden de Fransman Guibert van Novi­gentum († 1124), die enkele belangrijke opmerkingen maakt

in zijn Liber quo ordine sermo fieri debeat,64 welk boek een inleiding is op een commentaar over Genesis, Hoséa, Amos en de Klaagliederen van Jeremia. Hij onderscheidt bij de uitlegging der Heilige Schriften tussen een historische, allegorische, tropologische (ethische) en anagogische)65 interpretatie, en schrijft aan de ethische de grootste waarde toe. Hij legt sterken nadruk (en dit is door de laagstaande moraal van vele kerkleden in de praktijk van het leven te verklaren) op het ethische element in de prediking. De mensen moeten vooral onderwezen worden in hetgeen ze doen moeten. Daartoe is aanbe­velenswaardig te preken uit het Oude Testament, omdat deze geschiedenissen de mensen boeien en de spiegels van hun leven zijn.

Naast het ethische is voor hem het psychologische element in de prediking van waarde. De prediker moet de kunst verstaan de hoorders een blik te geven in hun binnenste en hun eigen beeld voor het oog des geestes plaatsen. Deze kunst leert hij niet door boekenstudie, maar door te lezen in het boek van zijn eigen hart.
Niet minder dan Guibert legt de Nederlandse homileet Alanus van Rijssel, ook genoemd Alanus de Insulis († 1204) op moraalprediking de nadruk in zijn Summa de arte praedi­catoria.66 Zijn standpunt komt duidelijk uit in de definitie van de preek. Praedicatio est manifesta et publica instructio morum et fidei, informationi hominum deserviens, ex ratio­num semita et autoritatum fonte proveniens. De grondslag van de preek moet rusten op een theologische autoriteit, en hiermede is bedoeld de Heilige Schrift: haec autem debet esse forma praedicationis ut initium sumatur ab auctoritate theologica, tamquam a suo proprio fundamento: maxime ab Evangeliis, Psalmis, Epistolis Pauli et libris Salomonis quia in his specia­liter resultat moralis instructio. De aliis ergo libris sacrae paginae sumendae sunt auctoritates, si fuerint necessariae et ad propositum utiles.

In de laatste capita geeft hij aan, op welke wijze men tot de verschillende standen spreken moet. Gelijk vele anderen laat hij zijn theoretische raadgevingen van exempla vergezeld gaan.

Bij Alanus staat dus de moraalprediking, ontleend aan de Heilige Schrift, op de voorgrond. Hij wijst aan wat de materie is van de bediening van het Woord (expositio auctoritatis proposi­tae) maar schenkt aan de pars formalis schier geen aandacht. Van beïnvloeding der klassieke retorica bemerkt men bij dezen homileet weinig of niets.

Van deze invloed is evenmin iets te bespeuren bij de generaal der Dominicaner orde Humbertus de Romanis († 1277), die aan de predikers zijner orde homiletische lessen gaf in zijn Tractatus de eruditione concionatorum, libri II.67

Hij trekt te velde tegen allerlei misbruiken in de prediking, vooral tegen de slechte gewoonte om meer te preken naar aanleiding van dan over de tekst. Omnis praedicatio debet fieri de Scripturis Sacris. Sommigen applicant studium suum circa subtilia, circa nova, circa sophismata, linguam suam volentes magnificare. Er zijn er ook die meer op de schonnen vorm, letten, dan op de inhoud: similes illis, qui magis curant de pulchritudine scutellae in qua ministrant cibaria, quam de ipsis cibis.

Hij acht de prediking van ten minste even hoog gewicht als het uitdelen der sacramenten. Het Woord van God vervat in de Heilige Schrift is hem de bron der prediking. Deze is, gelijk bij bovengenoemde Middeleeuwse homileten, hoofdzakelijk ethisch van inhoud. Een systematisch opgebouwde homiletiek is dit werk niet en wil het ook niet zijn. Humbertus stelt zich met praktische raadgevingen tevreden.

Op de prediking die uitgaat van een tekst der Heilige Schrift en hoofdzakelijk ethische inhoud heeft wordt ook nadruk gelegd in een klein werk, dat aan Bonaventura († 1274) wordt toegeschreven en tot titel heeft Ars concionandi.68 De Scholastiek laat zich in deze preektheorie reeds gelden.
Tot de groep homileten die de retorica weinig invloed geven bij het opstellen van de homiletische praecepta maar de thematische prediking begunstigen is uit de veertiende eeuw te noemen Henricus de Hassia (Heinrich von Langenstein) († 1397) die een Tractatulus de arte praedicandi69 schreef en daarin het Woord van Godals het fundamentum voor de preek handhaafde. Hij wil bij de verklaring de viervoudige interpre­tatie van Guibert (cf. boven pag. 68) op de tekst toegepast zien. De volledige preek wordt ingedeeld in thema, prothema (de inleiding tot de preekstof), divisio en subdivisio. In het tweede gedeelte van zijn tractatulus worden enkele aan de praktijk ontleende voorschriften gegeven, die betrekking hebben op de uitwerking en voordracht van de preek.

Voorts behoort Surgant tot deze groep. Joh. Ulrich Sur­gant, pastoor te Bazel, gaf in 1503 uit een Manuale curatorum, praedicandi praebens modum, tam latino quam vulgari ser­mone practice illuminatum, cum certis aliis ad curam animarum pertinentibus, omnibus curatis tam conducibilis quam salutaris. Reeds in 1516 verscheen van dit in de loop der zestiende eeuw veel gebruikte werk een tweede druk. Surgants boek wordt verdeeld in twee delen: een theoretisch deel (de modo et arte praedicandi) en een praktisch deel (de practica artis praedicatoriae iuxta vulgare theutonicum). Hij toont in de vroegere literatuur zowel de klassieke als de christelijke thuis te zijn en citeert o.a. Augustinus, Cicero en Quintilianus.

Voor hem is de preek een doelmatige uitdeling van het Woord van God. Een preek moet gegrond zijn op de Heilige Schrift. Toch is dit „gegrond zijn op” niet identisch met „geput uit”. De inhoud van de preek wordt gevormd door credenda en agenda, geloofsleer en plichtenleer. En tegen een mogelijke op­merking dat de prediker alleen evangelie te brengen heeft, antwoordt hij met hetgeen naar zijn oordeel onder evangelie te verstaan is: omne illud quod reducit homines ad Deum colen­dum, timendum, et diligendum et quidquid a vitiis retrahit et ad virtutes hortatur, recte evangelium dicitur. Door een derge­lijke omschrijving wordt het echt schriftuurlijk begrip van evangelie aanmerkelijk verzwakt en in semipelagiaanschen zin „umgedeutet”.

Hij kent de retorica, gebruikt ze in zijn homiletiek, onderscheidt zelfs in de stoffen de drie bekende genera, maar heeft zijn manuale toch niet ingesteld op de retorica der Antieken. Hij blijft het onderscheid tussen kerkelijke en wereldlijke welsprekendheid ten volle erkennen.

Surgant onderscheidt vijf soorten van preken:

1. de homilie uit de oude christelijke kerk,

2. admonitio, een toespraak zonder tekst en verdeling,

3. de thematische preek, die zich in de inleiding bij een tekst aansluit, maar verder vrij zelfstandig het thema ontwikkelt.

4. een bespreking van onderscheiden pun­ten die onder een bepaald thema horen, het is een conglome­raat van verschillende onderwerpen die soms niet eens onder één hoofd kunnen worden saamgebracht. Ten tijde van Sur­gant werd deze preeksoort in Bazel veel gebruikt. Cruel zegt, dat deze methode ook in andere plaatsen in zwang was en noemt dit terecht een „Zeichen idealen Verfalls auf dem Gebiete der Kanzelrede”.70

5. De stof wordt in twee of drie delen verdeeld en bij elk deel wordt als bewijs een plaats uit het Evangelie aangehaald.


Wanneer een preek compleet zal zijn, behoort zij naar Sur­gant de volgende stukken te bevatten: thematis propositio, salutatio populi, divini auxilii imploratio, introductio thema­tis, divisio thematis vel dicendorum, partium divisionis pro­secutio, conclusio. Met wenken voor stijl en voordracht wordt het eerste deel besloten.

Het boek van Surgant is van belang, omdat hij in de Mid­deleeuwen eigenlijk de eerste is die een volledige homile­tiek gegeven heeft en in enigszins geordende samenhang, zich aansluitende bij de hem voorafgaande homileten, die onderwerpen behandeld heeft, welke in een Middeleeuwse homile­tiek ter sprake kwamen.


Verwant met Surgant is Hieronymus Dungersheim van Oschsenfurt,71 die in 1514 te Leipzig een Tractatus de modo discendi et docendi ad populum sacra seu de modo concionandi in het licht gaf.

Hij deelt zijn werk in drie delen in: de prae­dicatore, de modo quem in praedicatione observet, de auditore.

De preek, die haar fundament moet hebben in de Heilige Schrift, heeft tot inhoud de credenda, servanda, fugienda, timenda, appetenda. Ten opzichte van het doel van de preek sluit hij zich bij Augustinus aan. De delen van de preek zijn dezelfde die Surgant noemt. In de pars formalis maakt hij enig gebruik van de retorica, in de leer der pronuntiatio bestrijdt hij de gebreken der clerici. Tot de hoogte van Surgants werk komt Hieronymus niet.
Tegen het einde van de Middeleeuwen doet de klassieke retorica haar intrede in de homiletiek. Deze tracht de homiletiek te seculariseren en haar van haar theologisch karakter te be­roven.

In de dertiende eeuw is dit aanvankelijk reeds het geval bij Alvernus († 1249) in zijn Retorica divina seu ars oratoria eloquentiae divinae, maar vooral komt de retorica tot heerschappij bij de met de geest van het Humanisme gedrenkte homileten Reuchlin en Erasmus.

Het sterkst bij Johannes Reuchlin († 1522), die in zijn 1504 uitgekomen boekje Liber congestorum de arte praedicandi de preek wil opgebouwd zien naar het model der antieke retorica. Zij bestaat uit de volgende delen: principium, lectio, divisio, confirmatio, confutatio, conclusio.

Ook is de leer van de drie genera der stoffen letterlijk uit de retorica overgeno­men: in omni materia vel ethica vel politica vel theologica causarum tria possunt genera occurrere: d e m o n s t r a t i v u m est quod tribuitur in alicuius laudem aut vituperationem; d e l i b e r a t i v u m est quod habet in se suasionem et dis­suasionem; i u d i c i a l e est quod positum in controversia habet accusationem aut petitionem cum defensione. Van het evangelie der genade voor zondaren is bij de stof der prediking geen sprake. Het ethische domineert. De predikkunst is facultas hominem alliciendi ad virtutes et contemplationem divinam ex sanctarum scripturarum promulgatione.


Breder van omvang en rijker van inhoud is het geschrift72 van Desiderius Erasmus († 1536), dat tot titel voert: Eccle­siastes sine de ratione concionandi (1535). Het werk omvat vier boeken.

  1. Reeds in het eerste boek komt duidelijk uit, dat de homiletiek een soort retorica is. Er is wel onderscheid tussen de profane en de heiligen ecclesiast. De profane eccle­siastae zijn zij, qui principum leges ac magistratuum constitu­tiones proferunt suadentque plebi, maar de ecclesiastae sacri zijn zij qui summi principis edita, promissa ac voluntatem exponunt suadentque promiscuae multitudini. Al is er onderscheid, ze dienen toch hetzelfde doel nl. ut respublica sit quieta ac tranquilla, eaque tranquillitas impendatur non volu­ptatibus aut luxui, sed christianae pietati. Hij noemt de verschillende eigenschappen op die de ecclesiast moet bezitten en de ondeugden die hij moet vermijden, waarbij hij zo nu en dan ge­legenheid vindt gebreken van de Roomse priesters te gispen.

  2. In het tweede boek raadt hij de predikers aan door het lezen van goede schrijvers, als Demosthenes en Cicero, zich te oefenen. Hoe hoog hij de klassieken, ook naar de inhoud, aanslaat, blijkt uit een zin als deze: de moribus nemo felicius scripsit quam Plutarchus, cuius libelli digni sunt qui ad verbum ediscantur. Nadat het doel van de rede is gesteld in docere, delectare, flectere, worden de vijf officia oratoris ook de eccle­siast voorgehouden, nl. inventio, dispositio, elocutio, memoria, pronuntiatio. De inventio wordt zeer breed behandeld.

  3. Het derde boek is gewijd aan dispositio, elocutio, memoria en pronuntiatio. Onder het laatste punt wordt aan de houding van het lichaam bijzondere aandacht geschonken.

  4. Het vierde boek biedt een index materiarum en handelt over de stof voor de preek. De inhoud van de concio is lex. Lex Dei semper eadem est quemadmodum Dei voluntas est immutabilis. Varie tamen exhibita est pro ratione temporum et personarum. Het Evangelie is nova lex, lex gratiae. Voor de heerlijke genadebedeling van het Nieuwe Verbond had Erasmus geen oog. Op echt scholastieke wijze worden verder de loci aangegeven die de stof voor de prediking bieden. Van de opvatting der preek als populaire explicatie van het Woord van God staat de humanist Erasmus ver af.

Reformatorisch is Erasmus ook in zijn homiletiek niet. Zijn ecclesiastes is een orator naar het model der Antieken. De geest van het Humanisme doorwaait heel zijn werk. Het formele is hoofdzaak, het materiele komt in laatster instantie en deze materie is weer in de modellen der Scholastiek gegoten. Hoewel in het boek van systematische bouw weinig te bespeuren valt en het blijkbaar niet aus einem Guss geschreven is, heeft het waarde, omdat het een poging is om de prediktheorie op wetenschappelijke wijze te behandelen en in de praktijk, de vele gebreken, waaronder de prediking in zijn tijd leed, te bestrijden.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page