Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


Ten tweede komt het onderscheid uit in het k a r a k t e r van de rede



Download 2.06 Mb.
Page3/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

Ten tweede komt het onderscheid uit in het k a r a k t e r van de rede.

De orator moge iemand van hoge zedelijke kwaliteiten en van eminente welsprekendheid zijn, hij komt tot zijn audito­rium met geen hogere dan menselijke autoriteit. Hij spreekt om zijn kennis en positie met enig gezag, zijn woord is echter een menselijk en geen Goddelijk woord.

De concionator daarentegen, hij moge met minder mense­lijk gezag optreden dan de orator, komt in de Naam van de Heere Jezus Christus en predikt op last van de Koning der kerk. Hij is een boodschapper van Christus en brengt Zijn Woord. De Thessalonicensen worden geprezen (1 Thess. 2 : 13) omdat ze Paulus' woord niet aangenomen hebben als eens mensen woord maar, gelijk het waarlijk is, als Gods Woord. De prediker is een diakonos tou lógou, hij bedient de sleutelen des hemelrijks, opent en sluit op Christus' last.
Er is verschil in object van oratio en concio. De redenaar spreekt tot mensen, die hem in vele gevallen geestelijk niet bestaan, hem vijandig gezind zijn of zich koel tegenover hem verhouden. Wanneer de hoorders niet een gemengde schare vormen, van alle zijden samengestroomd, is de band die hem aan zijn auditorium bindt toch vrij los en in elk geval slechts een band van deze aarde.

In de bediening van het Woord evenwel komt de concionator tot gekwalificeerde personen, tot zulken die hem geestelijk nauw verwant zijn, hij spreekt tot de gelovige gemeente, die als het volk Gods in publieke samenkomst vergadert. Van hare opmerkzaamheid mag hij zich in normale omstandigheden a-priori verzekerd houden en een captatio benevolentiae is in de preek allerminst op haar plaats.


Tussen de bediening van het Woord en de oratie in het kosmische leven is onderscheid in doel. Al zal een van christelijk standpunt beoefende retorica er zich voor wachten het doel der rede in een eenzijdig opgevat peitein te stellen en zal zij met Cicero dit doel omschrijven als docere, delectare en flectere, het einddoel van de oratie beweegt zich toch altijd in de sfeer der aardse dingen en behoort .tot het terrein van het natuurlijke leven, b.v. onderwijzen in een bepaalde materie, esthetisch genot, aanneming van een voorstel, vrijspraak van een beklaagde, erkenning van de verdiensten van een publiek persoon, enz.

Bij de preek tracht de concionator evenzeer in te werken op het intellectuele, volitionele en emotionele leven van hen, tot wie hij het woord richt. Maar het eigenlijke doel ligt in een hogere sfeer dan de aardse. Doel van zijn rede is de wasdom in de genade en de kennis van de Heere Jezus Christus, de opbouw van de geestelijke tempel, de oikodome der gemeente, de toebereiding van de Bruid des Lams.


Hiermee hangt samen het onderscheid in de m i d d e l e n die door orator en concionator aangewend worden.

De goede retorica schuwt de methode van de Sofistiek en keurt het gebruik van kunstgrepen en slimmigheden af. De redenaar kan zich bedienen van logische argumentatie, hij kan schitteren door spannende vergelijkingen, bekoren door boeiende spreektrant en overweldigen door pracht van stijl, zijn middelen, hoe voortreffelijk ook, gaan niet boven het niveau van de natuurlijke krachten uit.

Met de concionator staat het anders. Al is zijn taal sober en schittert hij niet door welsprekendheid, in het Woord van God dat naar Gods belofte met de werking van de Heilige Geestes gepaard gaat, ligt een bovennatuurlijke kracht om te werken. Wie door Gods Geest aangegrepen de woorden Gods spreekt, heeft beschikking over de machtigste hefbomen om de ziel in beweging te brengen. Omdat het Woord des Evangelies een kracht Gods tot zaligheid is een iegelijk die gelooft, zal die majesteit van het Woord voor de prediker een aanwijzing zijn om in het gebruik van retorische middelen de soberheid te betrachten en zich te onthouden in taal, stijl en gebaar van alles wat niet in overeenstemming is met de heiligheid van het Woord.
Hieruit blijkt, dat, al staan retorica en homiletiek in verband met elkander, zij twee afzonderlijke wetenschappen zijn, die in stof, karakter, object, doel en middelen zó onderscheiden zijn, dat van een subordinatie der homiletiek onder de retorica geen sprake kan wezen. De homiletiek is een zelf­standige theologische wetenschap. De retorica kan, zelfs wanneer ze van alle paganistische smetten is gezuiverd, aan de homiletiek niets bieden ten opzichte van de stof voor de bediening van het Woord. Als hulpwetenschap is zij van waarde, vooral in de pars formalis van de homiletiek. Voor de me­thode van de bediening van het Woord en voor de constructie van de preek zal de retorica belangrijke diensten kunnen ver­lenen.

4. HOMILETIEK EN PSYCHOLOGIE

P. Kleinert. Homiletik. Leipzig. 1907, pag. 22 seq.; W. D. Scott. The psychology of public speaking. Philadelphia. 1907; F. Niebergall. Wie predigen wir dem modernen Mensen. Tübingen. 1921; id. Praktische Theologie. Tübingen. 1919. II. 65 seq.; T. Hoekstra. De psychologie der religie en de ambtelijke vakken. Kampen. 1913; id. Psychologie en Catechese. Nijverdal. 1916; Ch. S. Gardner. Psychology and Preaching. New-York. 1919; J. H. Snowden. The psycho­logy of religion New-York. 1917; W. S. Bruce. The psycho­logy of Christian life and behaviour. Edinburgh. 1923; J. Waterink. Plaats en methode der ambtelijke vakken. Zutphen. 1923; A. van Veldhuizen. Praktische Godgeleerdheid. Deel IV van Pro Ministerio, Groningen, 1923.

Het behoort tot de taak van de ambtelijke theologie te onderzoeken, op welke wijze het ambt door middel van het Woord van God kan inwerken op de psyche der mensen. Zij moet antwoord geven op de vraag, hoe het ambt moet functioneren om in de harten die werkingen te voorschijn te roepen, welke naar de Heilige Schrift het doel van de amb­telijke bediening moeten zijn.

Deze vraag is van bijzonder belang in betrekking tot de didakalos die het Woord bedient in de vergadering van de gemeente des Heeren. Hij is geroepen in de vergadering der gelovigen het Woord zó te verkondigen, dat het onder de zegen Gods indringt en doorwerkt in de harten van hen, die de prediking horen. Daarom is nodig hier aan de orde te stellen welke de verhouding is tussen homiletiek en psychologie en te zien of en in welke mate de psychologie als hulpwetenschap aan de homiletiek dienstbaar te maken is.

Dit is te meer van belang, omdat de psychologie in de laatste tijd allerwege intensief is beoefend en de resultaten van de psychologische onderzoekingen niet gering zijn. Prof. Heymans47 heeft in zijn rectoraatsrede gesproken van de twin­tigste eeuw als van de eeuw der psychologie. Daarin moge enige overdrijving schuilen, het feit is onmiskenbaar, dat niet alleen de algemeen zielkunde, maar vooral de bijzondere psy­chologie de laatste jaren met reuzenschreden is vooruitgegaan. De psychognostiek en de psychografie, de psychotechniek en de psychotherapie hebben ook tot de ambtelijke theologie iets te zeggen.

Toch is het onjuist 't zo voor te stellen alsof eerst in de laatste jaren de homiletiek van psychologische gegevens ge­bruik gemaakt heeft. Al zal de psychologie door het hoger peil der wetenschappelijke beoefening thans meer kunnen bieden dan voorheen, de homiletiek heeft van de eerste eeuwen af, telkens weer met de psychologie, al was deze zeer elementair, rekening gehouden.

Reeds de klassieke retorica heeft psychologische motieven verwerkt. Wanneer Cicero het doel van de rede omschrijft als docere, delectare, movere of flectere, ligt in deze doelbe­paling aangegeven, dat hij in het object, tot hetwelk de rede zich richt, onderscheid maakt tussen een drietal psychische akten, nl. intellectuele, emotionele en volitionele.
Augustinus voert in zijn De doctrina christiana Lib. IV tegen de paganistische retoren krachtige oppositie, maar schroomt niet het goede te erkennen dat, dank zij Gods algemeen genade, onder het heidendom is overgebleven. Hij sluit zich ten opzichte van de doelstelling der preek bij de klassieke retorica aan en omschrijft de strekking van de verkondiging der waarheid naar Gods Woord aldus: ut veritas pateat, ut veritas placeat, ut veritas moveat. Deze indeling rust ongetwijfeld op psychologische basis. Augustinus voegt er aan toe, dat de pre­diker zich zowel bij het docere als bij het delectare en movere telkens weer van een eigen, met het doel der rede samenhan­gende stijl, moet bedienen.

Een rijkdom van praktische psychologische gegevens biedt Gregorius Magnus in zijn Liber regulae pastorales. Iedere toespraak over een religieus onderwerp ontvangt een eigen kleur in verband met positie, werkzaamheid, ouderdom en levensomstandigheden der hoorders. Steeds legt Gregorius er nadruk op, dat niet alle hoorders op dezelfde wijze vermaand moeten worden.


De homiletische literatuur van de Middeleeuwen maakt van het toen bekende psychologische materiaal slechts hier en daar gewag.

Terwijl de Lutherse reformatie ten opzichte van de predi­king zowel theoretisch als praktisch betrekkelijk spoedig in intellectualistisch orthodoxisme verliep, heeft de Gereformeerde homiletiek van de reformatorische periode bij onderscheiden vertegenwoordigers belangrijke psychologische gegevens verwerkt. Dit is mede hieruit te verklaren, dat de Geref. homileten over het algemeen de preek hebben opgevat als explicatio e t applicatioverbi Dei.

Onder de niet Nederlandse Gereformeerde homileten zijn het vooral Scultetus en Alstedt geweest, die op de toepassing bijzondere nadruk hebben gelegd. Zonder applicatie, zegt Alstedt, is een preek frigida.48 Het naaste doel van de concio is perspicue docere, suaviter delectare, acriter flectere. Door deze principiële opvatting waren de homileten genoodzaakt, bij de nadere ontvouwing op de behoeften van het zielsleven in te gaan.
De Gereformeerde homileten in ,Nederland hebben in aansluiting aan Hyperius vooral de leer van de usus ontwikkeld. Uit het Woord van God, dat in de concio wordt verklaard, moeten, naar verschillende richtingen, toepassingen afgeleid worden. Onder die toepassingen neemt de projectie van het Woord van God in het psychische leven naar de natuurlijke en naar de religieuze zijde een belangrijke plaats in. Zo onderscheidt b.v Johannes Martinus in zijn Rudimenta van 1651 usus ad Deum en usus ad auditores. De laatste worden verdeeld in usus welke betrekking hebben op het intellect, (usus didac­ticus et elencticus), op de wil (usus hortatorius et reprehen­sionis) en op de affecten (usus consolatorius et territorius). Een brede psychologische uitwerking dezer usus is, in aan­merking genomen de lage stand der psychologie, bij Marti­nus niet te verwachten, maar wie de op deze usus betrekking hebbende capita doorleest, wordt getroffen door de fijne zielkundige, vooral religieuspsychologische opmerkingen, welke deze homileet ten beste geeft.
Na de bloeitijd der Gereformeerde theologie wordt ten onzent in de homiletiek aan de psychologie weinig aandacht meer geschonken. Uit de achttiende eeuw zou als „nabloei” F. A. Lampe te noemen zijn, die in zijn postuum werk Institu­tionis homileticae breviarium (1742) een synthese tussen homiletiek en psychologie beproeft, maar die door zijn mono­tone projectie van het Woord van God op de subjectieve geloofs­zekerheid niet meer in een adem genoemd kan worden met de Gereformeerden der zeventiende eeuw, die in de applicatie zulk een breed standpunt innamen.

Zowel in Nederland als in Duitsland wordt in de negentiende eeuw door de Lutherse en de Gereformeerde homileten weinig rekening gehouden met de psychologie. Paul Durselen49 drong in 1897 op de noodzakelijkheid der verbinding van homiletiek en psychologie aan, maar in de handboeken van Achelis, Hering, Eckert e. a. is van een gebruikmaking van het psychologisch materiaal weinig te bespeuren.

Dr J. Wate­rink noemt de vertegenwoordigers dezer richting terecht de historisch-theoretische school. 50

Kleinert die in de inleiding van zijn Homiletik (1907) een afzonderlijke paragraaf aan de verwantschap van homiletiek en psychologie wijdt, behandelt verder in zijn boek bij de uitwerking toch de psychologie als een pro memorie uitgetrokken post.

Behalve enkele aanwijzingen bij de Roomsen homileet N. Cotlarciuc51 is het vooral de Göttinger hoogleraar Fried­rich Niebergall,52 die de synthese tussen homiletiek en psycho­logie voltrokken heeft. Hij heeft waargenomen, dat de moderne mens al meer van de kerk vervreemdt, en stelt daarom de vraag, hoe de predikanten moeten preken om hun invloed op de schare niet te verliezen en de kerkleden in hun religieuze noden te kunnen bijstaan.

Niebergall bouwt daartoe een homiletiek op empirisch­psychologischen grondslag. De prediker heeft tot taak de mensen over hun moeiten en bezwaren heen te helpen. Hij moet geschikte motieven bijbrengen om de wil naar de goede richting in actie te zetten en quietieven aanvoeren, die het neergeslagen gemoed opheffen en onrustige harten tot bedaren brengen. Die motieven en quietieven zijn te vinden in het Nieuwe Testament dat volgens Niebergall niet naar de bedoeling van de auteurs behoeft geëxegetiseerd te worden, maar op zulk een wijze kan uitgelegd, dat het gedachten levert, die ' voor de modernen mens bruikbaar zijn. Wanneer de predi­kant de psyche van zijn kerkleden heeft bestudeerd, moet hij op verstaanbare, interessante en „wirksame” manier de mo­tieven en quietieven tot de zielen brengen. Zijn homiletiek is een „von der Kirchenbank her”, „eine Predigtlehre von unten her”. Uit het psychologisch materiaal wordt de preekinhoud, die wisselt overeenkomstig de psychische gesteldheid van de groepen der kerkleden, afgeleid. Van een verkondigen der Goddelijke waarheid, van een bedienen van het Woord is bij Nie­bergall en bij de hem verwanten homileet M. Schian zelfs in de verte geen sprake meer.53


In een andere richting wordt de psychologie op de prediking toegepast door Alfred Uckeley,54 die er nadruk op legt, dat de preek zich zal aansluiten bij het milieu, waarin de hoorders, vooral economisch, leven. Het is ten onzent de verdienste van Prof. Van Veldhuizen in tijdschriftartikelen en in zijn Prak­tische Godgeleerdheid gewezen te hebben op de waarde die de psychologie voor de homiletiek heeft.

Ook in het Engels-Amerikaans taalgebied heeft gedu­rende de laatste jaren de psychologie toepassing gevonden in retorica en homiletiek. Over het algemeen staan de Engelse homiletische werken op de grondslag der Amerikaanse godsdienstpsychologie, die de religie als psychisch fenomeen bestudeert, maar de principiële onderscheiding tussen religio vera en religio falsa niet aanvaardt. Bij mannen als Gardner heeft de psychologie in zijn boek Psychology and Preaching zulk een dominerende plaats, dat de prediking in het gedrang komt. Sommige Amerikaansche preektheorieën die een psycho­logischen inslag hebben, zijn uitermate praktisch van karakter, geheel opgebouwd uit de individuele praxis van een of ander homileet en missen voldoende wetenschappelijke basis.55


Resumerende komen we, aan het eind van het historisch overzicht aangaande de relatie van homiletiek en psychologie, tot de conclusie, dat, na hetgeen door sommige Gereformeerde homileten der Nederlandse theologie in de zeventiende eeuw geboden is, van een toepassing der psychologie in de Gerefor­meerde homiletiek van de nieuwere tijd nauwelijks sprake kan zijn. De nieuwere Geref. theologie heeft hier nog veel te doen. Aan de homiletiek, op empirisch - psychologische grondslag opgebouwd, zijn enkele gegevens te ontlenen. Niebergall heeft ook voor ons niet tevergeefs geleefd. Maar het standpunt dat de Gereformeerde theologie ten opzichte van de homiletiek inneemt is zo gans anders dan van Niebergall, dat zij tegen hem stelling nemen moet en zowel principieel als praktisch eigen wegen banen.
Psychologie is de wetenschap, die de ziel en hare werkzaamheden doet kennen. De christelijke psychologie laat zich bij het onderzoek leiden door gegevens, die de Heilige Schrift biedt. Kenbron voor de psychologie is niet de Heilige Schrift, de psycho­logie is geen theologische wetenschap. De menselijke psyche is object van de psychologie en de bestudering van dit object levert haar het materiaal. Zal zij evenwel in „de doolhof der verschijnselen” de weg kunnen vinden, tot het wezen der ziel doordringen, en de psyche kennen zoals ze waarlijk is, dan is de kennis van de uitspraken der bijzondere openbaring aangaande de psyche en de psychische verschijnselen onont­beerlijk.

Als metafysische psychologie doet zij het wezen, de oorsprong en de hoedanigheden der menselijke ziel kennen. Als algemeen psychologie spoort zij de wetten op, waarnaar het psychisch leven verloopt, beschrijft de gang der psychische processen en tracht de verschijnselen en hun wetmatigheden te verklaren. Als speciale psychologie stelt zij een onderzoek in naar het kenmerkende van de psychische fenomena bij verschillende groepen. Alles wat inhoud is van de psyche en psychische realiteit heeft, kan object worden van psychologisch onderzoek.

Voor de homiletiek is van grote waarde de algemeen psychologie, die de hoofdkrachten in de psyche doet kennen en een blik gunt in de overstelpenden rijkdom en het gecompli­ceerd karakter der psychische werkzaamheden. Zij biedt aan de prediker die voor een goede bearbeiding van zijn object de krachten der natuurlijke psyche moet kennen, de helpende hand. De speciale psychologie opent het oog voor de eindeloze variaties die zich in het psychisch leven kunnen voordoen, en wijst op de eigenaardige „kleur”, die een psyche onder invloed van leeftijd, sekse, temperament, ras, enz. krijgt. In het bijzonder zal de homileet profijt hebben van de religieuze psycho­logie, die het geestelijke leven in zijn normale ontwikkeling en in zijn veelvuldige aberraties tekent.

De moderne religieuze psychologie heeft voor hem betrekkelijk geringe waarde, omdat zij in hare voornaamste vertegenwoordigers het principieel verschil tussen religio Vera en falsa effaceert (b.v Starbuck) of meer het excentrieke religieuze dan het normale in studie neemt (b.v James).


Voor de opbouw van een christelijke religieuze psychologie is het onderzoek van de karakters van Bijbelse personen gelijk het thans door Dr Los ter hand genomen wordt, van waarde voor de homileet. 56

Ook de aan de religieuze psychologie nauw verwante religieuze volkskunde is van betekenis, omdat zij het object dat de homileet te bearbeiden heeft in de bediening van het Woord, in zijn eigenaardige ontwikkeling doet kennen, beïnvloed door de factoren van nationaliteit, bodem, klimaat, economische voorwaarden.57 We staan bij de studie van religieuze psychologie en religieuze volkskunde nog maar aan het begin; indien echter dit onderzoek ter hand genomen wordt door hen die de christelijke religie belijden, kunnen de resultaten niet alleen belangrijk materiaal bieden voor de ethiek, maar ook voor de homiletiek.

Bij de nadere bepaling van de verhouding tussen psy­chologie en homiletiek ontstaan gevaren van twee kanten.

Ten eerste is de klip van het psychologisme te vermijden.58 Er is tegenwoordig een richting die de objecten der geesteswetenschappen opvat als psychische phaenomena, welke ge­constateerd, gerubriceerd en onder algemeen regels gebracht worden naar zuiver empirische methode. Na een vergelijkend onderzoek der verschijnselen en het ontdekken van de wetmatigheden, tracht men dan b.v. uit de ethische verschijnselen het wezen van het goede, uit de aesthetische verschijnselen het wezen van het schone, uit de religieuze verschijnselen het wezen van de religie af te leiden. De norm, waarnaar de verschijnselen in hun waarde worden beoordeeld, wordt gevon­den in de verschijnselen zelf. Het gevolg van deze psycholo­gistische behandeling der geesteswetenschappen is, dat de norm haar absoluut karakter verliest en relatief wordt. Immers langs empirische weg is uit de verschijnselen op zich zelve nooit een vaststaande (absolute) norm af te leiden, waarnaar de verschijn­selen zouden zijn te beoordelen. Zuivere empirie doet wel het „vielmalige” kennen maar geeft stricto sensu geen algemeen kennis (het algemene kan nooit waargenomen worden) en nog minder noodwendige kennis. En hierom is het toch de wetenschap te doen. Wetenschap opbouwen uit pure inductie is niet mogelijk.



Nu heeft het psychologisme ook in de homiletiek zijn intrede gedaan. Niebergall gaf een Homiletik auf empirischer, psycho­logischer Grundlage. Wezen, inhoud en methode der prediking worden bepaald door het psychologisch onderzoek van de kerkleden. Een predikant bestudeert zijn mensen uit psycho­logisch gezichtspunt en stelt daarna vast welke motieven en quietieven moeten aangebracht worden. Welke die zijn, doet er betrekkelijk minder toe, als ze maar werken. Ze moeten hebben: power to work (W. James).
Dit psychologisme is in het algemeen, en bijzonderlijk in zijn toepassing op de homiletiek, te verwerpen.

  • Ten eerste hierom, wijl op het standpunt van het psycholo­gisme het wezenlijk onderscheid tussen waardeoordelen en zijns-oordelen, het behoren en het tactisch gegevene, vervalt. Wordt het waardeoordeel uit het zijnsoordeel afgeleid, dan is het principieel onderscheid tussen beide niet meer te handhaven. Terecht heeft de Badense School59 er op gewezen dat het Sollen uit het Sein niet is af te leiden. Zijn en behoren zijn twee grondcategorieën van de werkelijkheid, die wel met elkander in relatie staan, maar die, tenzij één van beide wordt gedenatureerd, niet uit elkander af te leiden zijn. Met toepas­sing op de psychologie wil dit zeggen, dat psychologie een descriptieve wetenschap is en nooit tot normatieve wetenschap kan worden.

  • Ten tweede verzet zich het karakter der homiletiek als theo­logische wetenschap tegen het psychologisme. Onderstel eens dat de theologie godsdienstwetenschap ware, dan zou uit het verloop van de religieuze processen en door het zoeken van de grootste gemene deler uit de geconstateerde religieuze ver­schijnselen toch nooit het wezen der religie te bepalen zijn of de norm aan te geven die ter beoordeling bij de verschijnselen ware aan te leggen. De absolute geldigheid van religieuze waarden is niet langs empirische, psychologische weg vast te stellen. Psychologie van de religie en godsdienstfilosofie zijn twee.

Dit klemt te meer nu de theologie geen godsdienstweten­schap is, maar het systeem van de in de Heilige Schrift geopen­baarde kennis Gods. Het materiaal voor de theologische wetenschap is niet te zoeken in de religieuze subjecten, maar in het principium der theologie, nl. de Heilige Schrift. Wat van de theo­logie als geheel geldt, is van toepassing op al hare vakken, ook op de homiletiek. Wat de prediking naar haar wezen is en wat de stof voor de prediking moet zijn, wordt gededuceerd uit de Heilige Schrift. De psychologie kan hier niet als secundaire bron dienst doen. De inhoud der prediking is nooit aan het religieuze subject te ontlenen. Het Evangelie, de geopenbaarde wijsheid Gods in Christus, is door God uitgedacht en niet in het hart van enig mens opgeklommen (1 Kor. 2 : 9). Het Evangelie dat voor de mens bestemd is en tot hem gebracht moet worden, is niet naar de mens (Gal. 1 : 11). Een Evangelie naar den mens voert van God af en niet naar Hem heen.
De homiletiek die er voor waken moet op de klip van het psychologisme te stranden, heeft ook voor een ander gevaar op haar hoede te zijn. De homiletiek mag bij de gebruikmaking van de psychologische gegevens allerminst de indruk wekken, dat, wanneer de bediening van het Woord naar de eisen der psychologie geschiedt, altijd het resultaat bereikt zal worden, dat de concionator zich voorstelt. De psychologie is voor de bediening van het Woord van hoge waarde, maar de prediker, die gesierd met kostelijke gaven van welsprekendheid, toegerust met een grote kennis van psychologie en retorica, daarbij volkomen meester over de preekstof, menen mocht dat hij zijn auditorium daar kan brengen waar hij het hebben wil, vergist zich. De grootste redenaars ondervinden, dat zij op een moment misschien wel in staat zijn te overreden, maar niet te overtuigen en de gezindheid om te zetten. Het komt voor, dat door de prediker de krachtigste motieven tot het verrichten van een religieuze handeling worden aangebracht en de hoorders het tegengestelde doen. De affecten kunnen onder een emotioneel gestemde preek spoedig in beweging en tot geweldige explosie komen, maar deze ontlading der emotionele energie heeft niet altijd de verbetering des levens ten gevolge. De ziel van de mens is geen machine, die zich na het omwerpen van een handel in beweging zet.
Reeds in het natuurlijke leven heeft de beïnvloeding van de naaste door het woord haar grens. Die grens ligt in de mense­lijke persoonlijkheid, in het onnaspeurbare mysterie van het Ik. Er is in het leven van ieder individu een ongrijpbare en onbe­grepen X, een Ding an sich, dat zich in de donkerheid van het niet-waarneembare, in het ongeweten geestesleven verbergt. Dit zelfde doet zich voor op religieus terrein. De beïnvloeding der psyche heeft, ook met gebruikmaking van de beste hulpmiddelen die de psychologie aan de hand doet, haar grenzen. De prediker stelt zich ten doel de persoonlijkheid te benaderen door op het intellectuele, volitionele en emotionele leven in te werken. Zowel de Heilige Schrift als de ervaring leren, dat de uitnemendste prediking vruchteloos blijft, wanneer de mens bepaalde habitus ontbreken, die hem geschikt maken om het Woord van God geestelijk te apperciperen. De rijkste, meest doelmatige en uit psychologisch gezichtspunt onovertrefbare pre­diking zal geen effect sorteren en niet tot het Ik van de mens doordringen, wanneer de Geest des Heeren niet bepaalde disposities in de geest des mensen aangebracht heeft.
Dit geldt bij de toebrenging tot het geloof en het wekken van de verandering in gezindheid (metánoia) en omkering in wandel (epistrofé). De Heere Jezus heeft menigmaal gepredikt, terwijl een groot deel van de hoorders bleef volharden in onge­loof. Judas heeft de meeste redevoeringen des Heilands aange­hoord en de tekenen gezien, maar hij kwam niet tot het zaligmakend geloof. Paulus was met zijn wegslepende rede voor Agrippa niet bij machte dezen verder te brengen dan de exclamatie van het ontroerd gemoed: gij beweegt mij bijna een christen te worden. “Niemand kan tot Jezus komen, tenzij de Vader die Hem gezonden heeft, hem trekke”. (Joh. 6 : 44)

Niemand kan zeggen dat Jezus de Heere is, dan door de Hei­lige Geest (1 Kor. 12 : 3). Hetzelfde geldt bij de opbouw in het geloof. Naast de principiële dispositie, die door de Geest Gods gewerkt, ontvanke­lijk maakt voor het Woord, moet voortdurende actie des Geestes de gelovige vatbaar houden voor de beïnvloeding van het Evangelie. De discipelen van Jezus waren hardleers, zowel in het geloven als in het beleven. Zij behoorden tot de onverstandigen en tragen van hart om te geloven al wat de profeten gesproken hebben. Na een omgang van circa drie jaar met de Heiland waren ze nog zó weinig in de school van ootmoed gevorderd, dat ze in de Paaszaal twistten wie de meeste zou zijn. Paulus bad de gelovigen in de door hem ge­stichte gemeenten met tranen om in heiligmaking toe te nemen, maar kon ze tot de hoogte van de teleioi niet opvoeren. Ieder evangelieprediker weet uit ervaring, dat de allerkrachtigste motieven, uit psychologisch gezichtspunt geschikt om bij christenen de wil in actie te zetten, dikwijls zonder enige uitwerking blijven. Er zijn in de psyche van de gelovige imponderabilia, waar de uitnemendste prediker machteloos tegenover staat. Hieruit volgt, dat de homileet bij de bediening van het Woord gebruik makende van de hulpmiddelen die de psy­chologie hem aan de hand doet, de grenzen scherp in het oog moet houden, zal hij niet in de theorie vervallen tot schadelijke eenzijdigheid en in de praktijk wanhopig worden, omdat hij niet die vruchten ziet, welke hij verwachtte.
Met inachtneming van dit tweeledig gevaar zal psycholo­gische scholing bevorderlijk zijn aan doelmatige uitoefening van de bediening van het Woord en zal de homiletiek van de psychologie op uitnemende wijze gebruik kunnen maken. Kennis van algemeen psychologie, volkspsychologie, collectieve psychologie, psychologie van de religie, enz. zal de dienaar van het Woord in staat stellen naar de behoeften van de gemeente te pre­diken. De bediening van het Woord heeft dan aansluiting aan de

noden van het menselijk hart en ontvangt in menig opzicht een locale kleur. In navolging van Paulus wordt de prediker de Joden als een Jood, de zwakken als een zwakke, ja allen wordt hij alles, opdat hij enigen behouden moge (1 Kor. 9 : 20-22).

Nu had Paulus waarschijnlijk geen psychologie gestudeerd en latere predikers die op uitnemende wijze naar de geestelijke behoefte van de kerkleden het Woord van God bedienden, hadden geen of geringe psychologische scholing. Door zelfkennis, door omgang met mensen in de praktijk van het leven, door intuïtief grijpen, waren ze kenners van het menselijk hart geworden.

Deze factoren zijn ook thans voor de dienaar van het Woord van hoog belang. Inschouwen in eigen geestelijk leven, kennis van het zielsleven door dagelijkse omgang, persoon­lijke visie, ze zijn van blijvende waarde.

Maar de Heere biedt thans de prediker nog meer. Het is onder het voorzienig bestuur onzes Gods, dat de psychologie in deze eeuw een ontwik­keling heeft doorgemaakt, die vroegere eeuwen niet kennen. Al is zij grotendeels beoefend door hen die de Heilige Schrift niet erkennen als het Woord van God, en is de psychologie de meesten onderzoekers een „Psychologie ohne Sele”, zodat dus veel van hetgeen zich als wetenschappelijk resultaat aandient door de christen terzijde gesteld of bestreden moet worden, het feit is niet te ontkennen, dat de oogst aan psychologisch materiaal groot is. De homiletiek heeft deze gegevens te aanvaarden uit Gods hand en zó te verwerken, dat de bediening van het Woord meer en meer gaat beantwoorden aan de hogen eis dien de Heilige Schrift stelt.

Bij verschillende onderdelen van de homiletiek kan de psycho­logie hulpdienst bewijzen, b.v bij de nadere omschrijving van het doel van de bediening van het Woord. Voorts is bij de tekstkeuze, het vinden van stof en de behandeling van historische teksten psychologische kennis van grote waarde. Bij de con­ceptie van de toepassing is de religieuze psychologie een factor van betekenis.

In de pars formalis, bij structuur van de preek, stijl en voordracht, oefent de psychologie haar invloed uit.

Zo blijkt, dat het huwelijk tussen homiletiek en psycho­logie, op goede voorwaarden gesloten, een gezegende verbin­tenis is, bevorderlijk aan de ontwikkeling van de bediening van het Woord in de vergadering van de gemeente van Christus.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page