Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page24/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29

24. DE SCHETS.
Voor de literatuur zij verwezen naar de twee volgende hoofdstukken.
Nadat de homiletische bewerking van de tekst geëindigd is en de tekstgedachten voorlopig zijn geordend, volgt, hetzij de bediening van het Woord de vorm heeft van een homilie, hetzij die van een preek, het concipieren van de schets. De diversa membra worden tot een geheel geconstrueerd. Iedere prediker moet de technische gave bezitten, om, als een architect, van het gebouw van de rede een bestek te ontwerpen.

Het is aanbevelenswaardig de schets niet alleen in zijn gedachten te hebben, maar die op te schrijven. Enkele zeer begaafde predikers met een buitengewoon productieve fantasie en een stalen geheugen hebben de schriftelijke fixering niet nodig, maar de meesten zullen dit hulpmiddel niet kunnen ontberen.

Sommige predikers hebben stelselmatig het concipiëren van een schets nagelaten. Nu zijn er, dit wordt aanstonds toegegeven, uitzonderingsgevallen. Het kan voorkomen, dat een dienaar van het Woord plotseling geroepen wordt op te treden en er geen gelegenheid is zich voor te bereiden. Op zulk een moment mag hij vertrouwen, dat de Heere hem op bijzondere wijze in de bediening zal bijstaan. Wie onder dergelijke om­standigheden prediken moet, zal ervaren, dat het vurig gebed om ondersteuning niet onverhoord blijft, en de Heere bekwaammakende genade schenkt. Maar exceptie is exceptie.

Het is ook gebeurd, dat een prediker niet voor de bediening van het Woord gestudeerd had en vrijwel onvoorbereid de kansel besteeg, omdat hij op de weekdagen bijna al zijn tijd en kracht gegeven had aan werkzaamheden, die buiten zijn ambtsgebied lagen. Deze wijze van handelen is zonde voor God; het is een verwaarlozen van de dienst.

Het getal dergenen, die ernstige voorbereiding voor de bediening van het Woord en dus ook het maken van een schets uit principiële overwegingen overbodig, ja schadelijk achten, is niet groot, maar ze zijn er. Men beweert, dat een dienaar van het Woord moet prediken uit de Geest. Hij moet wachten tot de Geest vaardig over hem wordt. Dan treedt hij op als een levend getuige van Christus, heeft beter inzicht in de Schriften dan enig man van studie, en spreekt „van hart tot hart.”

Hiertegen is allereerst op te merken, dat het spreken „van hart tot hart” niet onderstelt het ontbreken van degelijke voorbereiding. Het tegengestelde is waar. Wie zich in een onderwerp heeft ingedacht en ingeleefd, zal, omdat de tekstinhoud het geestelijk eigendom van zijn persoon, dus ook van zijn „hart” geworden is, het best in staat zijn, de weg tot het „hart” van de hoorders te vinden. Voorts begaan de voorstanders dezer theorie de fout, dat zij geen onderscheid maken tussen inspiratie en illuminatie, tussen de profetie, waarbij de Geest rechtstreeks de gedachten Gods openbaart door buitenge­wone verlichting van het bewustzijn, en de bediening van het Woord, die een vertolking is van het in de Heilige Schrift geco­dificeerde Woord bij het licht van de Heilige Geest, dat allen gelovigen geschonken wordt. Het extraordinaire ambt van profeet en het gewone ambt van herder en leraar zijn onderscheiden. Verder wijzen het voorbeeld van Paulus, die voornam wat hij zou spreken, 1 Kor. 2 : 2, en de vermaningen in de pastorale brieven, 1 Tim. 4 : 14 en 15, 5 : 17, 2 Tim. 2 : 15, Tit. 2 : 1 in de richting, dat de dienaar zich moet voorbereiden voor de. bediening van het Woord. Eindelijk brengt het gewicht van de bediening en haar heilig karakter mee, dat de dienaar ernstig het Woord onderzoekt en met inspanning van alle kracht de rijken bodem van de Schrift bewerkt. De schatten liggen niet voor het grijpen. Zelfs een dienaar van het Woord, die plotseling geroepen wordt op te treden en daarom op de bijzondere ondersteuning van Boven kan rekenen, zal in deze onvoor­bereide prediking gebruik maken van de arbeid, die hij vroe­ger aan andere teksten heeft besteed. De Heere werkt in de regel middellijk. Er is tijd nodig, om het voedsel van de Schrift toe te dienen naar de speciale behoeften van iedere gemeente. De dienaar van het Woord moet de graankorrels als brood toebereiden, eer hij de spijze aan de gasten kan voorzetten.


Zo is dus het improviseren of onvoorbereid preken niet in overeenstemming met de waardigheid van de heilige bediening. De oude Gereformeerde homileten keuren het prediken zonder voldoende voorbereiding streng af. Knibbe zegt b.v.: Sicut nullus architectus domum emolitur, nisi prins mente habeat formatam domus imaginem et dispositionem, ita concionator nullam umquam concionem recte habebit, nisi prins mente formatam, et domi diligenter elaboratam habeat. Conciones ergo omnes extemporaneae (nisi in praesenti et inevitabili neces­sitate) sunt evitandae et vituperandae. Voces enim et verba sunt signa eorum, quae mente prius erant concepta, quae si non fuerint praemeditata, quid sunt illae conciones extemporales quam rudis indigestaque moles, scopae dissolutae voces, praetereaque nihil? Si quid, hoc est auditores vento alere, . paleas obtrudere, paleas Aegyptiorum.

De schets bestaat in de groepering van de uit de tekst afge­leide explicatieve en applicatieve gedachten, die in de bediening van het Woord worden uitgewerkt. Men zorge er voor, dat de schets de inhoud van de tekst biedt en geve daarom aan de schets niet een al te constructief karakter. Het is niet goed zó synthetisch te werk te gaan, dat de schets een gedachteschema wordt voor een rede over een onderwerp in plaats van een geordende samenstelling van tekstuele ideeën. Indien het niet anders kan, lijde het technisch-constructieve liever schade, dan dat elementen uit de tekst verwaarloosd of gedachten die buiten de tekst liggen ingevoerd zouden worden.


Hoe schrijver dezes zich een schets voor een preek voorstelt, moge blijken uit een drietal voorbeelden, over Ef. 3 : 1416, 1 Petrus 4 : 17 en 18 en Catechismus Zondag 2.
I. Tekst: Ef. 3: 14-16.

I n l e i d i n g: Wat leeft, groeit, zowel in de natuur als in de genade; toutou charin neemt de draad van 3 : 1 weer op.

T h e m a: Paulus' bede voor de Efeziërs om versterking met kracht in de inwendige mens.

V e r d e l i n g:

I. het gebied van die versterking;

II. het wezen van die versterking;

III. de werkmeester van die versterking;

IV. de mate van die versterking.


I.

A. niet in de uitwendige mens, het lichamelijke.

a. het lichamelijke leven heeft dagelijks versterking nodig.

b. het lichamelijke leven is van minder waarde dan het inwendige, 1 Kor. 13 : 3

B. op het gebied van de inwendige mens.

a. met de inwendige mens wordt bedoeld de geestelijke zijde van onze existentie, Rom. 7 : 22, 2 Kor. 4 : 16.

b. de Heilige Schrift waardeert dit inwendige hoog. Hier liggen de wortels van ons leven.

Opmerkingen.

1. De lichamelijke oefening, op zichzelf van waarde, leidt in de sportmanie tot zondige overdrijving.

2. De meeste mensen zorgen bij zwakheid van de uit­wendige mens door voedingsmiddelen en medische preparaten voor versterking; slechts weinigen zijn op versterking van de inwendige mens bedacht.

3 Hoe staat gij ten opzichte van de verzorging van uw inwendige mens?
II.

A. toevoer van geestelijke kracht.

a. weerstand bieden tegen allerlei zonden en gewilligheid om het kruis te dragen.

b. versterking van kennis, van hoop, van liefde.

B. wijze van ontwikkeling van die geestelijke kracht in ons.

a. als een plant, die door doelmatige bemesting groeit.

b. als een talent, dat door voortdurend gebruik in intensiteit toeneemt.

Opmerkingen.

1. In een tijd van algemeen geestelijke verslapping is versterking met kracht noodzakelijk. Het is de vraag, of we tegenwoordig niet verliezen in de diepte, wat we winnen in de breedte.

2. In deze ernstige tijd is een gezond en krachtig geestelijk leven eis, zal de wereld niet de kerk binnendringen.

3. Normaal geestelijk leven verlangt naar wasdom en sterkte, Ps. 27 : 14.

4. Zalig, door genade een held Gods te zijn. Voorbeelden van die sterken in het Koninkrijk Gods.


III.

A. de versterking komt van de Vader.

a. Die aller dingen Vader is.

(1). In Hem is het volle vaderschap (Patriá). Hij is de Vader van onze Heere Jezus Christus, en de Vader van alles wat bestaat. In Hem liggen de laatste prin­cipia van alle zijn.

(2) Alle vaderschap in hemel en op aarde, onder engelen en mensen, zowel in natuurlijken als in over­drachtelijke zin (vader van kinderen, van leerlingen, van kunstwerken, van grote gedachten) heeft de naam aan het vaderschap Gods ontleend en is er een spiegelbeeld van.

b. Die het voorwerp is van Paulus' gebed.

(1) Paulus is een echte bidder, want hij wendt zich recht­streeks tot Hem, die de bron van alle krachtwerkin­gen is.

(2) Op de ootmoedigste wijze, in diepe afhankelijkheid, buigt hij zich voor zijn God, die hij in Jezus Chris­tus als z ij n Vader heeft leren kennen.

Opmerkingen.

1. God kan eindeloos geven, zonder in kracht te vermin­deren.

2. God is de bron van alle geestelijke kracht. Laat ons geen hulp van mensen verwachten, maar rechtstreeks tot Hem gaan, die zijn volk sterkte en krachten geeft, Ps. 68:36.

3. De houding van het lichaam is in ons bidden geen on­verschillige zaak. In de ootmoedige gestalte drukken we uit, dat wij, hulpbehoevenden, alles van onze God verwachten.

B. de versterking wordt gewerkt door de Heilige Geest.

(1). de Geest van God woont reeds in de Efeziërs, zowel in de uitwendige als in de inwendige mens. Lichaam en ziel zijn tempelen van de Heilige Geest.

a. de aard van dit wonen. Een persoonlijke relatie. We worden niet verzwolgen in de Godheid.

b. het blijvend karakter van, zijn wonen. Cath. Zondag 20.

(2). De Geest van God is de Bron van kracht.

a. Hij beschikt over alle kracht van Christus.

b. Hij past die aan onze harten toe, vooral door een zegen te schenken op het gebruik van de genademiddelen, de prediking van het Woord en de bediening van de sacra­menten.

Opmerkingen.

1. We denken niet genoeg aan de Heilige Geest en leven te weinig in bewuste relatie met Hem.

2. We werken soms de Heilige Geest tegen en bedroeven Hem, door Hem te vergeten en de versterking van ons zwak geloof te verwachten van een bepaalden auteur, van een geliefd predikant, of van een rijk begenadigd Christen.

3. De Geest kent ons beter dan wij ons zelf kennen. Hij weet, waar de versterking in onze inwendige mens het meest nodig is.
IV.

A. naar de mate van de rijkdom zijner heerlijkheid, die openbaar wordt

a. in Gods macht om te geven;

b. in Gods gewilligheid om te geven.

B. naar de mate van dezen rijkdom zal de versterking groot zijn, want

a. een rijk God geeft mild;

b. een genadig God geeft aan wie, als de Efeziërs, alle gave verbeurd hebben.

Opmerkingen.

1. Welk een rijkdom van kracht daalt dagelijks uit God neer in alle regionen van de schepping. Nog groter en heer­lijker is de kracht, waarmee Hij door de Heilige Geest de zijnen begiftigt.

2. De rijkdom van Gods heerlijkheid, ja alle deugden Gods zijn de pleitgronden in ons gebed.

Paulus is een wijs en een moedig bidder.

Dit alles bidt Paulus voor zijn Efeziërs, terwijl hij in de gevangenis is. Welk een herder van de kudde!

De heerlijkheid van Gods genade zij een motief voor ieder, die nog onbekeerd is, om tot de Heere te vluchten.
Slotopmerkingen.

1. Heerlijk, wanneer deze bede wordt verhoord. Dan jubelt Gods kind, Ps. 138 : 3, Ps. 84 : 6.

2. Versterking met kracht maakt niet hoogmoedig, maar ootmoedig.

3. Doel van deze bede is de wasdom van ieder lid van de ge­meente en van heel het Godsgebouw; slaat terug op Ef. 2 : 21 en 22.


II. Tekst: 1 Petrus 4 : 17 en 18.

I n l e i d i n g: Het lijden van de christenen, vs. 12 vv. Het verband tussen vers 16 en vers 17. Niemand schame zich, want het is de door God vastgestelde tijd, dat het oordeel begint, en dit zal veel vreselijker zijn over de goddelozen dan over de rechtvaardigen.

T h e m a: Het oordeel over de rechtvaardigen en dat over de goddelozen, met elkander vergeleken.

V e r d e l i n g:

I. de inhoud van deze vergelijking;

II. de bekrachtiging van deze vergelijking met een aanhaling uit het Oude Testament.


I.

A. het eerste lid van de vergelijking: het is de tijd, dat het oordeel begint van het huis Gods.

a. over wie het oordeel gaat: over de gelovigen, die hier huis Gods genoemd worden, hetgeen wijst op de orga­nische eenheid, het heilig karakter en het Gode gewijd dienen van Gods volk.

b. de aard van het oordeel: bezoeking, die in haar aard samenhangt met de zonden van Gods volk en tot loutering dient.

c. bet begin van het oordeel: De Heere beproeft zijn volk het eerst en op de tijd door Hem als de meest geschikt vastgesteld.

d. de duur van het oordeel: voor de christen individueel tot de dood, voor heel de kerk tot de wederkomst des Heeren.

Opmerkingen.

1. Wie Christus wil volgen, moet het kruis op zich nemen. Bent u gewillig het te dragen?

2. Het oordeel is nodig om het huis Gods zuiver te houden; omdat wij soms afgoden in het huis brengen, is reiniging noodzakelijk.

3. In het individuele leven en in het leven van de kerk komen louteringstijden, waarin de naamchristenen openbaar worden en het goud van de genade in het volk Gods blinkt. In Petrus' dagen ging zulk een oordeel over de kerken in Klein-Azië. Breekt misschien ook voor ons zulk een kairós aan?

B. het tweede lid van de vergelijking: het oordeel over hen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn.

a. over wie het oordeel gaat: over hen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn, d.i. het Goddelijk aanbod van ge­nade in Jezus Christus bewust verwerpen. Over de hei­denen, die nooit het Evangelie hoorden, komt het oordeel in veel lichtere graad, Rom. 2 : 12.

b. de aard van het oordeel: veroordeling en straflijden naar lichaam en ziel.

c. het begin van het oordeel: reeds in dit leven, Joh. 3 : i8; zet zich voort na de dood; en komt in de dag van Christus' wederkomst tot zijn il)os.

d. duur van het oordeel: eindeloos.

Opmerkingen.

1. De bediening van het Woord moet zijn een bedienen van de sleutelen des hemelrijks.

2. Door de algemeen goedheid Gods genieten vele onge­hoorzamen van de weldaden van het natuurlijk leven. Het geestelijk ontbindingsproces werkt echter door.

3. Alle rampen over de volken in oorlog, pestilentie, hon­ger zijn nog maar een begin van de smarten.

4. De Heilige Schrift is sober in haar beschrijving van het eeuwig verderf.

C. de climax in deze vergelijking.

a. door de tegenstellingen: huis Gods - ongehoorzamen, en: beginnen van het huis Gods - einde dergenen

b. door de vraagvorm.

c. door zelf geen antwoord te geven, maar de gevraagde te laten antwoorden.

Opmerkingen.

1. De schrik des Heeren bewege tot het geloof.

2. Laat ons het lijden geduldig dragen. Het gaat voorbij. Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, Ps. 103 : 9.
II.

A. van waar de aanhaling is.

a. uit de Schrift des Oude Testaments.

b. uit Spr. 11 : 31.

c. naar lezing LXX.

Opmerkingen.

1. De apostelen leefden dicht bij de Schriften. Laten wij ons drenken met de Heilige Schrift.

2. Het gebruik, dat de heilige schrijvers van de LXX maken. Organische inspiratie.

B. de inhoud van de aanhaling.

a). het eerste lid van de vergelijking: de rechtvaardige wordt nauwelijks zalig.

(1). dit kenmerkt zijn wandel: dikaios.

(2). dit tekent zijn zware levensbeproeving: mólis, d.i. met moeite, na veel lijden en bezwaren.

(3). dit wijst heen naar uiteindelijke redding.

Opmerkingen.

1. Gods kind is in beginsel een dikaios. De principiële gezindheid, de staat beslist. Welk een vertroosting.

2. De opvatting van „nauwelijks” in de zin van „bijna” is verkeerd. Van Gods zijde is er een ruime ingang in de zaligheid, want Christus is een volkomen Zaligmaker. Toch is de poort eng en de weg nauw, die naar het leven leidt.

3. Verkeerd begrepen teksten kunnen aanleiding worden tot zware geestelijke bestrijding.

4. Het kost de christen veel zieleworsteling al de lasten eenswillens met God op zich te nemen.

5. De betekenis van de christelijke hoop, die naar het einde doet zien.

b). het tweede lid van de vergelijking: de goddelozen worden veroordeeld.

a. over wie het oordeel komt: hendiaduoin.

b. wie het oordeel velt: dezelfde Christus, die Zich in dit leven in het Evangelie als Zaligmaker aanbood.

c. ontzettend karakter van het oordeel: zij zullen voor de Rechter niet kunnen bestaan.

Opmerkingen.

1. In de bediening van het Woord moet op ernstige wijze het oordeel gepredikt worden.

2. Wie tot de erkentenis komt, dat hij in zichzelf een god­deloze en zondaar is, is ontdekt aan zijn diepe val. Dan komt er verlangen naar Jezus.

3. In principe is ieder, die de Heere Jezus niet als zijn Zaligmaker zoekt, ondanks alle fatsoen, bonhomie en religiositeit.

4. Het oordeel over de wereld komt zeker. Men late zich door tijdelijke voorspoed niet verblinden, Ps. 73.

c). de climax in de vergelijking.

a. door de scherpe tegenstellingen.

b. door de vraagvorm.

c. door het antwoord over te laten aan de lezer.

Opmerkingen.

1. De macht van de geheiligde oratorie in dienst van het Evan­gelie.

2. Het ontzettend antwoord op deze vraag wordt gegeven in de dag van de dagen.

C. de bewijskracht van deze aanhaling.

a. Zo sprak God door Salomo in het Oude Testament.

b. Zo is de realiteit in Petrus' dagen.

c. Zo wordt het bevestigd alle eeuwen door. Slotopmerkingen.

1. Alle stemmen Gods, O. en N. Testament, wet en evangelie, rampen en zegeningen roepen tot verootmoediging.

2. Dat de rechtvaardigen volhouden. Het oordeel is heilzaam. Het is een deel van Gods raad. Het lijden is spoedig voor goed voorbij.
III. Zondagsafdeling 2 van de Cate­chismus.

I n 1 e i d i n g. Het is nodig te weten, wie we zijn. Zuivere kennis van onze ellendige staat is het eerste stadium van de heilsweg.

T h e m a. De maatstaf ter beoordeling van onze staat.

Ver d e l i n g.

I. de maatstaf gezocht;

II. de maatstaf beschreven;

III. de maatstaf aangelegd.

I.

A. waar de maatstaf niet te vinden is.



(1). niet in het verstand.

a. dat dwalend is en dus onzuivere maatstaf, Tit. r : 15.

b. dat de diepte van onzen zedelijke val niet kan peilen.

(2). niet in het geweten.

a. dat ons wel zonden doet kennen, Rom. 2 : 15.

b. dat niet onfeilbaar is, Tit. 1 : 15, en door Christus' bloed van de vlekken gewassen moet worden..

Opmerkingen.

1. Bestrijding van Rationalisme en Ethicisme.

2. De maatstaf ligt niet in ons, maar moet van buiten af worden aangelegd.

B. waar de maatstaf wel te vinden is, in de wet Gods, Rom. 3.20.

(1). hoe wij die wet kennen.

a. ze is oorspronkelijk ingeschapen, zodat de mens intuïtief de wet Gods kende en instinctief de wet Gods volbracht.

b. ze is op Sinaï gegeven aan het volk des Verbonds; haar inhoud kennen we uit hetgeen God later door wet en profeten heeft geopenbaard (aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten).

(2). hoe die wet maatstaf kan zijn.

a. zij is, als wet Gods, absoluut recht.

b. zij doet, als wet Gods, ons ondervinden, hoe wij op haar reageren en brengt ons daardoor tot kennis van onzen staat.

Opmerkingen.

1. De volmaaktheid van de Goddelijke wet.

2. De laatste norm van alle recht en zede is in God. Het relativisme op ethisch gebied in onze tijd.

3. Wie de wet Gods betracht, geniet zaligheid; wie haar overtreedt, wordt van het ware geluk beroofd.


II.

A. zij vraagt van ons liefde tot God, Deut. 6 4 en 5, Matth. 22 : 37 v.v.

(1). het wezen van de liefde.

a. drang naar gemeenschap met God.

b. wijden van het leven aan God.

(2). de zielekrachten, die de liefde in haar dienst neemt.

a. alle vermogens, geen enkel buitengesloten.

b. alle vermogens werken in harmonie samen.

Opmerkingen.

1. Het eerste en grote gebod is voor velen het laatste en het kleinste.

2. God vraagt onze persoonlijkheid, een volkomen rechtmatige eis.

3. In het offer komt de liefde tot haar hoogste spankracht.

B zij vraagt liefde tot de naaste, Lev. 19 : 18.

(1). het object dier liefde.

a. de naaste, die ons goed gezind is.

b. de naaste, die ons vijandig gezind is, Matth. 5 : 44 48.

(2). de mate dier liefde.

a. de naaste liefhebben als onszelf.

b. we behoeven niet alle mensen even lief te hebben; Johannes was de apostel, die Jezus lief had.

Opmerkingen.

1. Dit gebod is aan het eerste gelijk, zij vormen saam een eenheid.

2. Dit gebod is niet minder zwaar.

Opmerkingen bij deel II.

1. Christus heeft ons de inhoud van de Goddelijke wet leren kennen.

2. Christus heeft de wet Gods in haar volle lengte en breedte volbracht.
III.

A. de vraag.

a. kunt gij dit alles houden, zodat niets ontbreekt.

b. kunt g i j dit alles v o 1 k o m e n l ij k houden, zodat de Heilige uw levensgedrag en uw gezindheid goedkeurt, als conform Zijn wet.

c. kunt gij dit alles houden, niet: doet gij het, maar: zijt gij er toe in staat, acht gij het mogelijk.

d. kunt gij dit alles houden; het komt op u persoonlijk aan en gij behoeft voor een ander niet te antwoorden.

Opmerkingen.

1. Zware vraag! Een van de zwaarste, die de mens ge­steld worden.

2. We kunnen die vraag niet ontlopen.

3. De christen wil die vraag niet ontlopen, want door genade wil hij weten, hoe ellendig zijn toestand van nature is. Een christen houdt niet van domperij, maar is een kind des lichts. Hij bemint het licht, ook wanneer het de duisternis van zijn hart ontdekt.

B. het antwoord.

(1). de inhoud: neen ik.

a. eerlijk antwoord.

b. beslist antwoord.

(2). de nadere argumentatie.

a. de christen is geneigd te h a t e n, van n a t u r e geneigd te haten, van nature geneigd God en de naaste te haten, Rom. 3:10-20, Titus 3 : 3.

b. de waarheid wordt bevestigd in het leven. In de on­gelovige wetenschap en literatuur, in het publieke leven wordt niet gerekend met God; praktisch athe­ïsme. Ten opzichte van de naaste; Kaïn, de oorlog met zijn gruwelen, voorbeelden om u heen.

Opmerkingen.

1. De natuurlijke mens stemt dit niet toe. Gevoelen van Remonstranten, Modernen, Ethischen.

2. De christen leert dit belijden door genade.

3. Bij ieder die zo zichzelf kent, is de geestelijke blind­heid in beginsel geweken.

4. De ellendekennis neemt bij het klimmen van de jaren en bij de wasdom van het geestelijke leven, toe, Rom. 7 : 14 en 15.

5. Deze kennis is geen grauwe theorie, maar levenservaring. Deze kennis maakt ons niet wanhopig, maar doet ons vluchten tot Christus, die onze Hoop is.

Slotopmerking.

Hoe vreselijk is onze staat, wanneer het licht van Gods wet er op valt.

Hoe lief moesten we de Heere Jezus wel niet hebben, die ons van de ellende verlost en ons van ballingen tot pelgrims maakt naar een beter vaderland.


Nadat de schets is geconcipieerd, gaat de prediker over tot het schrijven van de preek.

Volgens het bestek wordt het huis gebouwd. Het geraamte wordt nu een wezen van vlees en bloed. Sommige predikanten, die nog kort in de dienst zijn, beginnen al met schrijven, voor over de preekstof voldoende is gemediteerd en de schets gereed is. „Zoo menige preek is mislukt, omdat men te vroeg tot schrijven zich zette, en meende, de gedachten zouden met de woorden wel komen”.380 Men moet eerst opschrijven, wanneer de gedachten rijp zijn. Weet de prediker nauwkeurig en omlijnd, wat hij in hoofdzaak zeggen zal, en is de schets af, dan kan tot schriftelijke fixering overgegaan worden.

Het uitschrijven van de gehele preek is in het algemeen' zeer aan te bevelen. Reeds Hyperius381 heeft er op gewezen, dat de voornaamste leraars in de oude kerk de gewoonte hebben gehad hun preken uit te schrijven. Begaafde predikers als Saurin en Van Oosterzee volgden deze methode en erkenden de juistheid van Cicero's raadgeving aan de orator: quam pluri­mum scribere. De meeste homileten van de nieuweren tijd geven eveneens de raad de preek uit te schrijven.

Het is veel beter de preek op te schrijven, dan van een schets te prekenen de ontwikkeling van de gedachten en haar formulering aan het ogenblik over te laten.



  • Ten eerste wordt de inhoud van de tekst nauwkeuriger uitgedrukt, omdat de prediker in de gelegenheid is rustig de gedachten te formuleren en zo nodig correctie aan te brengen. Door de kristallisering van de gedachte in het geschreven woord wint zij aan helderheid en duidelijkheid.

  • Ten tweede komen de delera van de preek onderling tot de juiste proporties. Wie improviseert zal allicht, uit vrees voor gebrek aan stof, het eerste deel te breed opzetten; spoedig blijkt dat er voor het laatste deel weinig tijd zal zijn, soms schiet het er geheel bij in. Wil de prediker toch het laatste stuk even breed voor de gemeente behandelen als het eerste, dan wordt de preek te lang, wat niet gewenst is, omdat het opne­men op psychische weerstanden stuit. Bij het uitschrijven wor­den al deze bezwaren ondervangen. Brede uitweidingen, die de prediker zover van huis brachten, dat hij „tot zijn tekst moest terugkeren”, worden voorkomen.

  • Ten derde zullen taal en stijl beter verzorgd worden. Wie van een schets preekt, kan moeilijk - tenzij hij geheel meester op de wapens is - telkens terugkerende uitdrukkingen en gedachteverbindingen vermij­den. Ten vierde zal de voordracht, door het beheersen van stof èn vorm, veel levendiger zijn. Hoe intensiever de voorbereiding voor de preek, des te vlotter de voordracht. Hiertegen kan niet aangevoerd worden, dat de prediker, die zijn preek uitschrijft, een opstel zal maken, dat de hoorders weinig toespreekt, terwijl de preek van een schets zich onmiddellijk tot de vergaderde gemeente richt en contact met haar verkrijgt. Wie bij het uitschrijven zich zijn gemeente voor de geest stelt en haar in gedachten toespreekt, zeilt deze klip voorbij.

Allicht werpt men tegen, dat de dienaar van het Woord, die iedere week twee preken maken moet, voor het concipieren van een schets en het uitschrijven van de gehele preek de tijd ontbreekt. Wanneer de homiletiek de eisen zo hoog opvoert, brengt zij de prediker dan niet in de noodzakelijkheid ten minste eenmaal per Zondag een preek van een ander te houden of grote stukken uit anderer preken in zijn eigen werk in te lassen?

Deze tegenwerping is niet uit de lucht gegrepen. Het is inderdaad voor predikanten die nog weinig ervaring hebben een zware taak zich iedere week naar behoren voor te bereiden voor de twee preken op zondag. Toch is het niet raadzaam van de boven omschreven eisen iets af te doen. Valt het een predikant in het eerste jaar van zijn bediening te zwaar, dan bestaat toch altijd de gelegenheid door ruilbeurten het werk te verlichten.

Nooit neme hij zijn toevlucht tot het houden van eens an­ders preken. Weliswaar heeft Augustinus aan de predikers in zijn tijd toegestaan de preken van een ander voor te dragen en hebben vele predikers uit de Middeleeuwen zich in dezen dankbare leerlingen van Augustinus getoond. Men moet echter niet vergeten, dat in Augustinus' dagen en in de Mid­deleeuwen sommige predikers op een laag peil van ontwikke­ling stonden, en daarom de raadgeving van Augustinus nog zo kwaad niet was.

De homileten van de nieuwere tijd keuren het houden van andermans preken vrijwel eenstemmig af. Dat het niet meer gebeurt, zal moeilijk iemand durven beweren.

Toch is het niet gewenst, en wel om de volgende redenen.




  • Ten eerste zijn de preken uit vroegere eeuwen minder geschikt, omdat de omstandigheden van de gemeente van toen en nu zo verschillend zijn. Zelfs bij preken van tijdgenoten ontbreekt de locale kleur, die iedere bediening van het Woord moet hebben. Men ondervindt dit in kleine gemeenten, die jaren lang des Zondags door preeklezen gesticht worden.

  • Ten tweede wordt door het voordragen van anderer preken het eigen charisma niet ontwikkeld,382 en de traagheid van geest bevor­derd. De bodem van de ziel wordt al onvruchtbaarder en misschien zo steriel, dat geen enkele oorspronkelijke gedachte meer opschieten wil.

  • Ten derde zal, omdat de prediker in de wapenrusting van een ander optreedt, de voordracht schade lijden. De overtuiging van het eigene en de frisheid van het zelfgevon­dene en zelfbewerkte ontbreken. Unusquisque suorum scripto­rum recitator gravissimus optimusque.383 Verstaat de prediker de kunst in de gedachtegang van een ander zó in te leven, dat hij de preek kan voordragen, alsof het zijn eigen ware, dan is hij meer acteur dan prediker.

  • Ten vierde, omdat de prediker er niet bij zegt, dat hij de preek van een ander voordraagt, pronkt hij met eens anders veren en geeft een schijn van zich, die met het wezen niet overeenstemt.

  • Eindelijk is het in strijd met de waardigheid van des dienaars ambt, zichzelf een testi­monium paupertatis uit te reiken. Wie geen preek kan maken, is ongeschikt voor het ambt van dienaar van het Woord. Het is veel beter eigen werk, hoe eenvoudig ook, te geven, dan een preek met mooie gedachten en sublieme stijl van een ander te houden en de schijn te wekken, dat zij een vrucht is van eigen geest.


Of de prediker dan alles uit zichzelf moet halen en geen enkele gedachte aan een ander ontlenen?

Geenszins. Niemand, ook het genie niet, kan de hulp van anderen ontberen. De Heere heeft begaafde mannen aan zijn kerk geschonken, die met de door hen uit de Heilige Schrift opgedolven schatten geslachten hebben verrijkt. Ieder prediker moet goede woordenboeken en commentaren gebruiken, en gezonde stichtelijke lectuur lezen. Zelfs behoeft hij de preken van anderen niet ongelezen te laten. Evenwel, wanneer hij, om de gemeente des Heeren daarmede te dienen, de ideeën van anderen in zich opneemt, moeten deze zijn geestelijk eigendom worden, zoals ons lichaam de spijze verwerkt en de kracht van het voedsel absorbeert. De ideeën, die hij bij anderen vindt, eigent hij zich zó toe, dat ze zijn geestelijk bezit worden, dat hij op eigen wijze, in eigen taal reproduceert. De ervaring leert echter, dat het niet doelmatig is de preek van een ander te lezen, vóór de schets geheel is gecon­cipieerd. Men verliest zo spoedig eigen gedachtelijn, gaat op het spoor van een ander over, en is in de homiletische constructie zich zelf niet meer, Nadat het eigen concept tot stand gekomen is, kan de prediker, indien hij dit nodig acht, onderzoeken, hoe anderen vóór hem de tekst hebben aangevat en misschien enige correctie in de schets aanbrengen. Wanneer hij de stof die door middel van anderen hem toevloeit, zelfstandig opneemt, blijft de preek een kindeke, dat hij zelf heeft gebaard en dat de trekken van zijn vader draagt.384



Maar ontbreekt de dienaar van het Woord niet de tijd, om naar deze methode iedere week twee preken te maken?

Volstrekt niet, wanneer hij maar het geheim kent van goede tijd­verdeling. Indien des Maandags vaststaat, waarover de vol­gende zondag gepreekt zal worden, bieden de eerste dagen van de week voldoende gelegenheid om de tekst voor de mor­genbeurt te exegetiseren en stofbronnen voor de Catechismus aan te boren. Hij late dan in de eerste helft van de week de preekstoffen op zijn ziel inwerken; hij moet geestelijkerwijze op zijn tekst broeden. Door de tekst uit verschillende gezichts­punten te bezien, gaat deze voor het bewustzijn van de predi­ker al meer leven en - de gedachten beginnen te stromen. De oude homileten noemden als hulpmiddelen meditatio, tentatio, oratio, en deze beproefde methode is nog aanbevelens­waardig. Vooral maakt de geheiligde gebedsstemming de geest vruchtbaar. Ook door lectuur en het raadplegen van het adversariaboek vloeien de gedachten de prediker toe. Na zodanige bevruchting van de geest worden op donderdag in weinige uren de schetsen voor de morgen en middagpreek geboren. De vrijdag en zaterdag zijn na dergelijke voorbereiding voldoende voor het schrijven en memoriseren van de preken.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page