Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page23/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   29

C. Het „Lichaam” van de preek.
Voor de literatuur wordt verwezen naar de onder A en B genoemde werken.

Onder het lichaam van de preek wordt verstaan de grote middelmoot zonder inleiding en slot, dus de verklaring en toepassing van de tekst in eigenlijken zin, d.i. de uitwerking van thema en verdeling.

Onmiddellijk na het noemen van de verdeling begint de prediker met de behandeling van het gedeelte van de tekst, dat in het eerste lid van de verdeling werd opgenomen. Hier is geen inleiding meer nodig; hij steekt direct van wal. Het is een fout van sommige predikers, èn uit principieel oogpunt, omdat zij niet dadelijk de tekst laten spreken, èn uit psycho­logisch motief, omdat het de hoorder veel te veel vermoeit en de opmerkzaamheid verstrooit (te lang gerekte positieve span­ninggevoelens slaan gemakkelijk in negatieve om, verwachting in verveling) , dat zij in het eerste deel weder een inleiding opnemen, aan het verband of soms in het geheel niet aan het verband ontleend.

Bij de ontwikkeling van de delen moet de prediker steeds zijn thema in het oog houden. Wie alleen een thema en verdeling noemt pour acquit de conscience en bij de ontwikkeling van de tekstgedachten zijn thema (en verdeling) vergeet, doet beter de homilievorm te kiezen dan de allures aan te nemen, dat de bediening van het Woord in de vorm van een rede is opgebouwd. Het is juist het grote voordeel van de preek boven de homilie, dat de hoofdgedachte van de tekst heel de bediening van het Woord doordringt. De zachte glans van het thema schijnt door alle deden van de preek heen. Eén machtige gedachte, de hoofdidee van de tekst, wordt in het bewustzijn van de leden van de gemeente ingedragen. Indien de prediker zelf niet door die idee is bezield en zich door deze hoofdgedachte bij de uitwer­king niet laat beheersen, zal er weinig kans zijn, dat zij het geestelijk eigendom van de hoorder wordt.


Van groot belang is, dat de delen van de preek niet los naast elkander komen te staan, maar op zodanige wijze met elkander verbonden worden, dat de eenheid van de tekstgedachte zich in de preek manifesteert. De overgang is een klein, maar gewichtig deel van het lichaam van de predikatie. De delen staan zakelijk met elkander in verband, en dit verband tussen de gedachtecomplexen komt technisch in de overgang tot uitdrukking.

Voorts brengt het karakter van de preek als organisme mede, dat de delen verbonden zijn. De delen van het menselijk lichaam zijn door geledingen aan elkander gehecht; wat de geleding is in een organisme, is de overgang in de preek, n.l. de doelmatige aansluiting van het een deel aan het andere. De overgang is ook van betekenis voor de hoorder, die merkt, dat de dienaar van het Woord zich van het een punt tot het andere begeeft. De apperceptie wordt door geschikte overgangen zeer bevorderd.

Het behoeft geen betoog, dat een overgang kort moet zijn en niet weer tot de lengte van een half deel uitdijen. De prediker moet geleidelijk, als het ware vanzelf, op natuurlijke wijze, tot het volgende deel voortschrijden. De overgang mag evenwel niet in die mate gemaskeerd worden, dat de delen in elkander groeien en zelfs een geoefend hoorder niet waarnemen kan, wanneer de spreker zijn overgang maakt. De overgang is ge­leidelijk èn merkbaar. Stereotype uitdrukkingen, die gedurig herhaald worden, zijn niet geschikt voor overgang. Vooral hier dient het cliché vermeden en met zorgvuldigheid gewaakt te worden tegen afgesleten termen.
De prediker bedient zich dus van verbindingsbegrippen, die de gedachtegroepen van twee onderscheiden en op elkaar vol­gende delen als schakels verbinden. Welke verbindingsbegrippen de prediker in elk speciaal geval kan gebruiken, is door de homiletiek zakelijk niet aan te geven, daar het aantal gedach­tecomplexen talloos is en de verbindingen, die tussen deze bestaan, ontelbaar vele zijn. Soms doet de tekst zelf het verbin­dingsbegrip aan de hand, in andere gevallen is de overgang vrucht van homiletische conceptie. Hier is grote variëteit.

In formeel opzicht kan de homiletiek enkele methoden bieden, die ten dele aan retorica en psychologie zijn ont­leend, en die, wanneer ze niet te schematisch worden toegepast, in de praktijk haar bruikbaarheid bewijzen.



  • Ten eerste het opwerpen van een bezwaar of het stellen van een vraag. Zulk een tegenwerping mag niet al te spits­vondig zijn en zulk een vraag moet een ratio hebben. Het antwoord op bezwaar of vraag wordt zó ingericht, dat het inleidt tot de gedichtengroep, die in het tweede deel in be­spreking komt.

  • Ten tweede het gebruik maken van een beeld. Soms laat zich een gedachte goed illustreren door een beeld of verge­lijking, aan de natuur of het maatschappelijke leven ont­leend. Nadat het tertium comparationis is aangegeven, toont de prediker aan, dat er in het beeld nog een punt van verge­lijking is, n.l. met de gedachte van het volgende deel. Onge­zocht komt de overgang tot stand.

  • Ook kan, ten derde, een enkele maal een vers, liefst een psalmvers, dat de gemeente kent, aan het eind van een deel gereciteerd worden. De reeds behandelde tekstgedachte vindt haar uitdrukking in het eerste deel van het vers, terwijl het tweede gedeelte van het vers tot de stof van het nu volgend hoofddeel leidt.

  • In de vierde plaats bewijst de climax dikwijls uitnemende hulpdienst. De gedachte van het thema is aan het licht getreden in de ontvouwing van het eerste deel, zij zal beter verstaan worden wanneer het tweede deel en allermeest wanneer het derde deel ontwikkeld wordt. De heerlijkheid van Christus kan schitteren bij de beschrijving van zijn persoon, in schoner glans zal zijn heerlijkheid stralen, wanneer de ge­meente daarbij inzicht verkrijgt in zijn werk.

  • Ten vijfde kan een enkele maal de verbinding asyndetisch zijn en de overgang hierin bestaan, dat na een korte pauze tot het volgend deel wordt voortgeschreden. Zulk een overgang kan alleen effect sorteren, wanneer een prediker, die orator is, in het eerste deel met al sterker stijging van de gedachten als het ware een hogen top heeft bereikt, om daarna ineens over te gaan tot het volgende deel. De prediker heeft dan de volle aandacht, en, hoewel er in de gedachtegang een kleine hiatus ontstaat, springt de opmerkzaamheid door de bezielende wijze van prediken, ongemerkt op het volgende deel over, daar de hoorder voelt, dat het voorafgaande deel tot afsluiting is gekomen.

Daar het lichaam van de preek zakelijk bestaat uit verklaring en toepassing van de tekst, is door de homileten gedurig de vraag opgeworpen, of de principiële opvatting van het wezen van de bediening van het Woord ten gevolge moet hebben, dat het lichaam van de predikatie uiteenvalt in twee delen, verklaring en toepassing. Reeds in de zestiende eeuw is onder de Gereformeerden in Nederland over deze vraag gediscussieerd en ook thans heerst onder de homileten en predikers nog geen communis opinio.

De meesten zijn het hierover eens, dat het niet gewenst is eerst afzonderlijk de verklaring van alle delen en daarna de toepassing te geven, omdat dit een, vaak matte, repetitie van de gedachten uit de verklaring in de toepassing ten gevolge heeft. Daaronder lijdt de eenheid van de bouw. Zulk een wijze van handelen loopt uit op de elementaire verdeling, waartegen, gelijk boven bleek, verschillende bezwaren zijn.

Omdat deze bezwaren niet uit de lucht gegrepen zijn, hebben sommige homileten voorgeslagen de toepassing aan het slot van elk hoofddeel te geven. Dus in elk lid van de divisie eerst de explicatie en daarna de applicatie. Deze methode is beter '.dan de vorigé, maar bevredigt niet geheel, omdat zij de bovengenoemde bezwaren alleen tot kleiner proporties terugbrengt. De meestal onnodige herhaling blijft bestaan en het valt moeilijk de explicatieve en applicatieve stukken op een goede, wijze aan elkander te verbinden.

Om deze reden wordt door velen de methode gevolgd, iedere tekstgedachte, die van enig belang is, terstond applicatief te behandelen, en dus elk onderdeel of iedere belangrijke idee on­middellijk na de verklaring op het geestelijke leven van de gemeente te projecteren. Deze wijze van doen is aanbevelenswaardig, daar de herhaling vermeden wordt. Een bezwaar blijft de moei­lijkheid, hoe de applicatie aan de daarna volgende explicatie te verbinden. De preek „loopt” niet altijd. Hiaten zijn bij deze methode niet zeldzaam.

De beste, maar ook de moeilijkste methode is de verklaring terstond in de vorm van toepassing te gieten en de explicatie zó te bewerken, dat zij applicatief van karakter wordt. Dit vereist goede homiletische aanleg en voldoende oefening, maar is toch een ideaal,.waarnaar ieder prediker moet streven. De preek verliest dan elk karakter van een verhandeling, wordt, zoals het wezen moet, een toespraak, en richt zich van het begin af rechtstreeks tot de gemeente, daar de uit de tekst geputte ideeën terstond in de applicatieve sfeer worden getrans­poneerd. Bij deze methode kan het gebeuren, dat de prediker zich in het begin van het eerste deel terstond richt tot het hart en leven van de gemeente. Dit kan voorkomen niet slechts bij teksten van mystieken aard, maar zelfs bij historische stoffen met dogmatische inhoud.367




D. De Inleiding
A. Hyperius. De formandis tont. sacr. Ed. I, pag. 70 seq.; J. Hoornbeek. Vetera et Nova. pag. 231, 267; D. Knibbe. Manuductio in or. sacr. cap. IV et XXI; S. van Til. Methodus concionandi. 1712. cap. II ; A. Schweizer. Homiletik. pag. 294 seq. ; Chr. Palmer. Homiletik. pag. 447 seq.: A. Krauss. Ho­miletik. pag. 481 seq.; F. L. Steinmeyer. Homiletik. pag. 189 seq.; E. Ch. Achelis. Praktische Theologie I13 pag. 253; J. J. van Oosterzee. Prakt. Theol. I pag. 370; A. Vinet. Homiletiek, pag. 305 seq. en 329 seq.; A. Phelps. The theory of preaching. pag. 220 seq., 454 seq.; D. J. Burrell. The Sermon. pag. 111 seq.; M. Reu. Homiletics. pag. 486 seq; N. Cotlarciuc. Homi­letische Formalstufentheorie. pag. 40.

Bij een rede behoort een inleiding, Grieks, prooimion, prooemium, principium, exordium. Ook bij de preek, die bediening van het Woord is in de vorm ener rede, mag de inleiding niet ont­breken. De esthetica eist, dat de preek, als kunstwerk, een afgerond geheel zal vormen. Een abrupt begin is evenals een hiaat schrijnend voor het schoonheidsgevoel. Bona domus ex ipso vestibulo agnoscitur (Augustinus).

De klassieke retorica heeft vooral gewezen op de onmis­baarheid van de inleiding ter wille van de hoorders. Quintilianus zegt, dat het exordium de hoorder moet attentum, doci­lem, benevolum reddere, ut auditorem. quo sit nobis in ceteris partibus accommodatior, praeparemus.

Deze omschrijving van het doel van de inleiding is niet zonder meer toepasselijk op de preek. Het benevolum reddere is in de dienst des Woords overbodig. Een advocaat in Rome moest in het begin van de rede een poging wagen om zijn rechters of het publiek gunstig te stemmen. Daarom begon hij soms met een captatio benevo­lentiae. Maar een captatio benevolentiae hoort in de bediening van het Woord niet thuis.

Wie in de middaggodsdienstoefening Zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus moet verklaren en beginnen zou met een soort van verontschuldiging aan de gemeente, dat hij alweer over het heilig Avondmaal moet preken, zou door die excuses tonen weinig begrip te hebben van hetgeen er leeft in het hart van Gods volk. Het is de ge­meente des Heeren, die in de eredienst samenkomt en van haar wordt met grond verwacht, dat zij welwillend staat tegenover welk gedeelte ook van het Woord van God. De captatio be­nevolentiae mag in de inleiding ook niet in zulk een vorm voorkomen, dat de prediker mededeelt, welke motieven hem geleid hebben tot de keuze van de tekst. De persoon van de prediker blijve in de schaduw.

Wel kan de inleiding dienen om de opmerkzaamheid in actie te zetten en de aandacht te richten op de tekstgedachte. In meer­dere of in mindere mate is de attentie aanwezig bij hen, die door genade naar de Heere en zijn Woord hebben leren vragen. Het is echter dikwijls nodig de potentiële opmerkzaamheid tot actus te doen komen. Een christen is ook op de dag des Heeren, wanneer hij ter kerke gaat, een zondig mens. Som­migen zijn geestelijk traag, het godsdienstig leven van anderen is inge­zonken, weer anderen hebben zich, vóór ze naar de samenkomst van de gemeente kwamen, met aardse beslommeringen bezig gehouden, die ver liggen van het heilig terrein, mogelijk zijn veler gedachten verstrooid. Nu kan een goede inleiding de concentra­tie bevorderen en de geest in zulk een richting leiden, dat de christen recht voor het onderwerp van de tekst komt te staan.


Ook het docilem reddere is als doel van de inleiding niet te versmaden. De meeste hoorders zijn niet in staat zich plotseling in een hun tot dusver vrij onbekend onderwerp te verplaatsen. Velen kunnen zonder preparatie geen vat aan het onderwerp krijgen, de gang van het betoog niet volgen en het geheel van de rede niet in zich opnemen. Wanneer echter het te behande­len thema op doelmatige wijze wordt voorbereid en door de inleiding van het meer bekende tot het minder bekende wordt voortgeschreden, is aan een van de voorwaarden voor doelma­tige apperceptie voldaan. Exordium auditorum mentem ad percipienda sacra mysteria cum fructu praeparat... .368
Eén inleiding is voldoende. Nimium nocet. Onderscheiden oude Lutherse homileten waren voorstanders van het dubbele exordium. Zij schijnen deze methode ontleend te hebben aan Roomse predikers uit de tweede helft van de Middeleeuwen, die gewoon waren eerst een inleidend woord te spreken, vervol­gens de tekst af te lezen en die daarna te verklaren.369

Veel Lutherse predikers deden evenzo, gaven een inleiding, lazen de voorgeschreven perikoop, waarop gezang en gebed volgde, en hielden daarna de preek. De preek zelf moest ook een inlei­dinkje hebben, om van de tekst te komen tot het thema. De eerste inleiding of voorafspraak heette exordium, de tweede werd transitus of accessus genoemd. Het exordium is bij som­mige Lutherse predikers verbazend uitgedijd, het werd een kort preekje over een tekst; bij Spener waren de inleidingen aparte preekjes over vervolgteksten. Van de nieuwere Duitse homileten handhaaft Steinmeyer nog het onderscheid tussen exordium en transitus, hoewel ook hij van oordeel is, dat in de meeste gevallen de voorafspraak kan weggelaten worden.370

Sommige Gereformeerde predikers en homileten hebben aan het dubbele exordium de voorkeur gegeven; bij enkele predi­kers is het blijven bestaan tot de huidige dag. Anderen zijn van oordeel, dat één exordium meer dan genoeg is. Het dub­bele exordium is ten onzent vooral bestreden door W. A. van Hengel, die in zijn Institutio oratoris sacri aldus argumen­teert: ubi duo reperiuntur exordia, non aliter fieri potest, quin vel utrumque ad auditores benevolos attentos docilesque fa­ciendos minus valeat, vel alterum ad id comparatum sit, alte­rum plane supervacaneum.

Aan de klem van dit dilemma is moeilijk te ontkomen. Wanneer één exordium op geschikte wijze tot de preekstof inleidt, is een tweede overbodig.

Hier komt nog bij, dat een voorafspraak, soms een apart preekje over een tekst, in de meeste gevallen verwarrend werkt en de aandacht van de preektekst afleidt, in plaats van die er heen te leiden.

Voorts is het niet gemakkelijk steeds geschikte onderwerpen of teksten voor voorafspraken te vinden, zelfs begaafde predi­kers raken uitgeput.

En eindelijk is het liturgisch niet juist, dat een deel van de bediening van het Woord aan de lezing van de tekst voorafgaat. Wie de preek, naar Gereformeerd prin­cipe, opvat als bediening van het Woord, moet eerst de tekst lezen en daarop de preek laten volgen. Het is zelfs gewenst de preek onmiddellijk na de praelectie van de tekst te laten komen en niet de tekst voor het gebed te lezen, daarna te laten zingen en na het gezang met de preek te beginnen. Dan wordt de preek van de tekst gescheiden, wat litur­gisch niet aanbevelenswaardig is.

Ook mag de prediker niet heimelijk een dubbel exordium binnensmokkelen, door na lezing van de tekst een voorafspraak te houden, vervolgens thema en verdeling te noemen, om dan in het eerste deel een speciale inleiding te geven over het verband, enz. Het is een homiletische fout de inleiding te plaatsen in het eerste deel; zij moet aan het thema voorafgaan.

De juiste methode is dus deze, dat na praelectie van de tekst de preek onmiddellijk volgt; deze begint met een inleiding, die voert tot de hoofdge­dachte van de tekst; zijn thema en verdeling medegedeeld, dan wordt terstond begonnen met de behandeling van het eerste deel. Al deze zaken zijn weliswaar niet van het allerhoogste belang, maar toch niet zonder betekenis. Immers in de formele constructie, in de samenvoeging van de delen, in heel de gang moet uitkomen, dat de preek is bediening van het Woord. De prediker gebruike zijn oratorische gaven, om de gemeente met de schatten van het Woord te verrijken.
Wat de inhoud van de inleiding betreft, kan de homile­tiek materieel niets bieden, daar de inleiding in iedere preek weer anders is, omdat elke preek een eigen inhoud heeft. Wel is de homiletiek in staat ten opzichte van de inhoud metho­dologisch lijnen te trekken. De inhoud van de inleiding mag niet overeenkomen met of dezelfde zijn als een onderdeel van de tekst; dan toch zou de gedachte van de inleiding in de preek herhaald worden en zou de inleiding geen inleiding meer zijn. De inhoud van de inleiding moet verwant zijn aan de hoofdgedachte van de tekst. Deze verwantschap onderstelt verschil, maar tevens zulk een nauwe relatie, dat er als het ware maar één schrede is, om van de inleiding tot het thema te komen.

De verwante gedachte kan vooral op drieërlei wijze gevon­den worden.



  • Ten eerste kan men de verwante gedachte uit het tekstver­band nemen. Is de tekst een onderdeel van een redenering, dan zal de inleiding de hoofdlijn van het betoog in het licht moeten stellen. Wordt een tekst genomen uit het begin van een boek of heeft hij daarin een centrale betekenis, dan dele de prediker in de inleiding iets mede over de hoofdinhoud, de auteur van het boek, de aanleiding tot het schrijven, de plaats in de geschiedenis van de openbaring. Wie over Rom 1 : 17, de hoofdgedachte van de Romeinenbrief, preekt, zal in de inlei­ding zijn hoorders op de hoogte brengen van de inhoud en het doel van de brief, een overzicht geven van het betoog vers 1-16 en zo de overgang maken tot vers 17. Deze methode past echter niet bij preken over teksten van geheel ander genre. Het getuigt van weinig respect voor het auditorium en van ge­brek aan homiletische ontwikkeling, wanneer bij de inleiding van iedere preek naar het vaste recept wordt gehandeld: schrijver van het boek, aanleiding, hoofdinhoud, indeling, enz. Resul­taat is, dat de inleidingen over alle teksten b.v. uit de Efezer­brief ongeveer gelijk worden, het speciaal karakter, dat elke inleiding tot iedere speciale tekstinhoud moet dragen, ver­loren gaat, en de prediking niet beantwoordt aan de eis, die een rechte bediening van het Woord stelt.

  • Ten tweede kan de verwante gedachte ontleend worden aaneen ander gedeelte van de Heilige Schrift, aan een algemeen waarheid, of aan de waarde van een historisch feit. Indien het tekstverband aan de gemeente volkomen duidelijk is, b.v. bij de feeststoffen, of de tekst bijna in geen zakelijke relatie staat tot het onmid­dellijk voorafgaande of het volgende, zoals in de Spreuken wel voorkomt, is deze methode de meest aanbevelenswaardige. De verwante gedachte, uit een algemeen idee genomen, kan op verschillende manieren gevonden worden. Vinet 1) en Palmer noemen tal van categorieën en Krauss 3) geeft er voorbeelden bij. 371

De voornaamste punten zijn al genoemd door S. van Til,372 n.l.

1. a generaliori, een gedachte, waarvan de tekstgedachte een onderdeel is, en die zich dus tot deze verhoudt als genus tot species;

2. a simili, een nevengeschikte idee;

3. a contrario, een tegengestelde gedachte;

4. ab occasione temporis, aan tijdsom­standigheden ontleend, b.v. bij feeststoffen en gelegenheids­preken.



  • In de derde plaats is bij sommige teksten een combinatie van bovengenoemde twee methoden mogelijk, doordat een algemeen gedachte genomen wordt, die aan de tekst verwant is en tegelijk in het aan de tekst voorafgaande gedeelte van het caput domineert. Wie preekt over Rom. 2 : 28 en 29, kan een inleiding concipiëren over de idee schijn zonder wezen, welke, na in het algemeen aangeduid te zijn, uitgewerkt wordt door een overzicht van het tekstverband, 2 : 17-27.

Tenslotte zijn om homiletische, rhetorische en psychologische motieven de volgende eisen aan een inleiding te stellen:




  1. Kortheid. Een vestibule is geen zaal. Monstruosumenim corpus est, cuius caput est nimis longum et latum.373 Een lange inleiding vermoeit en leidt de opmerkzaamheid van de hoofdgedachte van de tekst af. Longa exordia auditoribustaedia adferunt.374 Jonge predikers, die vrezen niet voldoende stof te zullen hebben en daarom de inleiding lang maken, mogen dit in 't bijzonder ter harte nemen. Het gaat niet aan, vast te stellen welk deel van de plaatsruimte in de geschreven preek en van de tijdruimte in de uitgesproken preek aan de inleiding toekomt. Sommige homileten hebben 1/8 genoemd, andere 1/12. Deze getallen zijn betrekkelijk willekeurig, maar hebben toch deze waarde, dat ervaren homileten op kortheid aandringen. Een enkele maal eisen teksten met een moeilijk verband of de tijdsomstandigheden langere inleidingen, maar in de regel moet kortheid betracht worden.

  2. Soberheid. Enkelen zijn in de inleiding van de preek en in het eerste deel bloemrijk van stijl en verheven in de wijze van uitdrukking. Het gevolg is, dat ze in het verdere gedeelte van de preek wat de stijl betreft niet meer kunnen klimmen. Er is geen climax. In het einde van de preek gaat het bergaf. Daarom is het beter in eenvoudige, sobere stijl te be­ginnen.

  3. Nauwkeurigheid van uitdrukking. Wanneer de hoorder in het begin, als zijn aandacht nog niet gespannen is, door onduidelijke of al te beknopte voorstellingswijze naar de gedachten van de prediker moet gaan raden, wordt het hem moeilijk gemaakt verder te luisteren. Daarom moet de prediker hem tegemoetkomen en zijn gedachten zó ordenen en in zulke woorden uitdrukken, dat de inleiding duidelijk en verstaanbaar is. Is de hoorder eenmaal op een bepaald niveau aangekomen en in het milieu van de tekst geleid, dan blijft verder nauwkeurigheid eis; maar die eis is niet zó strin­gent als in de inleiding, daar de hoorder in het midden van de preek, ademende in het gedachteklimaat van de tekst, veel beter dan in het begin onduidelijke woorden op een goede wijze kan interpreteren.

  4. Helderheid van gedachtegang. Deze is noodzakelijk voor heel de preek, maar in het bijzonder voor de inleiding. Zonder sprongen, in rustige logische gang moet de prediker de gemeente het heiligdom van de tekst binnenleiden.

Uit het bovenstaande resulteert in betrekking tot de con­ceptie en de uitwerking van de inleiding, dat hiermede niet eerder een begin kan worden gemaakt, dan wanneer de tekst geheel is geëxegetiseerd, thema en verdeling gevonden zijn, en de preek, zowel wat de verklaring als wat de toepassing betreft, van het begin tot het einde is doorgedacht. Eerst dan overwege de prediker, welke inleiding en welk slot bij deze bediening van het Woord passen.



E. Het Slot.
Voor de literatuur wordt verwezen naar de werken genoemd onder D.

Een goede preek, de bediening van het Woord in de vorm ener rede, heeft niet alleen een inleiding, maar ook een slot. Elke toespraak heeft een einde. Wie uitgesproken is, houdt op. Maar een einde is niet hetzelfde als een slot. Het slot is het sluitstuk van het kunstwerk van de rede; het maakt, dat de rede afgerond wordt en als harmonische eenheid esthetisch behaagt; het kan onder de zegen Gods op de gemeente zulk een invloed hebben, dat de zielskrachten door emotionele motieven in de door de prediker gewenste richting gaan werken.

Het slot is niet identisch met de toepassing. De toepassing is een integrerend stuk van het lichaam van de preek. Tot het misverstand, dat de toepassing tegelijk het slot van de preek is, heeft vooral de gewoonte van oudere Gereformeerde pre­dikers aanleiding gegeven, om verklaring en toepassing scherp van elkander te scheiden, eerst de gehelen tekst te verklaren, en daarna de toepassing van de gehelen tekst als tweede deel of als slot te laten volgen. Het slot werd dus in de toepassing opgelost, of, anders gezegd, de toepassing werd tot een lang slot. Verscheidene Gereformeerde homileten hebben echter staande gehouden, dat het slot een zelfstandig, van verklaring en toepassing onderscheiden deel van de preek is.

De klassieke retorica hechtte grote waarde aan het slot van de rede (epilogus, peroratio, conclusio, cumulus). Dan moest de orator zijn grootste triumfen behalen. Vooral bij de forensische welsprekendheid werd in toepassing gebracht, dat de laatste loodjes het zwaarst wegen. Nadat alle instanties ten gunste van de beklaagde waren aangevoerd, moesten deze als motieven dienst doen, om de wilsbeslissing van de rechters te leiden in een richting, die voor de cliënt gunstig was. De redenaars eindigden in een machtige peroratie, waarin een beroep gedaan werd op de wijsheid, rechtvaardigheid of barm­hartigheid van de iudices.

De retorica van de Antieken onderscheidt in het slot van de rede twee momenten:

1° de recapitulatie van de hoofdpunten,

2° het opwekken of tot zwijgen brengen van de affecten.

Erasmus, die zich in zijn homiletiek dicht bij de klassieke retorica aansluit, neemt deze twee elementen in de epilogus op.375

De oudere Lutherse homileten waren van hetzelfde gevoelen. Hochsttter376 zegt: epilogus, cuius duae in rhetoricis constitui solent partes, enumeratio scilicet et admonitio, quae utraque in conclusione locum reperit. De nieuwere homileten oordelen niet anders.

Steinmeyer377 wil aan het slot ook invloed geven aan de liturgie en het slot van de preek zien opgevat als een praeparatio tot de aanbidding, maar dit standpunt wordt door de meesten niet gedeeld. We vinden de twee elementen van het slot, die de retorica noemde, bij de meeste Lutherse homileten terug.


De Gereformeerde homileten hebben, enkele uitzonderingen daargelaten, deze opvatting als juist erkend. Volgens Hype­rius378 kan het slot bestaan in de herhaling van de voornaamste bewijzen of in het bewegen van de affecten, waardoor de hoor­ders worden opgewekt, hetgeen behandeld is te zoeken of te vlieden. Knibbe379 omschrijft de epilogus als conclusio totius concionis cum emphasi et zelo. Dit is juist gezien.

Het slot van de preek bestaat uit twee elementen:



  1. Ten eerste, recapitulatie van de tekstinhoud. De hoofdgedachte van de tekst wordt nog eenmaal naar voren gebracht, en beschouwd naar de gezichtspunten, welke in de hoofddelen behandeld zijn. In frisse stijl, kort en krachtig, vermeldt de prediker wat de Heere ons in de tekst te zeggen heeft.

  2. Ten tweede wordt deze hoofdgedachte met emphase aange­drongen bij de hoorders. Zelf bezield door de macht van het verkondigde Woord, tracht de prediker in bezielende taal sommige affecten, b.v. vrees voor de dood, tot rust te brengen en andere aandoeningen, b.v. de hoop op het zalige leven, in actie te zetten. De centrale tekstidee wordt met een appel aan het volitio­nele en emotionele leven van de gemeente voorgehouden, en met een afsluitend woord beëindigt hij de preek.

Bij de conceptie van het slot dient de prediker, wat de vorm en de inhoud betreft, op de volgende punten te letten:



  1. Ten eerste. Het slot mag geen nieuwe gedachten invoeren. Het bekende moet in nieuwen vorm herhaald. Wie in het slot tot dusver niet aangeroerde gedachten moveert, leidt de opmerk­zaamheid van de hoofdgedachte af, sticht verwarring in plaats van orde, en bevordert het doel van de bediening van het Woord niet.

  2. Ten tweede. Bij elke preek hoort een slot, dat bij de tekstin­houd past. Hoe meer variatie in de epilogen wordt aangebracht, des te beter. Dezelfde ideeën mogen niet telkens terugkeren. Dit kan niet het geval zijn, wanneer het slot voldoet aan de gestelde eisen. Enkele predikers hebben de niet navolgenswaardige gewoonte, hun preken te doen eindigen in de hemelse zaligheid. Bij zulke haast identieke epilogen, al gewagen ze van het lied van de zaligen voor de troon Gods, verslapt de attentie en komen de religieuze aandoeningen niet in actie.

  3. Ten derde kan in sommige gevallen de idee van de inleiding op zulk een wijze in het slot gereproduceerd worden, dat de hoofdgedachte in helder licht komt te staan. Het behaagt esthetisch, wanneer inleiding en slot op elkaar kloppen.

  4. Ten vierde moet het slot, evenals de inleiding, kort zijn. Er is geen gelegenheid meer voor vertogen. De hoorder is in de stof ingeleid, uiteenzettingen zijn overbodig. In vele gevallen is trouwens de vermoeidheidsdrempel reeds bereikt en de ge­schiktheid tot opname niet groot meer. Het beknopte wordt, vooral in het slot, beter geappercipieerd dan het langgerekte.

  5. Ten vijfde is niet aan te raden, het slot te improviseren. Wat van heel de preek geldt, geldt in hoge mate van het slot, n.l. dat het tot in bijzonderheden overdacht, goed gestileerd en zorgvuldig gememoriseerd moet worden. Zelfs de meest geoefende prediker mag niet op zien komen spelen en de formulering van het slot aan invallende gedachten en aan de stemming overlaten. Het slot van de preek is met het oog op de indruk, die de bediening van het Woord onder Gods zegen zal achterlaten, van te hoog gewicht, dan dat de prediker niet alle aandacht aan zijn conceptie zou wijden. Bij enkele predi­kers is te merken, dat zij door onvoldoende voorbereiding hun stof niet meester zijn; zij kunnen geen goed slot vinden en draaien er al maar om heen.

  6. Ten zesde mag, gelijk de oude Gereformeerde homileten opgemerkt hebben, het slot in bepaalde gevallen pathetisch zijn. Pathos past niet in het begin, maar kan 't, als het echt is, aan het einde goed „doen”. De taal van de inleiding zij sober, maar in het slot, aan de spits gekomen, mag de prediker zich van een rijkere taal bedienen en behoeft hij het verhevene niet te mijden. Evenwel wachte hij zich voor vertoon, opgeschroefdheid en buitengewone expansie van stemgeluid.

  7. Ten zevende geldt bij de epiloog de oude regel: variis modis bene fit. De preek kan eindigen in een vermaning, belofte, bede, betuiging, zegen, doxologie, enz. Ook wat de vorm betreft, moet voor de nodige afwisseling gezorgd; zo nu en dan kan de preek besloten worden met een tekst, spreuk of vers. Onder de beperking, dat aan de strengen eis van de preek als bediening van het Woord geen schade wordt gedaan, zij het de prediker bij het slot veroorloofd zich, overeenkomstig zijn individualiteit, te „laten gaan”.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page