Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


c. De analytisch-synthetische methode



Download 2.06 Mb.
Page22/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   29

c. De analytisch-synthetische methode.

Door sommigen wordt de hier bedoelde methode kortweg de synthetische genoemd. Daartegen zou geen bezwaar zijn, wanneer het begrip synthetisch in de geschiedenis van de homiletiek niet zo eenzijdig was opgevat, als boven is uiteengezet. Analy­tisch-synthetisch drukt uit, wat met deze methode wordt bedoeld. Door analyse worden verschillende gedachten die de tekst bevat te voorschijn gebracht. Deze worden vervolgens zo duidelijk mogelijk geformuleerd. Na zorgvuldige exegese van het context wordt vastgesteld, wat het speciaal karakter is van het Godswoord, dat de tekst inhoudt. Nadat de hoofdinhoud van de tekst is gevonden en in formulering gebracht, wordt nagegaan, welke betekenis de hoofdgedachte met de nevenideeën hebben voor het leven van de gemeente in zijn verschillende schakeringen. Het materiaal voor verklaring en toepassing is dan voorhanden. Daarna doet de orator zijn werk; hij bouwt uit dit uit de Heilige Schrift geputte materiaal een or­ganisch geheel, waarin overeenkomstig de bedoe­ling van de tekst elke gedachte de haar toekomende plaats krijgt. Door de esthetische of artistieke conceptie grijpt de prediker de eenheid, welke de verbindingsgrond van de onderscheiden geledingen is. De nevengedachten van de tekst worden als delen aan het thema gesubordineerd en daarmede organisch verbonden door een begrip van de hoofdgedachte tot fundamentum divisionis te kiezen. De ondergeschikte gedachten krijgen als onderdelen een plaats en de toepassing wordt in elk deel of onderdeel in de verklaring verwerkt. Eerst analyse, daarna synthese. Niets is object van synthese, wat niet door analyse uit de tekst is verkregen.

Op deze wijze tast de prediker niet in het minst iets aan, wat voor een preek conditio sine qua non is. De preek rust op exegese van de gehelen tekst en van elk zijner onder­delen, zij is expositio et applicatie. verbi Dei. Maar tegelijk rekent de dienaar van het Woord met de eis, dat de preek een organisch geheel moet zijn, als rede zijn opgebouwd en voldoen aan hetgeen logica, retorica, esthetica en psychologie vragen. De gemakkelijkste weg om tot het doel van de bediening van het Woord, n.l. de oikodomè van de gemeente, te komen, is deze methode niet, doch de beste is zij wel. Het ideaal zal niemand volkomen bereiken; ieder blijft beneden de eisen, die hij zich zelf stelt. Wanneer de prediker zich echter van jongs af op dit goede pad begeeft, zal het hem al gemakke­lijker vallen het te bewandelen en in de loop van de jaren zal hij in kracht en vaardigheid toenemen.
Indien het soms niet gelukt de gedachten van de tekst naar deze analytisch-synthetische methode te groeperen, vrage de prediker zich af, of de tekst wel goed gekozen is, en of niet uit het verband blijkt, dat er misschien een paar verzen bij genomen moeten worden of dat de tekst minder verzen moet bevatten. In de meeste gevallen komt hij dan de moei­lijkheden te boven en blijkt, dat in de verbreden of versmalde tekst inderdaad eenheid is, en dus ook in de preek eenheid kan zijn.

Mocht het de jonge prediker, wien het in de eersten tijd begrijpelijkerwijze ontzaglijk zwaar valt, iedere week twee preken te maken, ook na het laatstgenoemde procédé, niet gelukken tot eenheidsconceptie te komen, .dan neme hij, wanneer de Zondag al dichter nadert, tenslotte zijn toevlucht tot de analytische methode of, indien het niet anders kan, tot de homilie. Dit blijve echter exceptie.

Nimmer verlieze hij het ideaal uit het oog. Iedere week trachte hij weer het materiaal te bearbeiden naar de beste methode. Nooit vergrijpe hij zich aan de dienst des Woords, door naast (of erger, in strijd met) de tekst een schone rede op te bouwen, die misschien stich­telijk is en velen bekoort, maar niet is explicatio et applicatio verbi Dei. Diajonia tou logou is voor de prediker de alfa en de omega.
In een afzonderlijk hoofdstuk wordt thans de bouw van de preek naar analytisch-synthetische methode besproken.

23. DE BOUW VAN DE PREEK.
Voor de bouw van de preek is allereerst nodig te weten, wat de hoofdgedachte van het Woord van God is, dat aan de ge­meente zal verkondigd worden. De hoofdgedachte van de tekst is het onderwerp van de preek. Dit onderwerp, in het thema geformuleerd, moet de prediker van het begin tot het einde helder voor de geest staan. Het thema bevat in kern de heilsboodschap, die hij tot de gemeente heeft te brengen. Om een goed overzicht te verkrijgen van de door exegese van de tekst verkregen preekstof, is het nodig de materia op een juiste wijze in te delen. Elk lid van de verdeling doet de inhoud van het thema naar een bepaald gezichtspunt kennen. De delen zijn als het ware de geledingen van het organisme van de preek. Het organisme of lichaam van de preek bestaat zakelijk uit verklaring en toepassing. Gelijk in een organisme pezen of schakels zijn, die de een geleding aan de andere verbinden, zo zijn in het organisme van de preek overgangen, die dienst doen als verbindingsleden tussen de delen en de opmerkzaamheid van het een stuk naar het andere merkbaar, maar toch geleidelijk, overbrengen.

Verder moet de prediker zorgen voor een goed exordium, dat de hoorder als het ware bij de hand neemt en hem uit de gedachtesfeer, waarin hij verkeert, heenleidt naar de hoofdgedachte van de tekst. Is de tekst ver­klaard en toegepast, zijn alle delen behandeld, dan volgt het slot en wordt het sluitstuk aangebracht. Zo komt bij de bouw van de preek dus achtereenvolgens ter sprake:


A. het thema,

B. de verdeling,

C. het lichaam van de preek,

D. de inleiding

E. en het slot.

A. Het Thema.
D. Knibbe. Manuductio in oratoriam sacram.s Lugd. Bat. 1697, cap. IV; A. Schweizer. Homiletik. Leipzig 1848, pag. 312 seq.: A. Krauss. Lehrbuch van de Homiletik. Gotha. 1883. pag. 426 seq.; Ch. Palmer. Evangelische Homiletik6. Stuttgart, 1887, pag. 368; Th. Christlieb. Homiletik. Basel. 1893, pag. 290 seq.; F. L. Steinmeyer. Homiletik. Leipzig. Igor, pag. 154 seq.; P. Kleinert. Homiletik. Leipzig. 1907. pag. 162 seq.: F. Niebergall. Prakt. Theol.,. Tubingen. 1919. II pag. 193; A. Phelps. The theory of preaching. NewYork, 1918. pag. 282 seq.; A. E. Garvie. The Christian Preacher. Edinburgh. 1920. pag. 429 seq.; M. Reu. Homiletics. Chicago. 1922, pag. 437 seq.

Zolang de bediening van het Woord in de oude Christelijke kerk de vorm van de homilie had, kon er van een thema geen sprake zijn. Toen echter naast de homilia de Lógos opkwam, had dit tengevolge, dat langzamerhand het thema zijn intrede deed. Onder de invloed van de Scholastiek werd in de Middeleeuwen door velen streng thematisch gepreekt. Aan de tekst werden onderscheiden questiones ontleend en de hoofdkwestie werd als thema geformuleerd. Bij sommigen liep dit hierop uit, dat het thema naar scholastieke methode behandeld en aan de exegese van de tekst niet voldoende zorg besteed werd. De reformatoren Luther en Calvijn schaften de thematische pre­diking af en gaven populaire verklaring van de Heilige Schrift.

Melanchthon werkte weer in de richting van de thematische prediking. Hij zag in, dat door het eenzijdig gebruik van de homilie de bediening van het Woord te weinig aan de eisen van eenheid en overzichtelijkheid beantwoordde. Daarom wees hij in zijn mondeling en schriftelijk onderwijs op de betekenis, die een thema voor de preek heeft. Hij sloot zich voor de bouw van de preek dicht bij de retorica en de scholastieke methode aan en voerde in plaats van de narratio van de antieke retorica de propositio of summa rei in.

De Lutherse homileten van de zeventiende eeuw volgden Melanchthon, die van de achttiende eeuw werden, onder invloed van het Rationalisme, voorstan­ders van de eenzijdig thematische prediking, die in antithese met de tekstuele kwam te staan. Dit is sindsdien bij de Luthersen zo gebleven. Enkelen echter nemen het in de jongste tijd weer op voor een tekstuele prediking met of zonder thema.

De Gereformeerde homileten zijn, generaal genomen, voorstanders van het thema geweest. De homileten uit de zeventiende eeuw, b.v. Hyperius, Hoornbeek, Martinus, namen onder de delen, waaruit de concio bestaat, de propositio op; bij Zepperus en Knibbe is de leer van het thema vrij goed uitge­werkt.

Terwijl de Engelse en Amerikaanse homileten de thematische prediking dikwijls zó sterk op de voorgrond geschoven hebben, dat de tekstualiteit in het gedrang kwam, hebben de Gereformeerde homileten in Duitsland en Nederland over het algemeen getracht het thematische met het tekstuele te verbinden.


Het thema is voor de preek noodzakelijk.

- Ten eerste ter wille van de preek zelf, die een organisch geheel moet zijn. Het is nodig, dat één centrale gedachte de rede beheerst, al haar deden doordringt en als een aroma doorgeurt. De preek mag niet een agglomeraat zijn van onsamenhangende ideeën, maar moet een eenheid vormen, waarin alle delen door het geheel worden bepaald.

- Ten tweede mag het thema niet ontbreken met het oog op de gemeente, die met één grote heilsgedachte moet gevoed worden en onder de indruk komen van de majesteit van die éne idee. Zij is dan in staat haar aandacht op één punt te concentreren en de van verschillende zijden belichte gedachte als eenheid in zich op te nemen. Hat die Predigt nicht einen bestimmten Gegenstand, ober de gehandelt werden soli, dann gibt es gar zu leicht eindruckslosen Stimmungs­brei, zegt Niebergall.352

Losse opmerkingen, onsamenhangende gedachten verstrooien de opmerkzaamheid, verhinderen de con­centratie, veroorzaken dikwijls verwarring in de geest. Ten derde is het thema nodig ter wille van de prediker, die alleen dan een goede rede kan opbouwen, wanneer één grote ge­dachte hem van het begin tot het einde beheerst. Wie zijn stof niet meester is en de gedachten niet systematisch onder een hoofdgedachte heeft geordend, zal niet doelmatig kunnen spreken.

Het wezen van het thema (het gestelde, van tithèmi) ligt niet uitsluitend in het tot uitdrukking brengen van de eenheid van de tekst. Schleiermacher353 en op zijn voetspoor Schwei­zer354 e.a. vatten het thema op als de bepaalde eenheid van de te verdelen stof. Nu is het volkomen juist, dat bij een rede in het algemeen het thema de uitdrukking is van de eenheid van de stof. Deze omschrijving is echter bij de preek onvolledig, daar ook aangewezen moet worden, welke de verhouding is van het thema tot de tekst. Lieten we dit element weg, dan zou de prediker een naar goede orde ingerichte rede over een religieus onderwerp, genomen uit een onderdeel van de tekst, kunnen houden, terwijl de tekst in zijn geheel verder buiten beschou­wing werd gelaten, maar hij zou dan tevens in conflict komen met het wezen van de bediening van het Woord, zoals dit in het principiële deel omschreven is. Beter dan door Schleiermacher is het wezen van het thema gezien door Knibbe, die definieert: propositio est quae statim in initio totius argumenti vel textus summam complectitur, ac tituli vicem habe.355

En nog beter door Steinmeyer, die formuleert: das Thema ist diejenige Formel, in welcher die gefundene Textwahrheit, náher die Substanz van de Predigt, ihren vollen und entsprechenden Aus­druck findet.356

Het thema is de nauwkeurige uitdrukking van de hoofdgedachte van de t e k s t, het is het kort begrip van de tekst. Het is de be­schrijving van de specifieke, kenmerkende gedachte, die in een bepaald deel van de Heilige Schrift, dat tot tekst genomen is, wordt geopenbaard. Het is tegelijk de eenheidsband, die alle gedach­ten van de tekst, en dus van de preek, samenhoudt.357

Hieruit volgt, dat een tekst slechts één thema kan hebben. De predikers kunnen op exegetische gronden er over verschil­len, wat de hoofdgedachte van een tekst is, maar in abstracta is slechts één thema mogelijk, wijl er in een tekst niet meer dan één hoofdgedachte is. Er kan wel variatie zijn in de for­mulering; de één zal dezelfde hoofdgedachte meer dogmatisch, de ander meer exegetisch, een derde meer oratorisch formu­leren. Aan verschil in formulering behoeft niet altijd verschil van inzicht aangaande de hoofdgedachte ten grondslag te liggen. Het is mogelijk bij hetzelfde of ongeveer hetzelfde thema verschillende disposities te hebben. Niemand toch kan een tekst, die goed gekozen is, geheel uitputten in één preek. Dat behoeft ook niet. Gods Woord is zeer rijk. Terwijl in twee of drie verschillende preken over één tekst telkens de ganse tekst verklaard wordt, kunnen in de een preek meer deze en in een andere preek weer andere delen meer in het licht gesteld en breder behandeld worden, wat dan allicht op de aard van de dispositie invloed zal hebben. Maar, tenzij men het heilloze pad van de mottoprediking op wil, kan niet uit dezelfde tekst meer dan één thema afgeleid worden.358


Tevens volgt uit deze omschrijving van het thema, dat het, logisch genomen, een oordeel moet zijn. Een oordeel is een verbinding van begrippen, die voltrokken wordt met het bewustzijn van algemeen geldigheid. Een thema is geen begrip, maar een gedachte, een uitspraak, een bewering, een stel­ling, d.i. een verbinding van begrippen. De tekst zègt iets, is een mededeling Gods, een boodschap tot ons, en zulk een boodschap of mededeling kan nooit vervat zijn in een begrip, maar vindt haar uitdrukking in een oordeel, waarin het een begrip (praedicaat) van het andere (subject) wordt uitgezegd. Deze twee begrippen behoeven niet altijd substantiva te zijn, door de copula esse verbonden. De taal is rijker dan het logische schema. Het ene begrip kan een substantivum, het andere een adjectivum of verbum zijn.

„De biddende Izak” kan een thema zijn, omdat het in zijn wezen een oordeel is. Maar over liefde, gerechtigheid, geloof, hoop, d.i. over begrippen, kan niet gepreekt worden, omdat in een begrip geen gedachte ligt. Een thema is dus wezenlijk onderscheiden van een opschrift, hetwelk zowel een begrip als een oordeel kan wezen. De fout van Krieg 359is dit onderscheid over het hoofd gezien te hebben. Het is mogelijk, dat de taalkundige vorm van een thema slechts uit één begrip bestaat, wanneer we, wat de taalvorm betreft, met een abrupt oordeel te doen hebben. B.v. een preek over het achtste gebod kan een finaal thema hebben in de vorm: Steelt niet! Dit is geen begrip, maar een oordeel, omdat de betekenis van de imperatief is: gij zult niet stelen! Omdat een oordeel een uitspraak, een bewering is, waarvoor geldigheid wordt gevindiceerd, is een vraag geen oordeel, hoewel in de vraag meer dan één begrip voorkomt en ze een verbinding van begrippen is. Niet de vraag, maar het antwoord op de vraag is strikt logisch een oordeel.

Derhalve mag het thema niet een vraag zijn, tenzij de vraag zuiver oratorisch is en een taalkundige vorm voor een oordeel, dat zakelijk een sterke negatie of een krachtige affirmatie aanduidt. Afgezien echter van het logisch bezwaar, volgt ook zakelijk uit het wezen van de bediening van het Woord als een openen en toesluiten van het koninkrijk van de hemelen, dat de hoofdgedachte van de prediking een positieve uitspraak moet zijn en geen vraag (zonder antwoord) kan wezen.
De eigenschappen van het thema zijn reeds kort en zakelijk geformuleerd door D. Knibbe,360 die de volgende Con­ditiones aan de propositio stelt:

1. sit brevis,

2. clare et per­spicuis verbis proposita,

3. ex ipso textu vel materia, non ali­unde petita.

Het Geref. Compendium rhetorices ecclesiasticae bepaalt: propositio sit simplex, nuda, propria, nullo ver­borum vestitu ornata aut superfluo ambitu inflata.
De voor­naamste vereisten, waaraan een thema zowel uit oratorisch en logisch als psychologisch oogpunt moet voldoen, zijn:

1. Het thema moet kort wezen, opdat de hoorders in staat zijn, na het één of tweemaal gehoord te hebben, het in het geheugen te bewaren en de hoofdlijn van de preek te volgen. De beknoptheid mag evenwel geen belemmering zijn voor de dui­delijkheid en evenmin afbreuk doen aan de speciale inhoud van de tekst.

2. Het thema moet helder en duidelijk zijn (ook wanneer de tekst voor de hoorder bij het eerste lezen niet helder en duidelijk is) , zodat de gemeente het thema kan verstaan en geestelijk absorberen.

3. Het thema mag niet te wijd zijn en zulk een algemene inhoud hebben, dat het spe­cifieke van de tekst er niet in wordt uitgedrukt en vele teksten onder hetzelfde thema zouden kunnen worden ondergebracht. Het mag echter ook niet te eng geformuleerd wezen, zodat een essentieel deel van de tekst niet onder het thema zou vallen.



4. De formulering van het thema moet sober zijn. De duide­lijkheid vraagt voor het thema het eenvoudige woord. Daarbij komt, dat in het begin ener rede de taal niet verheven mag zijn, daar anders de oratorische climax niet mogelijk is. Oratorie en beeldenrijkdom zijn bij de formulering van een thema misplaatst. Het voorbeeld van Gerok, die thema met verdeling op rijm bracht, is niet navolgenswaardig. In de regel zal het thema uitgedrukt kunnen worden met woorden, aan de tekst ontleend. In enkele gevallen, b.v. bij zeer kleine teksten, die daarvoor geschikt zijn, zal het thema identisch kunnen zijn met de tekst. Met eigen woorden zal de hoofdinhoud van de tekst geformuleerd worden, wanneer deze tamelijk lang is of van die aard, dat de woorden van de Heilige Schrift bij het eerste horen niet duidelijk zijn.
Het op deze wijze geformuleerde thema behoort aan de ge­meente medegedeeld te worden bij het begin van de preek, na de inleiding. Niet alleen moet de prediker de hoofdgedachte kennen, maar de hoorder evenzeer. Deze moet in korte tijd veel gedachten in zich opnemen, na ze eenmaal ge­hoord te hebben. Voor dit psychisch proces kan hij de hulp van de prediker niet ontberen. In het thema (en de verdeling) is de hoorder de draad gegeven, waarmee hij heel de preek kan volgen. Het thema is een middel om de hoofdinhoud van een bediening van het Woord in het geheugen te bewa­ren. Om dit proces te bevorderen, worde het betrekkelijk lang­zaam en met scherpe dictie uitgesproken. Aanbeveling verdient de hoorder niet telkens met dezelfde woorden op de komst van het thema voor te bereiden.

B. De Verdeling.
A. Schweizer. Homiletik. Leipzig. 1848. pag. 325; F. L. Steinmeyer. Homiletik. Leipzig. 1901. pag. 169; A. Vinet. Homiletiek. Ed. Moll. Tiel. 1875, pag. 261 seq.; Th. Christ­lieb. Homiletik. Basel. 1893, pag. 312; P. Kleinerf. Homiletik. Leipzig. 1907, pag. 170; A. Phelps. The theory of preaching. New-York. 1918. pag. 365 seq.; T. H. Pattison. The making of the sermon. Philadelphia, s.a. pag. 155 seq.; M. Reu Ho­miletics. Chicago. 1922, pag. 456 seq.; F. van Gheel Gildemeester. Populaire Evangelieprediking. Amsterdam. 1879, pag. 104 seq.
De verdeling is evenmin als het thema een vrucht van lieve­lingsideeën van de homileten, maar wordt geëist door het begin­sel van orde, dat in de bediening van het Woord zijn toepassing moet vinden. God is een God van orde en niet van verwarring. Indien het Woord van God in de Heilige Schrift zich kenmerkt door ordelijkheid, zou dan hij, die een dienaar van het Woord is, zich niet onder de tucht van de orde moeten stellen?

  • Ten eerste. Een verward betoog past in de preek niet. De rapsodist is niet geschikt voor prediker. Invallende gedachten, die met elkander geen verband houden, ventileren. is nog geen prediken. Wie geen dispositie heeft, van de hak op de tak springt en dat behan­delt, wat hem voor de geest komt, heeft weinig inzicht in het wezen van de bediening van het Woord en doet te kort aan de eerbied, dien ieder prediker aan het Woord verschuldigd is.

  • Voorts, zal een preek waarlijk een preek en dus een organisch geheel zijn, dan moeten de tekstgedachten zo gegroepeerd worden, dat ze in goede orde ten opzichte van elkaar en van het thema komen te staan. De gedachten worden niet aangere­gen als kralen aan een snoer, maar in een eenheidsconceptie verbonden als leden van een lichaam.

  • Ten derde is de verdeling noodzakelijk met het oog op de hoorders, die eerst dan de preek goed zullen kunnen volgen en, wat de hoofdinhoud betreft, in het geheugen prenten, wanneer zij van te voren in kennis gesteld zijn met de gang, dien de rede nemen zal.

Bij een verdeling zijn drie elementen.



  • Ten eerste is er het dividendum, hetwelk in dit geval de tekst is, waarvan de hoofdgedachte tot uitdrukking komt in het thema.

  • Ten tweede zijn er de membra divisionis, de verschillende tekstgedachten, die zelfstandig naast elkander staan.

  • Ten derde het principium of fundamentum divisionis, waarnaar de verdeling wordt voltrokken. Dit indelingsbeginsel is te ontlenen aan een begrip uit het thema.

Om tot een goede verdeling te komen, die door het beginsel van de logische orde wordt beheerst, dient de prediker reke­ning te houden met de eisen, die de logica stelt. In toepassing op de homiletiek kunnen deze als volgt geformuleerd worden:

1. Geen enkel membrum van de divisie mag met het thema identisch zijn. Een deel mag niet gelijk zijn aan het geheel. Indien één van de delen het gehele thema in zich bevatte, zou er voor andere delen geen plaats meer zijn.

2. Geen deel mag in een, ander deel begrepen zijn, d.i. alle delen moeten in zuivere coördinatie naast elkaar staan, en samen en ieder voor zich gesubordineerd zijn aan het thema. Hetzelfde geldt van de onderdelen in betrekking tot de hoofd­delen. De onderdelen moeten alle onderling gecoördineerd zijn en samen ondergeschikt aan het hoofddeel. Twee delen mogen ook niet identisch zijn of ongeveer gelijk; verschillende formulering mag niet de identieke inhoud van twee delen maskeren.

3. Geen deel mag opgenomen worden, dat niet onder het thema past. Wanneer een gedachte uit de tekst niet onder het thema thuis te brengen is, heeft men het thema verkeerd geno­men; het drukt de hoofdgedachte van de tekst niet uit en moet daarom herzien worden. Ook van de onderdelen geldt, dat alle gedachten bij het hoofddeel ondergebracht moeten kunnen worden.

4. De logica stelt ook tot eis, dat de delen tezamen de stof van het thema moeten uitputten. In de homiletiek is deze regel niet in volle strengheid toe te passen. Niet alle gezichts­punten, waarnaar het thema, zuiver synthetisch, zou kunnen behandeld worden, behoeven in de preek ter sprake te komen, maar wel die, welke de tekst aangeeft. De prediker streve meer naar uitputting van de tekst dan van het thema.


Met de eisen van de logica verbinden zich die, welke retorica en psychologie stellen. In volstrekte onderworpenheid aan de tekst moet de divisie zó genomen worden, dat de preek als rede „loopt” en de ontwikkeling van de tekstgedachten voortschrijdt van het lagere tot het hogere. De preek gelijke op een stroom, die naarmate meer beken er zich in uitstorten, al sneller vliet. Er moet in de preek gelijkmatige en door oratorische visie geleide beweging zijn. Retorica en psycho­logie vragen van de prediker de gedachten zó te groeperen, dat er, zonder maar enigszins de tekst geweld aan te doen, stijging, progressie, climax in de rede is, bij de hoorder de opmerkzaamheid wordt geprikkeld, spanninggevoelens gewekt worden en heel de psyche met al haar functies zó in actie komt, dat het doel van de bediening van het Woord, docere, delectare, flectere, onder de zegen des Heeren bereikt wordt.
Deze eisen van logica, retorica en psychologie zijn for­meel en brengen ons voor het vinden van geschikte verdelin­gen geen stap verder.

Onderscheiden homileten hebben beproefd aan te geven, hoe materieel een verdeling gevormd kan worden.

Ten eerste is er de elementaire verdeling, welke de twee elementen neemt, waaruit iedere bediening van het Woord bestaat, n.l. verklaring en toepassing.

Eerst wordt de inhoud van de tekst uiteengezet en daarna onderzocht, welke beteke­nis, waarde, nuttigheid de tekstgedachte heeft voor de gemeente (hetzij ieder lid individueel, hetzij een bepaalde kerk, hetzij de gemeente Gods over heel de aarde) . Deze elementaire verdeling komt ook voor als een verdeling in drieën, n.l.

1. de verkla­ring,

2. het bewijs of de staving van de tekstgedachte met andere gedeelten van de Schrift of met de ervaring,

3. de toepas­sing.

De elementaire verdeling heeft waarschijnlijk de oudste brieven. Zij was in de oude christelijke kerk reeds bekend; ze is aanbevolen door Gereformeerde homileten van de zeventiende en de achttiende eeuw, die op tekstanalyse sterken nadruk legden, en wordt tegenwoordig door sommigen nog gebruikt, b.v. in een preek van Menigerlei Genade361 over 2 Kor. 8 : 9.

Thema: de wetenschap van de gemeente, dat Chris­tus om harentwil is arm geworden.

Verdeling:

1. de inhoud dezer wetenschap;

2. het nut dezer wetenschap.


Op menige predikant is toepasselijk, wat de Franse Geref. theoloog Chamierus († 1621) schreef: Observarunt nonnulli hunc ordinem, ut semper concionem dirimant in duas partes, quarum prior nudam continet explicationem, altera vero applicationem.362
In bepaalde gevallen is de elementaire verdeling aanbeve­lenswaardig. Bij sommige historische teksten, enkele gelijkenissen en moeilijke plaatsen is het 't best eerst de ganse tekst te verklaren en daarna de toepassing te geven. Het is echter niet goed de elementaire of natuurlijke verdeling in alle of de meeste gevallen te gebruiken.

  • Ten eerste loopt de prediker gevaar in het tweede deel een repetitie te geven van het eerste en de gedachten in dezelfde volgorde te laten terugkeren, alleen met dit verschil, dat ze op de praktijk zijn toegespitst. Zulk een monotone repetitie is niet gewenst.

  • In de tweede plaats zal het eerste deel van de preek, dat verklarend is, zich waarschijn­lijk in hoofdzaak richten tot het intellect van de hoorders, het tweede deel wil de tekstwaarheid laten indringen in wils en gemoedsleven. Daardoor wordt de harmonie van de preek uit psychologisch oogpunt enigszins verbroken. Ook voedt de prediker het kwaad, dat sommige hoorders bij de verklaring weinig attent zijn en de volle opmerkzaamheid aan het tweede, toepasselijke en praktische deel schenken.

  • Ten derde is er bij de elementaire divisie van een verdeling van de stof eigenlijk geen sprake. De stof, die de tekst biedt, wordt in het eerste deel opgenomen, en in dit deel moet toch weer naar een nieuwe indeling gezocht worden. De stof moet op een goede wijze gerubriceerd worden, in overeenstemming met de geledingen van de tekst. Om deze redenen is het geregeld gebruik van de elementaire divisie te ontraden.

Ten tweede komt in aanmerking de grammatische of syntactische verdeling, waarbij de tekst in de grammatische of syntactische bestanddelen wordt ontleed en deze geledingen als delen onder het thema komen.

Meestal wordt deze verdeling toegepast op kleine teksten, waarbij tekst en thema ongeveer gelijk zijn. Men zou de tekst Joh. 10 : 9a, Ik ben de deur, op een dergelijke manier kunnen behandelen door beurtelings op de verschillende woorden de nadruk te laten vallen: Ik ben de deur, Ik ben de deur. Ik ben de deur, Ik ben de deur.

Verwerkt men deze gezichtspunten enigszins synthetisch, dan zou bij het thema Jezus' zelf getuigenis, dat Hij de deur van de schapen is, als verdeling passen:

1. Hij is een doelmatige deur;

2. Hij is een uitnemende deur;

3. Hij is de enige deur;

4. Hij is een blijvende deur.


Een ander voorbeeld zou kunnen zijn de tekst Jer. 31 : 3b: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.

Thema: De eeuwige liefde des Heeren tot Zijn volk, waarbij naar de syntactische be­standdelen van de zin als verdeling zou kunnen komen:

1. het onderwerp van die liefde;

2. het voorwerp van die liefde;

3. de werkzaamheid van die liefde;

4. de nadere bepaling van die liefde.


Al mag het waar zijn, dat de prediker een enkele maal, vooral bij kleine teksten, zich van een dergelijke methode niet zonder vrucht bedienen kan, de grammatische of syntactische verdeling kan in het algemeen geen aanspraak maken op ge­schiktheid.

  • Immers is, ten eerste, niet ieder woord in de tekst van zulk een waarde, dat het begrip, hetwelk door het woord wordt aangeduid, uitgangspunt kan zijn voor het vormen van een hoofddeel. Voor egaliseren moet de prediker op zijn hoede wezen, daar niet alle begrippen in de tekst even belangrijk zijn.

  • Ten tweede krijgt de verdeling licht iets gekunstelds, zoals dat b.v. het geval is in bovengenoemde ver­deling van de tekst uit Joh. 10. De „enigheid” van de deur is niet zonder meer uit het bepalend lidwoord af te leiden.

  • Ten derde zal de synthese de prediker menigmaal ontgaan, wanneer de tekst een volzin is van een tamelijke lengte. Dan let hij wel op de delen, maar niet op het geheel. In bovengenoemde verdelingen is dit gevaar niet groot, omdat ze synthetisch ge­formuleerd zijn, maar de meeste verdelingen van dit soort zijn analytisch gehouden en in dat geval geldt het bezwaar in volle mate.

Ten derde is er de topische verdeling, zo genoemd naar de topoi, loci, gezichtspunten, aan logica, ethica, retorica, psychologie ontleend, waarnaar de tekst wordt inge­deeld. Vele predikers hebben zich van dit genre bediend en het is door menige homileet aanbevolen. De topoi zijn vele, en de prediker heeft slechts te kiezen, welke voor zijn tekst het best past.

Allereerst is er de metaphysische trilogie: oorzaak (aanleiding, oorsprong), wezen (inhoud, karakter), doel (vrucht, gevolg). De ervaring leert, dat deze verdeling, welke onderscheiden variaties heeft, zich bij vele teksten laat gebruiken. Zo kan b.v. de tekst 1 Petrus 2 : 4 en 5 naar dit schema be­handeld worden.

Thema: De gelovigen, gebouwd tot een geestelijk huis Gods.

Verdeling:

1. het fundament, waarop dit huis Gods rust;

2. het karakter, dat dit huis Gods draagt;

3. het doel, dat met de bouw van dit huis Gods wordt beoogd.


Evenzo Efeze 2 : 6 en 7. Thema: De gelovigen door God verhoogd in gemeenschap met Christus Jezus.

Verdeling:

1. het wezen van de verhoging;

2. de grond voor de verhoging;

3. het doel van de verhoging.
Er is veel misbruik van deze verdeling gemaakt, maar het misbruik heft de waarde niet op, die aan deze drie gezichts­punten is toe te kennen. Wanneer een onderwerp naar deze trilogie behandeld wordt, is het wel niet uitgeput, maar zijn toch de voornaamste delen aan de orde gesteld.
Een ander gezichtspunt wordt ontleend aan temporele categorieën, als: verleden, heden en toekomst; vóór, onder, na.

Het kan niet ontkend, dat sommige teksten zich naar dit schema voegen, zonder dat de tekst in het gedrang komt. Een woord van de Schrift als: Ik ben de God van Bethel, Gen. 31 13a, geeft, naar temporele categorieën behandeld, een goede preek. Thema: God openbaart zich aan Jacob vóór zijn vertrek uit Paddan-Aram als de God van Bethel.

Verdeling:

1. deze openbaring met het oog op het verleden;

2. deze openbaring met het oog op het heden;

3. deze openbaring met het oog op de toekomst.


Verdelingen naar ethische categorieën (plicht, deugd, geluk) zijn gemeengoed bij de predikers in het tweede deel van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw. Theere­min was er een voorstander van.
De verdeling kan ook ontleend zijn aan logische categorieën, n.l. van kwantiteit, kwaliteit, relatie en modaliteit.

  • Die van de kwantiteit produceert een verdeling, welke betrekking heeft op verschillende groepen van personen of onderscheiden levensterreinen, b.v. de betekenis van de tekst 1 voor de enkele, 2 voor een kring, 3 voor het geheel; voor kinderen, adoles­centen, volwassenen; voor huisgezin, stad, volk; voor maat­schappij, staat, mensheid.

  • Naar de kwaliteit kan de verdeling de vorm van een dilem­ma aannemen, waarbij in het eerste deel aangetoond wordt wat het niet is, en in het tweede wat het wel is.

De categorie van de relatie kan aanleiding geven tot de bouw van een preek in de vorm van een syllogisme, hetzij disjunc­tief, hetzij hypothetisch, hetzij categorisch.

De modaliteit verdeelt het onderwerp naar mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid.
De topische verdeling komt ook voor in deze vorm, dat de delen ontleend zijn aan enkele termen van de dialectische cate­gorieën: quis, quid, ubi, quando, cur, cum, quomodo.

Het is een feit, dat een topische verdeling dikwijls goede diensten bewijst, omdat menige tekst zich gemakkelijk in een van deze schema's laat passen en het confectiepakje zo goed staat, dat het „aangemeten” schijnt te zijn. Er zijn teksten, wier innerlijke structuur van die aard is, dat geen betere verdeling dan een topische te vinden is. Het gebruik van de topische divisie is dan ook op zichzelf niet verkeerd te achten, mits de prediker er zich voor hoedt haar voor alle teksten te gebruiken en haar algemeen geldigheid te geven.

Daartegen zou in te brengen zijn, dat, aangezien het aantal topoi beperkt is, het gevaar groot is, dat dezelfde verdeling met een beetje andere woorden telkens terugkeert, een verdeling aan de tekstinhoud wordt opge­drongen, die er niet bij past, of een schema wordt aangelegd, waarvoor de tekst geen stof genoeg heeft, zodat niet tekstu­ele stof in de preek moet opgenomen worden. Men maakt dan eerst de hokjes en vakjes en zoekt er daarna de stof voor. Dit is wel naar de aard van een mottoprediking, maar niet in overeenstemming met prediking, die bediening van het Woord wil zijn.

Van Oosterzee, die dikwijls op zeer gelukkige wijze in zijn preken van de topische verdeling gebruik gemaakt heeft, is op dergelijke zandbanken wel eens vastgeraakt. Bij Ps. 73 : 25 en 26 heeft hij tot thema: God, als het enig rustpunt des harten, en tot verdeling: dit rustpunt is

1. onmisbaar;

2. onschatbaar;

3. verkrijgbaar.363

Door deze dispositie komt echter de rijkdom van de tekstgedachten niet tot zijn recht.

Uit het bovenstaande is gebleken, dat, al mag in bepaalde gevallen één van genoemde verdelingen bruikbaar zijn, geen enkele daarvan dienst kan doen als model voor alle of zelfs voor de meeste teksten. Wegens de ontzaglijken rijkdom van de stof, die de Heilige Schrift biedt, en de veelsoortigheid van de tekstmaterie, is het niet mogelijk een materiele verdeling te geven, die als schema op alle teksten past. Een voor teksten geschikte verdelingsmethode moet zich beperken tot het formele, tot het methodische.

Op de volgende wijze zal de prediker het best een goede ver­deling kunnen vinden. Hij beginne niet een thema en verdeling te zoeken vóór de tekst tot in bijzonderheden bestudeerd is. Nadat de literarische exegese is vastgesteld, de homiletische exegese voorlopig tot afsluiting is gekomen, en de prediker de tekst op zich heeft laten inwerken, ontdekke hij, door be­stendige beschouwing van de tekst, welke de hoofdge­dachte is. Is deze in het thema geformuleerd, dan geeft de homileet er zich rekenschap van, welke gedachtengroepen in de tekst aanwezig zijn. In overleg met zijn tekst maakt hij die r aan het thema ondergeschikt en plaatst ze in goede orde. Eerst richt hij dus de opmerkzaamheid op de hoofdgedachte, die de tekst beheerst, en daarna op de nevengedachten, die door de hoofdgedachte, als een band, worden samengehouden. Eerst richt hij zich op de eenheid in de veelheid, en daarna op de veelheid in de eenheid. Zo krijgt elke tekst zijn eigen ver­deling.


Nu kan de wijze, waarop de nevengedachten onder de hoofdgedachte worden gesteld, meer analytisch of meer synthe­tisch zijn. Een analytische verdeling wordt verkregen, wanneer de nevengedachten, die onderling gecoördineerd zijn, tezamen de hoofdgedachte van het thema bevatten, terwijl er verder geen streng logische subordinatie is van de delen onder het thema. In sommige gevallen, b.v. bij langere historische teksten, kan een analytische verdeling aanbevelenswaardig zijn. Wanneer 1 Kon. 18 : 30-39 tot thema heeft: De grote beslissing op Karmel, kunnen de delen zijn:

1. de geloofsmoed van Elia;

2. de machtdaad des Heeren;

3. de belijdenis des volks.


In de regel is een synthetisch gehouden verdeling te pre­fereren, omdat dan in de formulering van de delen uitkomt, dat er logische samenhang tussen het thema en de membra divisionis bestaat. Het thema wordt telkens naar een bepaalde zijde bezien en hiervan is grotere eenheid in de preek het gevolg. De delen worden ondergeschikt aan het thema door één van de begrippen van het thema tot principium divisionis te kiezen. B.v. Joh. 3 : 30, 31 en 32a: De uitnemendheid van Jezus boven Johannes de Doper.

Naar het getuigenis van de Doper komt die uitnemendheid uit in:

1. beider afkomst;

2. beider hoedanigheid;

3. beider levensgang.
Efeze 2 : 19 en 20: De Efeziërs thans in volle gemeenschap met het huis Gods. Verdeling:

1. zij staan in gemeenschap met de bewoners van het huis;

2. zij staan in gemeenschap met de Heer van het huis;

3. Zij staan in gemeenschap met het fundament van het huis.


Efeze 2 : 21 en 22. De gemeente des Heeren, waartoe ook de Efeziërs behoren, een levend Godsgebouw.

Verdeling:

1. de levensbodem van het gebouw;

2. de wasdom van het gebouw;

3. de bestemming van het gebouw.
Welk begrip tot principium divisionis genomen zal worden, hangt af van de tekst, van de visie, die de prediker op de tekst heeft en van het bepaalde doel, dat hij met de preek over de tekst bereiken wil. In de meeste gevallen zal het hoofdbegrip gekozen worden, maar soms is het beter niet het hoofdbegrip maar een ander te kiezen, n.l. wanneer daardoor de tekstgedachten in de verdeling beter tot haar recht komen en de elementen van de tekst op deze wijze in de verdeling een betere plaats krijgen. Zo kan b.v. de hoofdinhoud van 1 Petrus 3 : 15b samengevat worden in het thema: Petrus' vermaning om altoos bereid te zijn tot verantwoording aangaande de hoop, die in ons is.

Het hoofdbegrip is de vermaning. Wordt dit als indelingsbeginsel gekozen, dan zou er een verdeling kunnen komen als deze:

1. de inhoud van de vermaning;

2. de personen, tot wie de vermaning zich richt;

3. de motieven, waarmede de vermaning wordt aangedrongen.

Ieder prediker zal het bij de uitwerking als een bezwaar voelen, dat bijna de gehele tekst onder het eerste deel valt en het derde deel de inhoud aan het verband moet ontlenen. Daarom is het in dit geval beter het begrip de verantwoording tot fundamentum divisionis te nemen, en te verdelen als volgt:

1. het karakter, dat deze verantwoording draagt;

2. de personen, aan wie deze verantwoording gedaan wordt;

3. de wijze, waarop deze verantwoording behoort te geschieden.
De volgorde van de delen is voor een goede conceptie van de preek en voor de apperceptie door de hoorders van groot belang. Bij de aanschouwing van een kunstwerk, b.v. een schil­derij of een monumentaal gebouw, krijgt men een totaalindruk door coëxistentie in de ruimte, welke indruk zich verbijzondert door beschouwing van de delen. Een preek echter beweegt zich voort in de tijd, kent alleen successie van de delen en komt als organisme, als kunstwerk eerst na het aanhoren van alle delen voor de geest van de hoorder te staan. Daarom kan er bij de predikers niet sterk genoeg op aangedrongen worden, dat de gedachten in goede orde op elkaar volgen en op doelmatige wijze met elkander verbonden zijn.

In de meeste gevallen is de gang van de preek dezelfde als die van de tekst. Soms echter, b.v. bij didactische stoffen, is het raadzaam een streng logische indeling te nemen, door eerst over de inhoud van het hoofdbegrip en daarna over nevenkenmerken te handelen. De strikt logische volgorde van de delen is niet altijd door te voeren, daar in sommige gevallen de exegese van de tekst geheel op de achtergrond zou komen. Het is bijzonder aanbevelenswaardig de volgorde zo te nemen, dat de gedachten stijgen en aan oratorische en psychologische eisen wordt voldaan.

Het getal van de delen is niet a-priori te bepalen. De meeste ho­mileten zijn van oordeel, dat het getal niet te groot moet zijn. Reeds Erasmus schreef: vitanda enim semper est, quantum fieri potest, partium turba.364

Het Compendium rhetorices ecclesi­asticae van de oude Gereformeerden geeft de regel: partitio primaria maxime tria quatuorve membra non excedit.365

Met een goed psychologisch motief heeft S. van Til een klein getal delen aanbevolen: ut partes sint, quantum fieri potest, pau­cissimae, ne potius confusionem quam distinctionem in audi­toribus excitent.366

Steinmeyer beschouwt de dichotomie als de normale, Marheineke neemt het, onder Hegels invloed, voor de trichotomie op. Van Oosterzee heeft in zijn preken soms vijf a zes delen, Claus Harms durft tot acht gaan.


Nu kan van tevoren, tenzij men de tekst in een korset wil insnoeren, niet vastgesteld worden, hoe groot het aantal delen zal zijn. De prediker moet met de wijze raadgeving van de oude Gereformeerden rekening houden, dat het aantal delen niet groot mag wezen, omdat het kerklid moeilijk vele delen bij het eerste horen of zelfs ook na het tweede horen onthouden kan, verwarring ontstaat en de opmerkzaamheid verslapt, dewijl de draad ontglipt. Meer dan vijf delen moeten, tenzij in zeer bijzondere gevallen, niet in een preek voorkomen.

In de formulering van de delen worde de regel betracht, dat eenvoud het kenmerk is van het ware. Stijlbloemen zijn (uitzonderingen daargelaten) in de verdeling contrabande. Een verdeling in sobere woorden, zo mogelijk met allitteratie, kan de hoorder gemakkelijk en snel opnemen.


Wat de symmetrie van de delen betreft, men kan niet eisen dat ieder hoofddeel een gelijk aantal onderdelen zal hebben, en elk onderdeel een gelijk getal ideeën. Orde is goed, maar een constructie, die tekstgedachten ter wille van de symmetrie ver­waarloost en buiten de tekst liggende stof opneemt, is te ver­oordelen. Symmetrie is uitnemend, maar ze mag nooit in con­flict geraken met de eis, dat de prediking is bediening van het Woord.

De symmetrie vraagt niet, dat alle delen in de uitwerking even lang zijn. Het belangrijke moet een brede plaats ontvan­gen. Veelal kan het eerste deel wat breder uitgewerkt zijn en het laatste korter wezen, omdat hier vele zaken ondersteld kun­nen worden, die in vroegere delen of in de inleiding reeds ter sprake kwamen. Daarbij komt, dat de hoorder van het eerste deel een korte samenvatting in zijn bewustzijn heeft. Wordt het laatste deel nu breed uitgewerkt, dan schijnt hem dit onwil­lekeurig in vergelijking met het eerste zeer lang, en de aandacht verslapt. Daarom moet in het laatste deel niet herhaald wor­den, wat vroeger is gezegd. De prediker moet fris blijven tot het eind. In de meeste gevallen is het uit psychologisch oogpunt het beste, dat de lengte van de delen evenredig is aan de volgorde. Het eerste het langst, het laatste het




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page