Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page28/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29

194 Krieg. I.c. pag. 151.

195 Reu I.c. pag. 276.

196 Schleiermacher. Prakt. Theol. pag. 238

197 B.v. J. Gottschick. Homil. und Katech. pag. 58 seq.

198 Achelis. Prakt. Theol. IP pag. 164.

199 Cf. J. Ridderbos. De betekenis van het Oude Testament voor de Christelijke Religie. Kampen. 1913. pag. 22 seq.

200 J. Ridderbos. Het Oude Testament in onze prediking. Kampen. 1922. pag. 5.

201 H. Bavinck. Gereformeerde Dogm.2 III. pag. 230

202 J. Ridderbos I.c. pag. 22.

203 A. Noordtzij. Het Woord Gods en der eeuwen getuigenis. Kampen. 1924. pag. 71

204 Homiletiek2. ed. Moil. pag. 84 seq.

205 Cl. Harrels. Pastoraltheologie. pag. 60 seq.


206 J. D. Burrell. The Sermon. Chicago. 1913. pag. 25.

207 Niebergall. Prakt. Theol. 1:I. pag. 187

208 Cf. Schleiermacher. Prakt. Theol. pag. 233; Achelis. Prakt. Theol. II3 pag. 179.

209 Dordtsche Kerkenord. art. 68: De dienaars zullen alomme des Zondags ordinaarlijk in de namiddagsche p r e d i c a t i e, de somma der Christelijke leer in de Catechismus vervat, uitleggen. Cf. H. Kaajan. De ProActa der Dordtsche Synode in 1618. Rotterdam. 1914, pag. 154 seq.

210 Hoornbeek 1.c. pag. 227

211 Amesius. Van de Conscientie. ed. Geesink. 1896. pag. 233.

212 Martinus. Conc. Rud. pag. 207.

213 Knibbe. Manuductio in or. sacr.e pag. 185. Quamvis in plerisque Zelandiae aliisque Ecclesiis sine ulla textus praelectione catechesis explicetur, longe ramen ille eccle­siarum in Palatinatu, aliisque ecclesiis mos praeferendus, quo textus aliquis S. S. ante tractationem catecheticam praelegitur propter Libertinorum. Remonstrantium. aliorumque rancidas calumnias: qui pro maledicendi et mentiendi sua prurigine et industria et praxi contraria, quae in multis ecclesiis hactenus obtinuit, objiciunt orthodoxis, pari apud ipsos reverentia haberi Catechismum ac ipsam Sacram Scripturam.

214 Saldenus. Or. Sac. pag. 9.

215 „Het is ook volkomen juist, dat er onderscheid bestaat tussen de auctoritas historiae en de auctoritas normae; niet alles, wat in de Schrift opgenomen en aangehaald wordt. is daardoor zelf naar de inhoud waar; de verftas citationis is niet met de veritas rei citatae één.” Bavinck. Geref. Dogm. I3, 475

216 Het voorbeeld is historisch.

217 Reu. l.c. 317.

218 Cf. Knibbe. I.c. pag. 9.

219 In Menigerlei Genade. Veertiende Jaargang. No. 14

220 Hoornbeek. De rat. tont. I, 11

221 „Der Text muls einheitlich sein”. E. Pfennigsdorf. Wie predigen wir heute Evangelium? Leipzig. 1917, pag. 69.

222 Reu. l.c. pag. 315.

223 Cf. E. Schurer. Gesch. des Judischen Volkes. II4. Leipzig. 1907. pag. 533

224 Justinus Martyr. Apol. I cap. 67

225 Cf. Origenes in Job libr. II. hom. 1. Chrysostomus. Hom. 11 in Joh.

226 Tertullianus. de praescr. haeret. 36 en apolog. 39, aangehaald bij Achelis. Prakt. Theol. I.3 358.

227 Augustinus. Prol. in 1 Joh. 4.

228 Cf. Achelis. l.c. pag. 360.

229 Cf. W. Caspari. P.R.E.3 XV. 140; G. Rietschel. Liturgik. I 227; A. Nebe. Die Evangelischen Perikopen I.3.

230 ,,Ordinator ille epistolarum videtur fuisse insigniter indoctus et superstitiosus operum ponderator. Luther. Formula Missae. VII.

231 Spener. Theol. Bedenken. III pag. 128.

232 De Anglicaansche Kerk gebruikte een lectionarium, dat zowel teksten des Ouden Testaments als des Nieuwen Testaments bevatte en de lectio missalis ten grondslag bad. In de Presbyteriaanse Kerken van verschillende kleur is de tekstkeuze aan de predikant overgelaten.

233 A. Nebe. l.c. I pag. 56.

234 P.R.E. Art. Perikopen van. W. Caspari. XV. pag. 152.

235 Corp. Ref. IX, pag. 104

236 J. à Lasco. Opera. ed. Kuyper. Amsterdam. 1866. II pag. 82; A. Nebe. 1.c. I pag. 51: H. Dalton. Joh. à Lasco. Utrecht. 1885. pag. 425.

237 Amesius. Cas, Consc. IV cap. 26

238 De Prov. Synode van Dordrecht 1574 bepaalt in art. 39 der K. O.: De Sondaechsche Euangelien dienren int pausdom pleech te ghebruijcken, en sullen niet ghepredickt worden. Dan men sal een boeck der H. Scbriftuijre oordentlick na malcanderen wdegghen. En in art. 40: Aengaende de materie der predicatien, is goet ghcuonden dat men allermeest wt 't Nieuwe testament 't volck leren sal. Het sal oock wel in de vrijheijt der Dienaren staen wt de Ouden testamente te predicken met raet ende awijse des Consistorii.

De Nat. Synode van Dordrecht 1578 formuleert ten opzichte van de lectio continua nog iets scherper in art. 56: De Dienaers sullen een gheheel boeck der Heilige Schrift ordent­lick totten eynde toe der Ghemeynte verclaren. Aangaande het gebruik van Oud en Nieuw Testament dezelfde bepaling als in 1574. De perikopen worden nu geduld: Ende in de plaetsen daer de Sondaeghsche Euangelien noch ghebruyckt worden, sal men sulckes dulden ter tyt toe dat men het selfde bequamelick sal konnen affsetten.

De Nat. Synode van Middelburg 1581 antwoordt op de vraag (20) of het nuttig is de volke de Zondagsche Evangeliën te verklaren: Het is raetsamer dat niet hier ende daer een stuck, maar een geheel boeck des Ouden ofte Nieuwen Testamentes wtgeleght werde, maer mit dit onderscheyt dat men sulcke boecken verkiese, die welcke der ghelegent­heyt der Kercken meest bequaem zyn.

De Nationale Synode van 'sGravenhage, 1586, is ten opzichte van de perikopen weer toegeeflijker dan Dordrecht 1578. In de Particuliere Questien No. 1 wordt geant­woord op de vraag of men de Zondagsche Evangeliën gebruiken zal: Het predicken van de Sondaechsche Euangelien sal staen inde vryheyt der Kerken tot de meeste stichtinghe.




239 Voetius. Pol. Eccl. I pag. 607. b

240 „Even ondoelmatig mag het heten aan anderen te vragen, wat tekst wij heden prediken zullen; even goed kan men van een vriend verlangen, dat hij naar een vrouw voor ons om zag.” Van Oosterzee 1.c. pag. 328.

241 Cf. P. Biesterveld. Andreas Hyperius. pag. 39.

242 Art. 40: Het sal oock wel inde vrijheijt der Dienaren staan wt de Ouden testamente te predicken met raet ende auijse des Consistorii

243 Bij Hyperius. De form. tont. sacr. I cap. 53; Biesterveld. 1.c. pag. 39

244 Aangehaald bij Niebergall. Prakt. Theologie. II 167.

245 Voetius. Pol. EccL I pag. 614.

246 Cf. P. A. E. Sillevis Smitt. Ambt en per­soonlijkheid. Kampen. 1917. pag. 25.

247 „Meer dan eens komt het voor, dat een uitverkorene het bedehuis onder de indruk verlaat, „dat de tekst voor hem was”, en dat hij zich niet ontworstelen kan aan de rijke overtuiging, dat God de prediker zó bestuurd heeft, dat hij juist die stoffe moest kiezen, en ze op die wijs moest behandelen, opdat zijn ziel op bijzondere wijze zou worden toegesproken, en zijn hart op buitengemeen wijze zou worden geraakt. Maar al aarzelen we niet, dit zelfs zeer ver te drijven, toch volgt hieruit nog geenszins, dat de kerk en de prediker het nu ook als regel zullen beschouwen, dat zij de keuze van tekst aan zekere soort ingeving of verborgen leiding hebben over te laten.” A. Kuyper. Onze Eeredienst.

248 J. van Andel. 1.c. pag. 36.

249 J. van Andel. Vademecum Pastorale pag. 38 en 41.

250 Knibbe. Manuductio. pag. lot Reu. Homiletics, pag. 316: It is a mistake to seek out cruces interpretum and drag them into the pulpit... The beginner had better keep his fingers off Gal. 3 : 15—25, the experienced exegete and preacher may attack theet with better hope of success.

251 P. Biesterveld. Calvijn als Bed. des Woords. pag. 71.

252 Als resultaat van deze les des historie mag dan ook gezegd, dat deze wijze van prediking (nl het behandelen van een geheel boek) niet dan bij uitzondering aan het doel beantwoordt. Een brief van Paulus maakt hier een uitzondering op. omdat die brieven meest kort zijn, en geheel op de predikatie zijn ingericht. Doch het geregeld afhandelen van Samuël. van de Koningen. de Kronieken of erger nog van Numeri en Leviticus, is met het doel der predikatie niet in overeenstemming. A. Kuyper. Onze Eredienst. pag. 296.

253 James W. Alexander geeft in zijn Thoughts of preaching (186o) de volgende motieven aan voor het preken van vervolgstoffen: 1. It is the most obvious and natural way of conveying to the hearers the import of the sacred volume and, therefore, corres­ponds better with the very idea and design of preaching; 2. it bas the sanction of primitive and ancient usage; 3. it is adapted to secure the greatest amount of scriptural knowledge to both preacher and hearers; 4. it is best fitted to communicate the know­ledge of scriptural truth in its connection; 5. it affords inducement and occasion to declare the whole counsel of God ....: 6. it admits of being made generally interenting to Christian assemblies; 7. it has a direct tendency to correct. if not to preclude, the evils incident to the common textual mode of preaching, for instant, to misinterpret texts by excessive allegorizing, by „accommodation” etc. Cf. Reu. l.c. pag. 320.

254 Cf. Achelis. l.e. II. pag. 185.

255 G. Rietschel. Liturgik I. pag. 172 seq

256 Cf. J. Jansen. Korte Verklaring van de Kerkenordening. Kampen. 1923. pag. 290 seq.

257 Cf. W. Broes. Brede Tekstenrola. 1855; J. J. van Oosterzee. Het jaar des heils. Amsterdam. 1875; J. Krull. Het Christelijk Kerkjaar. Derde Druk, herzien en vermeer­derd door D. Ozinga. Baarn. 1912; J. van Andel. Vademecum Pastorale. Kampen. 1911.

258 Cf. P. A. E. Sillevis Smitt. Johannes de Doper, de wegbereider des Heeren. Amsterdam 1908.

259 J. Bavinck. Feeststoffen. Kampen. 1900. pag. 27.

260 Cf. A. Nebe. Ev. Peri­kopen. I; J. van Andel. De morgenstond van Jezus' leven. Kampen. 1913; J. J. Knap Czn. In de velden van Efratha. Groningen. Iglo; A. Kuyper. Dagen van goede boodschap 12. Kampen. 1922.

261 Cf. J. van Andel. Gewijde Geschiedenis. Nijkerk. 1920; P. A. E. Sillevis Smitt. De Heilige Geschiedenis. Kampen. 1912: J. van Andel. Jezus' leer. Kampen. 1913: R. Stier. Die Reden des Herrn Jesu. 1843-48; J. Ridderbos. Predikende het Evangelie des Koninkrijks. Kampen. 1911: C. E. van Koersveld. De Gelijkenissen van het Evan­gelie. Utrecht. 1887; R. J. W. Rudolph en W. B. Renkema. De Gelijkenissen. Kampen. Doesburg. 1905: J. J. Knap Czn. De Gelijkenissen des Heeren. Nijkerk. 1919: G. Wielenga. De wonderen van de Zaligmaker. Kampen. 1911.

262 P. van der Hagen. Verborgenheyt der Godsaligheyt. Amsterdam. 1677; P. Biesterveld. Van Bethanië naar Golgotha. Utrecht s.a.; A. Nebe. Die Leidensgeschichte. Wiesbaden 1881; J. J. Knap. De man van smarten. Groningen. 1913; J. van Andel. Vademecum past. pag. 105 seq.

263 Cf. A. Kuyper. Dagen van Goede Boodschap II2. Kampen. 1923 ; P. Biesterveld en B. Wielenga. Van Golgotha naar Jeruzalem. Kampen. 1910; A. Nebe. Die Aufer­stehungsgeschichte. Wiesbaden. 1882.

264 Menigerlei Genade. Twaalfde Jaargang. No. 49.

265 Cf. A. Kuyper. Dagen van Goede boodschap III2. Kampen. 1923.; P. Biesterveld en B. Wielenga. Van Golgotha naar Jerusalem. Kampen. 1910 ; G. Wielenga. Paulus in zijn leven en werken. Kampen. 1917.

266 Van Dr. J. G. Geelkerken in Men. Gen. Tiende Jaarg. No. 4. Van D. Hoek in Menigerlei Genade. Elfde Jaarg. No. 3.

267 Cf. Art. van H. Bavinck in H. Beets. Triumfen van het kruis. Kampen. 1915; G. Warneck. Ev. Missionslebre. Gotha 1897. I. pag. 133 seq.; R. H. Woltjer. Het Woord Gods en het woord der mensen. Utrecht. 1913.

268 Cf. A. Kuyper. Onze Eredienst. pag. 301.

269 Cf. P. van der Hagen. Verborgenheyt der Godsaligheyt. Amsterdam. 1677.

270 Het voorbeeld is historisch!

271 Cf. Besluiten der Synodes van de 16e eeuw in Kerkel. Handboekje, ed. Kuyper en Biesterveld, pag. 82, 116. 166.

272 Cf. J. van Andel. Vademecum. Past. pag. 9.

273 Cf. H. Bavinck. Het Christelijk Huisgezin. Kampen. 1908; B. Wielenga. Ons Huwelijksformulier. Kampen 1909; J. van Andel. Vademecum. pag. 94.

274 Cf. J. van Andel. Vadem. past. pag. 142 seq.; A. Kuyper. Dagen van goede boodschap IV2. Kampen 1922.

275 Cf. J. van Andel. Vademecum Pastorale. pag. 135 seq.

276 De Praktische Auslegung des Alten und des Neuen Testaments von Friedrich Niebergall plaatst zich geheel vrij tegenover de betekenis die de auteurs der Heilige Schrift aan hunne woorden hebben gegeven, is geen u i t l e g g i n g van de tekst, en als zodanig in haar geheel voor de prediking onbruikbaar.

277 Knibbe. In orat. sacr.e pag. 17: textum authenticum ante omnia inspiciat, voces ex ipsis fontibus et signi­ficatione communi ponderet et explicet, et phrasiologiam sacram cum vernacula conferat.


278 A. Kuyper. Enc. III pag. 73

279 A. Noordtzij. Korte Verklaring der Heilige Schrift. Het boek der Psalmen I. Kampen. 1923.

280 Cf. F. W. Grosheide. N.T. Exegese. Amsterdam. 1912. pag. 33 seq.


281 Cf. Sincerus. De Kanselontluistering in de Ned. Herv. Kerk tijdens de zeventiende en achttiende eeuw. Amsterdam. 1853: J. Hartog. Gesch. van de Predikkunde. Amster­dam. 1865. pag. 89 seq.; H. Bavinck. De welsprekendheid3. Kampen. 1909. pag. 36 seq.

282 „De exegese zal niet tevreden mogen zijn. eer zij de plaats heeft keren kennen. die een Schriftgedeelte heeft in het geheel.... Is het Nieuwe Testament een eenheid. dan heeft elk der deden een eigen bedoeling ten aanzien van de taak van het geheel. Beoogt het geheel her leven en werken van Christus te prediken aan de Gemeente Gods. dan doet elk gedeelte daaraan mee op een eigen wijze.” F. W. Grosheide. De eenheid der Nieuwtestamentische Godsopenbaring. Kampen tgr8. pag. 33.

283 Cf. Voetlus l.c pag. 615.

284 Hoornbeek. I.c. pag. 238.

285 Knibbe. l.c. pag. 15.

286 Aangehaald bij P. Biesterveld. Calvijn als bedienaar van het Woord. pag. 94

287 Knibbe. l.c. pag. 77. In zijn Kort Onderwijs om een predikatie met order te kunnen horen beantwoordt Knibbe de vraag wat een toepassing is, aldus: Het is een overtui­gende toeëigening van de verklaarde woorden, door verscheidene gebruiken, middelen, beweegredenen en vertroostingen, op de ziel en staat der toehoorderen. Die order heeft Paulus doorgaans gehouden in zijn Brieven, dat hij eerst verklaarde de grondwaarheden der zaligheid, die hij dan tot de praktijk krachtig aandrong.

288 Kuyper. Onze Ered. Pag. 329.

289 Cf. A. Kuyper. Onze Eredienst. pag. 329 seq.

290 Cf. De Wezelsche artikelen van 1568. II. 23.

291 H. C. Voorhoeve zegt in zijn Homiletische Gedachten, 1884, pag. 16 en 17: ,.Die ontdekkend preekt, handelt in de geest van Jezus Christus en van de apostelen, die beiden een scherp onderscheid tussen licht en duisternis, waarheid en leugen, leven en dood, de geest van God en de geest der wereld, kinderen Gods en kinderen des duivels maken. Als dat onderscheid gemist wordt, bevordert de prediker zelfmisleiding, en valse rust en wordt zij daardoor onvruchtbaar.... Ook in de toespraak tot de kinderen Gods mag het ontdekkend element niet ontbreken. Immers op de akker van hun hart groeit nog het onkruid, het welig onkruid der zonde."

292 J. van Andel. Pastorale Brieven. pag. 41 seq

293 Cf. P. Biesterveld. Het Huisbezoek.3 Kampen, 1923. pag. 143 seq.

294 Cf. Th. Elsenhans. Lehrbuch der Psychologie.2 Tiibingen. 1922: F. Jodl. Lehr­buch der Psychologie.5 Stuttgart. 1925: J. Geyser. Lehrb. der allgemeinen Psychologie3. Munster 1920; H. Bavinck. Beginselen der Psychologie.2 Kampen 1923. H. Driesch. Grundprobleme der Psychologie. Leipzig. 1926. Van de overrijke psychologische litera­tuur worden hier slechts enkele werken genoemd, die in kennis brengen met de voor­naamste bronnen.

295 Cf. K. Groos. Das Selenleben des Kindese. Berlin. 1924: K. Buhler. Die geistige Entwicklung des Kindes.2 Jena. 1921: A. van Veldhuizen. Katechetiek. Groningen. 1925; G. Stanley Hall. Adolescente. New-York. 1914; T. Hoekstra. Psychologie en Catechese. Nijverdal. 1916; E. Spranger. Psychologie des Jugendalters. Leipzig. 1925; J. van der Spek. De psychologie van de ouden dag. Zaltbommel. 1925.

296 Cf. G. Heymans. Die Psychologie der Frauen. Heidelberg. 191o; H. Bavinck: De Vrouw in de hedendaagsche maatschappij. Kampen. 1918

297 Cf. J. Schrijnen. Nederlandse Volkskunde. Zutphen. s.a.: A. van Veldhuizen. Praktische Godgeleerdheid. Groningen. 1923. pag. 17 seq.

298 Cf. A. van Veldhuizen. l.e. pag. 28 seq.: W. James. The varieties of religious experience. New-York. 1912; J. G. Geelkerken. De empirische godsdienstpsychologie. Amsterdam. 1909; S. O. Los. Het gevoel in de Heilige Schrift. de Haag. 1922; K. Girgensohn. Der selische Aufbau des religiösen Lebens. Leipzig. 1921: J. Stalker. Christian Psychology3. London. 1914; W. S. Bruce. The psychology of Christian life and behaviour. Edinburgh. 1923.

299 F. van Gheel Gildemeester. Populaire Evangelieprediking. Amsterdam. 1879. pag. 77 seq.

300 Cf. P. Biesterveld. Calvijn als bedienaar van het Woord. pag. 129 seq.

301 Homiletik. pag. 87.

302 The making of the sermon. pag. 53.

303 Homiletiek2. pag. 56.

304 The sermon. pag. 74.

305 Lectures on preaching. pag. 11

306 Het verdient aanbeveling, naast de term „didactische .stof' ook bij de tweede groep de Griekse nomenclatuur te kiezen. .. vermanen, aansporen. Cf. Steinmeyer. l.e. pag. 129.


307 Van .., afgeleid van .., dat overeenkomt met het Latijnse afficere en de inwerking op het emotionele leven aanduidt. In dezen zin komt het voor b.v. bij Clemens Alexandrinus. Men zou deze groep stoffen de afficerende kunnen noemen, maar om de analogie in terminologie verdient de Griekse nomenclatuur de voorkeur. „Mystieke stoffen” is te eng, omdat mystiek betrekking heeft op de gevoelens die in actie zijn bij de ervaring van de gemeenschap met God en in het woord niets ligt van de werking die er van de stoffen uitgaat. De werking wordt wel aangegeven in de benaming „paracletische stoffen”, maar dit begrip is niet ruim genoeg. omdat het alleen op de vertroosting betrekking heeft.


308 Zie boven pag. 46.

309 De doctr. christ. lib. IV.

310 Cf. Hyperius de form. conc. I, 7. H. Bavinck. De Welsprekendheid3. pag. 30

311 Augustinus. De doctr. christ. IV, 12.

312 „Hij [de prediker] moet elke bedenking wegruimen, alle verontschuldiging hun ontnemen, elke weg ter ontkoming afsnijden. Hij heeft ze in de engte te drijven, zodat zij als de Israëlieten noch voor noch achterwaarts, evenmin ter rechter als ter linkerzijde uitwijken kunnen en alleen nog kunnen opzien naar boven, vanwaar de hulpe komen zal.” H. Bavinck. De Welsprekendheid". pag. 44.

313 G. Amesius. Vijf boeken over de consciëntie. Editie Geesink. pag. 42 seq.


314 Steinmeyer. Die Topik. pag.

315 Cf. P. Biesterveld. A. Hyperius, pag. 77.

316 F. Jodl. Lehrb. van de Psychol. Stuttgart. 1916. pag. 354 seq.

317 J. G. Geelkerken. Een en ander over mystiek. pag. 86

318 J. van Andel. Gewijde Geschiedenis.

319 H. Bavinck. De Wijsbegeerte van de Openbaring. Kampen. 1908. pag. 95 seq.

320 Homiletiek. pag. 75.

321 A. Eckert. Die Gemeindepredigt van de Gegenwart. Leipzig. 1914, pag. 134.


322 A. Noordtzij. Gods Woord en van de eeuwen getuigenis. Kampen. 1924. H. Th. Obbink. Oostersch Leven. Nijkerk. 1915; J. Neil. Palestina en de Bijbelt. Kampen. 1920: H. Th. Obbink. Op Bijbelsen bodem. Utrecht 1924; G. Dalman. Orte und Wege Jesus. 1924.
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page