Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


B. Ten opzichte van de fórmele behandeling is het volgende van belang



Download 2.06 Mb.
Page20/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   29

B. Ten opzichte van de fórmele behandeling is het volgende van belang.

Ten eerste, omdat de heilige geschiedenis g e s c h i e d e n i s is, moet ze verhaald worden. Bij een historische stof mag de prediker niet veronderstellen, dat de verklaring overbodig is en hij dus dadelijk tot,de toepassing kan overgaan. Geschiedenis moet verhaald worden, en dit verhalen is reeds ten dele verklaring. Steinbeck326 acht de methode verkeerd om het verhaal van de tekst in de preek te repeteren en hij voert voor dit gevoelen de volgende twee argumenten aan:

1°. De gemeente kent de Bijbelse geschiedenis van haar prille jeugd af. Zij hoort het te behandelen deel van de geschiedenis als Lektion aan het altaar of als tekst voor de preek. Wanneer de geschiedenis in de preek wordt verhaald, zal de belangstelling van de gemeente niet gewekt worden en loopt men gevaar, dat zij zich verveelt.

2°. Wanneer de gemeente in spanning gehouden moet worden. doordat de prediker op moderne wijze de geschiedenis uitbeeldt en haar op vrije manier opsiert, dan is zulk een spanning niet de ware. De hierdoor gewekte belangstelling is esthetisch of historisch van karakter, maar niet van religieuze aard.

Deze argumentatie van Steinbeck is niet steekhoudend.

Ten opzichte van het eerste bezwaar zij opgemerkt, dat, zo de prediker na ernstige voorbereiding de geschiedenis verhaalt, menige hoorder tot de erkentenis zal komen, dat zijn kennis onvolledig en onjuist was. Terwille van de waarheid is verha­len van de historie noodzakelijk. Door onbekendheid met het Oosters milieu en oppervlakkig lezen ontstaan bij velen onjuiste voorstellingen.

Ten opzichte van het tweede punt moet Steinbeck toegestemd worden, dat het religieuze niet bij het esthetische en historische mag achterstaan en van een opsieren en „vrij” behandelen van de historische gegevens geen sprake mag zijn. Zo de prediker een Schriftgelovig man is, die in de historie openbaring Gods ziet, zal hij zijn fantasie inbinden en de hoogste soberheid bij het verhalen betrachten. Verhaalt hij de geschiedenis met gebruikmaking van allerlei historische gegevens, en overgiet hij door de literarische inkle­ding het verhaal met esthetische glans, dan zal de historie op de hoorder indruk maken, en vermeerdering van kennis en ontwikkeling van de subjectieve religie ten gevolge hebben. De methode van verhalen is ver te verkiezen boven die, welke door Steinbeck voorgeslagen wordt, en hierin bestaat, dat het verhaal wordt gebruikt als uitgangspunt voor praktische gedachten en de geschiedenis slechts middel is tot bereiking van een doel, n.l. de Erbauung; wir bleiben nicht an ihr kleben, aber wir entfernen uns auch nicht so weit von ihr, dass wir sie aus de Augen verlieren. Steinbeck acht de heilige geschiedenis van te geringe waarde, daar ze hem slechts middel is tot de vor­ming van praktische gedachten, erkent haar niet voldoende als openbaring Gods, en verzwakt daardoor de betekenis die de prediking heeft als bediening van het Woord. Omdat het Woord ook in de vorm van geschiedenis tot ons komt, moet het Woord naar de aard van de historie behandeld, d.i. in aaneenge­schakelde orde van de feiten verhaald worden.
Ten tweede worde de geschiedenis zoveel mogelijk aan­schouwelijk voorgesteld. Op plaatsen, waar de Heilige Schrift daarin voorgaat, mag de tekening een dramatisch karakter vertonen. Het is goed, wanneer de prediker door woordkeus, zinsbouw en intonatie zó schildert, dat de hoorders zien, hoe Abram en Izak de berg Moria opgaan. Elia in zijn boetekleed ijvert op de Karmel voor de ere van JHVH, Israëls God, de apostelen hun vissersbedrijf uitoefenen op het meer Gennesa­reth en de Heere Jezus de voeten zijner discipelen wast in de Paaszaal. Voorzichtigheid is hier eis. De prediker verwijdere zich niet van de vasten bodem van de realiteit.

Hij late zijn fantasie niet spelen en wekke geen esthetische genie­ting, zonder dat de zielen gesticht worden. De aanschouwelijke beschrijving is middel tot het doel van de bediening van het Woord. De oikodomè van de gemeente. Wat vreeslijk is of afschuw verwekt worde niet op realistische wijze in finesses voorgesteld, b.v. de ondergang van Sodom en Gomorra of de plaag van de melaats­heid. Immers óf de negatieve affecten komen in te sterke bewe­ging, óf het literarisch schoon van het realisme bekoort, en in beide gevallen schiet de prediker het zuiver religieuze doel van de Evangelieverkondiging voorbij.


Ten derde houde de dienaar van het Woord de hoofdgedachte van het verhaal van het begin tot het einde vast. Terwijl de geschiedenis wordt verhaald, is hij in de gelegenheid opmerkin­gen te maken, levenslessen te geven, door aan personen of ge­beurtenissen beschouwingen vast te knopen, die voor de hoorder van belang zijn. Hij geeft deze observaties als het ware en passant. De hoofdidee, die, indien mogelijk, ook in het thema tot uitdrukking komt, houdt hij steeds voor ogen, laat die door heel de preek heen werken en past ze aan het slot in haar volle breedte en diepte toe. Wie in een historische stof geen hoofdgedachte ziet of haar bij de ontvouwing kwijtraakt. knipt de tekst in stukjes, laat de geschiedenis in brokstukken uiteenvallen en verliest de eenheid. Zal onder de zegen Gods de preek geappercipieerd en de geschiedenis in haar betekenis verstaan worden, dan moet er eenheid zijn in de preek en de hoofdidee zowel de verklaring als de toepassing beheersen.

B. De gelijkenissen
G. Heinrici. Art. Gleichnisse in P.R.E.; A. Jülicher. Die Gleichnisreden Jesu. 1910; H. Weinel. Die Gleichnisse Jesu. 1910 ; Commentaren van Grosheide. Zahn en Strack-Biller­beck op Matth. 13 ; M. Reu. Homiletics. pag. 377; E. Ch. Achelis. Lehrb. d. prakt. Theol. II3. pag. 171; Joh. Steinbeck. Lehrb. van de kirchlichen Jugenderziehung. 1914, pag. 193.

Knibbe rekent de gelijkenissen, wat de homiletische behan­deling betreft, tot de historische stoffen: concio historica est, quae continet rem gestam a u t p a r a b o 1 a Veteris vel Novi Testamenti.327

Deze opvatting is onjuist, omdat historie en parabel wezenlijk onderscheiden zijn. De geschiedenis is reëel en heeft betekenis voor de daarin optredende personen zelf, een gelijkenis is verdicht en dient tot onderwijzing van hen, die ze horen. De geschiedenis, die in de Heilige Schrift wordt verhaald, biedt stof tot lering zowel in haar geheel als in haar onder­delen, bij de gelijkenis dient de hoofdstrekking van het verdichte verhaal tot lering, die de auteur van de gelijkenis geven wil; de onderdelen mogen slechts in zoverre overgebracht worden, als opzettelijk wordt aangegeven. De bijzonderheden zijn meestal voor de strekking van de gelijkenis van onderge­schikte betekenis. Omdat een historie van geheel anderen aard is dan een gelijkenis, is de homiletische behandeling van die twee onderscheiden. Indien geschiedenis en gelijkenis in de behandelingsmethode onder één hoofd komen te staan, wordt óf de historie óf de parabel onjuist geïnterpreteerd.
De gelijkenis is onderscheiden van de allegorie. Beide gaan uit van de gedachte, dat er verwantschap is tussen de zichtbare en de onzichtbare dingen, tussen de lagere sfeer van het materiele en de hogere sfeer van het ideële. De twee sferen zijn wezenlijk onderscheiden, maar krachtens de schepping door de Drieënige God zó verwant, dat het ideële zijn uitdruk­king kan vinden in, en in analogie gesteld kan worden met het materiele.

In de gelijkenis en in de allegorie wordt een overeenkomst tussen het rijk van het zichtbare en van het on­zichtbare voorgesteld, de orde in de wereld van de onzichtbare dingen wordt verklaard en verduidelijkt door een voorgestelde orde in de wereld van de zichtbare dingen.

Tussen de gelijkenis en de allegorie is hetzelfde onder scheid als tussen de vergelijking en de metafoor. De verge­lijking stelt twee begrippen, één uit de materiele wereld en één uit de ideële wereld, naast elkaar en vergelijkt die twee met elkander op een speciaal punt. Wanneer de Heere Jezus tot zijn discipelen zegt, dat ze oprecht moeten zijn als de duiven en verstandig, fronimoi, als de slangen, is deze redefiguur een vergelijking; slechts in één bepaald punt worden de discipelen met duiven en slangen vergeleken. Het is niet geoorloofd zulk een vergelijking „door te trekken” en andere caracteristia van genoemde dieren op de discipelen van Jezus over te brengen.

De metafoor daarentegen gaat veel verder en maakt de overeenkomst tussen begrippen uit de zichtbare en de ideële we­reld zó innig, dat het een komt te staan in de plaats van het andere. De Heiland zegt van de Farizeeën, dat ze de huizen van de weduwen opeten, d.i. zich het gehele en meest onmisbare bezit van de weduwen toe-eigenen.

Nu is een gelijkenis een uitgebreide en verbrede vergelijking, een allegorie is een uitgebreide en verbrede metafoor. In de gelijkenis wordt een rij van verhoudingen uit de natuur of uit de maatschappij onder een zeker gezichtspunt vergeleken met een rij van verhoudingen op ideëel gebied, b.v. op religieus terrein. Dit gezichtspunt moet steeds in het oog gehouden en de bijzondere trekken mogen niet worden „overgebracht”, tenzij deze met de algemeen strekking van de vergelijking rechtstreeks samenhangen. De allegorie daarentegen plaatst de twee rijen in veel inniger verband, de rij van momenten uit de natuur of het maatschappelijke leven wordt in de plaats gezet van de rij van de ideële dingen of gedachten. Hier kan elke trek die in de samenhang past, worden overgebracht.

„Bij de allegorie beheerst het geestelijke alles, het is niet slechts uitgangspunt, maar het wordt beschreven zonder meer, alleen niet in woorden, die bij het geestelijke passen, maar in woorden aan het natuurleven ontleend. Het natuurbeeld wordt niet uitgewerkt, niet afgemaakt, niet zó beschreven, dat wat in de natuur hoofdzaak is, ook in het middelpunt komt, maar elke geestelijke trek wordt geopenbaard in een natuurlijke. Daarom kan bij de allegorie alles worden overgebracht. Bij de gelijkenis is het anders, daaraan ligt ten grondslag een algemeen gelijkheid, een gelijkheid in de hoofdzaak tussen het geestelijke en het natuurlijke. Dit heeft ten gevolge, dat de een maal veel meer kan worden overgebracht dan de andere. Bij de gelijkenissen wordt het beeld uitgewerkt, zodat we een min of meer volledig natuurtafereel ontvangen. Men heeft zich steeds af te vragen, is deze of gene trek noodzakelijk voor het beeld. noodzakelijk om het verhaal het verhaal te doen zijn.” F. V. Grosheide. Het Heilig Evangelie volgens Mattheus. Amsterdam. 1922. pag. 388/9.


In de redevoeringen van de Heere Jezus komen veel ge­lijkenissen, parabolai, voor. Parabplè is doorgaans bij de LXX de vertaling van het Hebr. masjal. Het Oud Testamen­tische masjal is een begrip dat tamelijk wijd van omvang is.328 Een masjal bestaat uit een zin, die een nevenstelling van twee verhoudingen bevat, één uit de materiele (hetzij uit het natuur hetzij uit het economische leven) en één uit de ideële sfeer, waarbij de eerste de tweede verzinnebeeldt en verduide­lijkt. Het latere Jodendom heeft zich van deze in de Chokma­literatuur veel voorkomende masjal bij de onderwijzing be­diend, hetzij in de vorm van de gelijkenis, hetzij in dien van de allegorie. De Joodse leraars omstreeks het begin van onze jaartelling namen ter illustratie van hun onderwijs bij voorkeur een gelijkenis.329

Wat het formele betreft is dus de ge­lijkenis niet een door de Heere Jezus voor het eerst gebruikte en door Hem ingevoerde redefiguur. Wat de inhoud betreft onderscheiden de gelijkenissen des Heilands zich wezenlijk van die van de Joodse leraars, omdat Hij door Zijn gelijkenissen de verborgenheden van het koninkrijk van de hemelen bekend maakte. Het verdient de aandacht, dat de Heere Jezus Zijn prediking niet begonnen is in de vorm van de gelijkenis. In eenvoudige, voor ieder verstaanbare woorden heeft Hij de geheimen van het koninkrijk van de hemelen aan de mensen verkondigd. Maar de schare nam Zijn prediking niet aan. Zij hadden oren, maar hoorden niet; ze hadden ogen, maar zagen niet. En daarom koos de Heere Jezus, vóór het tot een definitieve breuk kwam, een anderen vorm van de rede, opdat zij daardoor de dingen, die het koninkrijk van de hemelen aangaan, zouden leren kennen. Daarom, om deze reden, spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen noch ook verstaan, Matth. i 3 : 13.330 De schare heeft ook de prediking in gelijkenissen niet ter harte genomen. Maar de discipelen hadden ogen die zagen en oren die hoorden. Hun was het gegeven de verborgenheden van het koninkrijk van de hemelen te weten.



Nadat de Heere Jezus hun enkele gelijkenissen had verklaard, konden zij de volgende gelijkenissen zonder nadere explicatie begrijpen. Op de vraag: Hebt gij dit alles verstaan? antwoordden zij: Ja, Heere. Nu, als schriftgeleerden in het koninkrijk van de hemelen onderwezen, die zelf deel hadden aan de goederen van dat rijk, waren ze geschikt het Woord tot anderen te prediken en huisheren te zijn, die uit de schat nieuwe en oude dingen voortbrengen, vers 54.
In overeenstemming met hetgeen over het wezen van de gelijkenis is gezegd, moet bij de behandeling in de bediening van het Woord het volgende in acht genomen worden.


  • Ten eerste is voor de homiletische interpretatie dikwijls van groot belang, dat rekening gehouden wordt met de aanleiding, die er voor de Heere Jezus bestond, zich op een bepaald ogen­blik van een gelijkenis te bedienen. Niet altijd wordt de aanleiding medegedeeld, maar indien de Heilige Schrift er gewag vin maakt, is ze van waarde voor de uitlegging, omdat de gelijkenis onder een bepaalden gezichtshoek komt te staan en door de verbijzondering de stof verrijkt en de juistheid van uitlegging bevorderd wordt. Zo zijn de gelijkenissen in cap. 24 en 25 van het evangelie, naar Mattheus te belichten met het feit, dat de discipelen aan Jezus de gebouwen van de tempel tonen en de Heiland voorzegt, dat geen steen op de anderen gelaten zal worden. Als Hij dan op de Olijfberg met zijn jongeren is gezeten, vragen zij hem naar zijn toekomst en de voleinding van de wereld. Alleen onder dit gezichtspunt kan de homileet b.v. de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden goed verklaren.

  • Ten tweede verdient het in sommige gevallen aanbeveling. de gelijkenis in haar geheel te verhalen, b.v. wanneer een of ander voorval uit het menselijk leven wordt medegedeeld, als de gelijkenis van de talenten, Matth. 25 : 14 seq. Het verhaal lijdt schade en de levendigheid van voorstelling wordt verzwakt, wanneer het bij de bediening van het Woord in stukjes wordt geknipt. Tegelijk ontwijkt men dan het gevaar, de hoofdstrekking van de gelijkenis uit het oog te verliezen en ondergeschikte trekken over te brengen, die met de hoofdzaak weinig of geen verband houden. Bij de weergave van het verhaal mag de prediker er Benig coloriet aan geven door de kennis die hij bezit van de Oosterse toestanden en gewoonten. In andere gevallen kunnen de hoofdmomenten van de gelijkenis successief behandeld worden, omdat de hoorder het beeld van de gelijkenis in zijn geheel voor de geest blijft staan. Dit is het geval bij gelijkenissen aan de natuur ontleend, die kort en overzichtelijk zijn en waarvan het beeld weinig verklaring behoeft, b.v. de gelijkenis van het mosterdzaad, Matth. 13 : 31 en 32. Het koninkrijk van de hemelen is als het mosterdzaad, klein in het begin, langzaam in zijn ontwikkeling, groot en krachtig in zijn volle ontplooiing.

  • Bij de verklaring van de gelijkenis wordt, ten derde, steeds gezocht naar het tertium comparationis, hetwelk heel de homi­letische exegese beheerst. Bij de gelijkenis van het zuurdeeg domineert de gedachte van de verborgen maar gestadige wer­king, bij die van de schone parel de grote waarde van het koninkrijk van de hemelen.

Er zijn uitleggers geweest, die de ge­lijkenis vereenzelvigden met de allegorie en aan de fantasie, tot schade van de exegese, vrij spel lieten. Achelis331 deelt de volgende „verklaring” van de gelijkenis van de barmhartigen Samaritaan als curiosum mee: de barmhartige Samaritaan (Christus) vindt een zeker mens (de zondaar), die reisde van Jeruzalem (het paradijs) naar Jericho (de wereld door) en viel onder moordenaars (de duivelen); de Samaritaan ont­fermt zich en voorziet hem van olie en wijn (doop en avondmaal), brengt hem in de herberg (de kerk), vertrouwt hem toe aan de waard (de predikant), langt twee penningen uit (Oud en Nieuw Testament), totdat hij zou wederkeren (in de parousie).332 Te onderzoeken blijft nog, wie het beest is, waarop de arme man naar de herberg werd vervoerd!

Tegen een dergelijke exegetische knoeierij zijn velen in verzet gekomen. Nu vervallen echter sommigen als B. Weiss en A. Jülicher333 tot een ander uiterste. Zij menen, dat van een ge­lijkenis alleen de hoofdgedachte mag overgebracht worden en al het andere betrekkelijk onverschillig is. Dit is weer te ver gedreven. Uit de verklaring, die de Heere Jezus bij sommige gelijkenissen b.v. bij die van het onkruid op de akker geeft, blijkt duidelijk, dat ook ondergeschikte trekken betekenis kunnen hebben.

Zo is dus als hoofdregel te stellen, dat na het vinden van het tertium comparationis de gelijkenis uit het beheersend gezichtspunt wordt verklaard en toegepast. Het komt echter voor, dat ook bijzonderheden en kleine trekken moeten worden overgebracht. Terecht zegt Prof. Grosheide: Overgebracht moet in de eerste plaats de hoofdzaak, in de tweede plaats die trekken, die blijkbaar met opzet in het beeld zijn gebracht, hetgeen daaruit blijkt, dat ze iets geven, wat op zichzelf in het verhaal zou kunnen worden gemist.334

Die kleine trekken geven soms het onderscheidend kenmerk tussen verwante gelijkenissen aan. Zo komt in de gelijkenissen van Lukas 15 naar voren de bemoeienis Gods met de verloren zondaar. In de gelijkenis van het verloren schaap schittert de barmhartigheid Gods jegens de verlorene, in de gelijkenis van de verloren penning zien wij op hoe hogen prijs God de waarde van de verlorene schat, in die van de verloren zoon tekent de Heiland Gods Vaderliefde voor de verlorene. Ook is er een climax in de blijdschap bij het wedervinden. Bij de toepassing van de gelijkenis van het verloren schaap is er blijd­schap in de hemel, bij die van de verloren penning blijdschap voor de engelen Gods, bij die van de verloren zoon blijdschap bij de Vader, Lukas 15 : 7, 10, 23:4.



  • Ten vierde worde bij de toepassing van de gelijkenis gewezen op haar betekenis in de dagen van 's Heeren omwande­ling op aarde, op haar algemeen strekking voor de kerk aller eeuwen, en op haar bijzondere betekenis voor onze tijd, zowel voor de gemeente des Heeren als voor de wereld.



C. De Catechismus.
Martinus. Concionandi Rudimenta. cap. VIII; Knibbe. Manuductio. cap. XXIV; H. Bastingius. Verclaringe op de Catechisme van de christelijken Religie. Ed. F. L. Rutgers. Amsterdam. 1893. Voorreden op de verclaringe; G. D. J. Schotel. Geschiedenis van de oorsprong, de invoering en de lotgevallen van de Heidelbergschen Catechismus. Amsterdam. 1863; J. P. Tazelaar. De Heidelbergsche Catechismus als het leerboek onzer vaderen. Leiden. 1899; H. Kaajan. De proacta van de Dordtsche synode in 1618. Rotterdam. 1914.

Kort nadat de Heidelbergse Catechismus was verschenen, begonnen onderscheiden predikanten in de namiddaggods­dienstoefening over de Zondagsafdelingen van het leerboek te prediken. Zij volgden hierin het voorbeeld van de gemeente te Londen, waar sinds 1550 des Zondagnamiddags over de grote Catechismus 1), en van de Paltz, waar na 1563 over de Heidelbergse Catechismus 2) werd gepreekt.

Pieter Gabriël, predikant te Amsterdam, preekte in 1566 reeds iedere Zondag uit de Catechismus 3).

Vele predikanten in de steden volgden dit voorbeeld; op de dorpen is het echter om verschillende oorzaken, die zowel bij de dienaren van het Woord als bij de gemeenteleden te zoeken zijn, nog niet dadelijk tot invoering van Cate­chismuspreken gekomen 4).

Kerkelijke vergaderingen van de zestiende eeuw spraken uit, dat het wenselijk was de Hei­delbergse Catechismus te preken of schreven de invoering van de namiddag Catechismuspredikatiën voor.

Zo drongen de particuliere synoden van Alkmaar in 1573 en van den Briel in 1593 er op aan, dat des Zondagnamiddags uit de Catechismus zou gepreekt worden 5). 335


De synodes van Dor­drecht 1574 en 1578 hielden zich ook met de Catechismuspre­diking bezig. Laatstgenoemde synode ging van de onderstelling uit, dat de prediking over de Catechismus ingevoerd was. In punt 68 stelde zij vast, dat op de Zondag, wanneer des morgens het Heilig Avondmaal was bediend, ook des namiddags de Catechismus gepreekt zou worden.336

De nationale synode van 's Gravenhage 1586 bepaalde in art. 61 van de kerkenordening: De Dienaers sullen allomme tsondachs ordinarelijken inde naemid­dachsche predicatien de somma van de christelijker lere inden Kathechismo, die teghenwordich inde nederlantschen kerke aen­ghenomen is, vervatet, corttelyk wtlegghen, alsoo dat de selue jaerlijx mach gheeyndicht wordden, volghende de affdeijlinghe des Catechismi selffs, daer op ghemaect.

De nationale synode van Dordrecht 1618/9 nam in haar kerkorde (art. 68) deze bepaling letterlijk over, en trof maatregelen om het gering bezoek van de namiddaggodsdienstoefeningen tegen te gaan.337

De bepaling van Dordt is in de Gereformeerde kerken van kracht gebleven tot de huidige dag. Alleen heeft de generale synode van de Gereformeerde kerken in Nederland, vergaderd te Utrecht in 1905, bij een revisie van de Dordtse kerkorde tussen de woorden „dat dezelve” en ,,jaarlijks" ingevoegd „zoveel mogelijk”, zodat de absolute verplichting om in één jaar de Catechismus rond te preken vervallen is.

In het Nederlands Hervormd Kerkgenootschap werd na 1816 voorgeschreven, dat op de Zondagmiddag de Catechismus gepreekt moest worden. Onder invloed van modernistische stromingen werd door de synode van het Nederlands Hervormd Kerkge­nootschap in 1863 bepaald en tot op dit ogenblik toe gehand­haafd, dat de predikanten zowel bij de leiding van de openbare godsdienstoefeningen in het algemeen, als in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van de Heidelbergse Catechis­mus naar eigen oordeel te rade zullen gaan met de godsdienstige behoeften van de gemeente.338

Hier ging dus het hek van de dam. Tegenwoordig wordt door vele confessio­nele en door de Gereformeerde predikanten in de Nederlandse Hervormde kerk des namiddags uit de Catechismus gepreekt.


De Catechismusprediking is onderscheiden van de catechese. In de zestiende eeuw en ook nog in het begin van de zeventiende werd de Catechismusprediking beschouwd als een publieke catechisatie, de catechismusafdeling werd door één van de catechisanten opgezegd, en de toespraak van de dienaar van het Woord droeg meer het karakter van een catechetische onderwijzing dan van een preek.339 Langzamerhand zijn cate­chismusprediking en catechisatie van elkander losgemaakt en is de kerk tot een verhelderd inzicht gekomen. De catechese is het onderwijs, dat door de dienaar van het Woord gegeven wordt aan de onmondige leden van de kerk, met het doel ze op te voeden tot mondige leden, die belijdenis des geloofs afleggen en het sacrament des Avondmaals ontvangen. De Catechismuspredi­king richt zich tot de gemeente als geheel, d. i. tot de mondigen in de eerste plaats; zij heeft ten doel de opbouw in het geloof; zij blijft niet bij de eerste beginselen staan, maar dringt door tot de binnenste schatkamers van de geestelijke kennis, om daarmede de gemeente te verrijken. In de Catechismusprediking komt de Heere tot zijn volk en ontsluit de heilgeheimen van zijn genadeverbond voor de gemeente.
Zo is de Catechismusprediking dus b e d i e n i n g des Woords. Strikt genomen wordt niet uit de Catechismus gepreekt, maar uit het Woord. Van de bediening van het Woord in de morgengodsdienstoefening is de Catechismusprediking onderscheiden, doordat in het eerste geval één samenhangend Schriftgedeelte tot tekst gekozen, verklaard en toegepast wordt, terwijl in het tweede geval onderscheiden in de Catechismus aangegeven teksten gecombineerd worden en de daarin vervatte waarheid, in de Catechismus geformuleerd, wordt geëxpli­ceerd en geappliceerd. De Catechismus is een menselijk geschrift met kerkelijk, niet met Goddelijk gezag. Hij kan aange­vuld worden en is vatbaar voor revisie. De samenvoeging van hetgeen de Heilige Schrift over een bepaald stuk van de waarheid op verschillende plaatsen leert, is echter niet geschied door indivi­duele personen, maar door de kerk. Zij heeft na ampele overweging vastgesteld, dat de Catechismus uit het Woord geput is en in alle delen met de Heilige Schrift overeenkomt.
De bediening van het Woord naar de Catechismus is voor de gemeente zeer nuttig. Zij krijgt enigermate een inzicht in de samenhang van de heilsgedachten, die de Heilige Schrift openbaart, en hoort prediken over stoffen, die, wanneer de Catechismus ze niet gaf, allicht door persoonlijke sympathieën van de dienaar van het Woord voor andersoortige stoffen niet spoedig in behan­deling zouden komen. De dienaar is in de keuze van de stof eniger­mate aan banden gelegd, hetgeen èn voor hem zelf èn voor de gemeente heilzaam is. Wat in het bijzonder de Heidelbergse Catechismus betreft, is het een voordeel, dat dit leerboek zo uitermate praktisch is en voortdurend overeenkomstig de Schrift aangeeft, welke de waarde van de heilsleer is voor het geeste­lijke leven.

In de wijze, waarop over een Catechismusafdeling wordt gepreekt, moet uitkomen, dat we inderdaad te doen hebben met bediening van het Woord. Het gaat in de kerk des Heeren om het Woord van God en om dat Woord alleen. Dat Woord verkondigt Gods ere, in het Woord is ons leven. Het Woord van God moet in de Catechismusverklaring uitgelegd en toege­past worden. Daarom handelt de dienaar van het Woord met de uitdrukkingen van de Catechismus, tenzij ze rechtstreeks uit de Heilige Schrift genomen zijn, niet op zulk een wijze, alsof ze heilige, door Gods Geest geïnspireerde teksten waren. De tekst van de Catechismus mag niet naar dezelfde methode geëxege­tiseerd worden als de tekst van de Bijbelboeken. De woorden van de Catechismus worden verklaard, zodat duidelijk is, wat bedoeld wordt. Maar dan wordt verder aangetoond, dat hetgeen de Zondagsafdeling leert, uit de Heilige Schrift genomen is.

In de Catechismusprediking mag het Schriftbewijs nimmer ontbreken. Perikopen, die als loca probantia dienen, worden verklaard, wel niet zo breed als in de morgengodsdienstoefe­ning, maar toch zó, dat de gedachten van de Heilige Schrift tot het bewustzijn van de gemeente doordringen.
Naast de verklaring staat in de Catechismuspreek de toepas­sing, niet de toepassing van hetgeen de Catechismus als zodanig zegt, maar die van het Woord van God, dat de Catechismus uit de Heilige Schrift opdiept. In vele gevallen is hier de toepas­sing van het Woord gemakkelijker dan in de preek over een tekst, omdat de Catechismus de toepassing veelal zelf biedt of als handwijzer dient, om de goede richting aan te geven.

Omdat de Catechismusprediking bediening van het Woord is, moet zij wat haar inhoud, karakter, object en doel betreft, beantwoorden aan de eisen, die aan iedere bediening van het Woord gesteld worden. In het bijzonder geldt dit voor de inhoud van de prediking, die theologisch en Christocentrisch moet wezen. Met deze eis is de Heidelbergse Catechismus geheel in overeenstemming. De methodische opzet van de Cate­chismus moge antropologisch zijn, de inhoud is zuiver theolo­gisch.340

Het heil gaat van God uit en alles moet dienen tot zijn verheerlijking. Daarbij is de Catechismus een boek, dat in hoge zin „Christum treibet”. Nu de Catechismus zelf deze caracteristica vertoont, zal het geringe moeite kosten de bediening van het Woord zó in te richten, dat de Catechismuspredi­king aan dezen principiële eis beantwoordt.
Hoewel de Catechismus een leerboek is van buitengewone kwaliteiten en ongetwijfeld de providentia specialissima de mannen die hem opstelden heeft geleid, draagt hij toch bij de ordening van de stof, het afmeten van de plaatsruimte voor de afzonderlijke leerstukken en het bestrijden van de dwalingen het stempel van zijn tijd. Belangrijke delen van de geloofsleer komen niet in dien omvang voor, als wij in onze dagen nodig achten, terwijl andere stukken met een uitvoerigheid zijn be­handeld, die in onzen tijd niet in die mate nodig is. De incongruentie, hierdoor ontstaan, kan de prediker wegnemen door, in overleg met de kerkenraad, enkele Zondagsafdelingen samen te voegen en andere te splitsen. Zondag 26 en 27, 29 en 30, 36 en 37 laten zich zonder bezwaar combineren. Het is ge­wenst Zondag 6 te splitsen in vr. 16, 17, 18 en vr. 19, en over Zondag 12 benevens over Zond. 21 meer dan eens te preken.

Ook verdient het aanbeveling gewichtige dogmata, die in de Catechismus niet met zoveel woorden genoemd worden maar met de leer van een Zondagsafdeling in het allernauwste verband staan, door verklaring van bij te brengen teksten te behandelen. In Zondag 8 worden slechts enkele deugden Gods genoemd; het is nuttig voor de gemeente door verklaring van daartoe geschikte teksten ook de heerlijkheid van andere eigenschappen Gods te laten zien. Het is van groot belang, dat de kerk des Heeren weet, wat de Heilige Schrift leert aangaande Gods wezen en eigenschappen. Vele dwalingen hebben haar diepste oorsprong in een verkeerd Godsbegrip. Daarbij is de prediking over de eigenschappen Gods van waarde voor de praktijk van de godzaligheid. Indien vraag 19, zo rijk van inhoud, afzonderlijk behandeld wordt, vindt de prediker hier een geschikte gelegenheid door verklaring van enkele teksten de gemeente te onderwijzen in het wezen van de openbaring en de oorsprong van de Heilige Schrift, waarbij de artikelen II-VII van de Nederlandse Geloofsbelijdenis uitnemende dienst verlenen.

Vraag 54 is een afzonderlijke bespreking overwaard, niet alleen terwille van de leer van de kerk, maar ook om het dogma van de verkiezing. Hierbij kunnen de artikelen XXVII-XXX van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en artikel I van de Canones als leidraad dienen.
Bij de bestrijding van dwalingen beperke de prediker zich niet tot de weerlegging van de onschriftuurlijke leringen van de Roomsen en Luthersen, maar hij taste ook de dwalingen van onze tijd aan, die voor een deel in nieuwe vorm de oude gevoelens propageren. Wanneer de toestand van een gemeente het eist, zullen met schriftuurlijke argumenten hedendaag­se onzuivere meningen in betrekking tot de Heilige Schrift, de christologie, de via salutis, de kerk of de eschatologie krachtig bestreden moeten worden.

Dit laatste brengt ons tot een andere opmerking, n.l. dat de Catechismusprediking actueel moet zijn. Aan iedere prediking, ook aan de bediening van het Woord in de morgengodsdienstoefening, is de eis van de actualiteit te stellen. Zij mag in haar weergave van het Woord van God niet geantiqueerd zijn, maar moet ingrijpen in de hedendaagse samenleving en de tegenwoordige verhoudingen en stromingen. In het bijzonder plaatse de prediker zich met zijn Catechismusprediking in het volle mensenleven en onderzoeke wat het Woord van God voor onze tijd zegt.

En allerbijzonderst geldt deze eis bij de verklaring van de heilige wet, welke verklaring in de goeden zin des Woords up to date moet zijn. Het leven van de christen is in onze dagen ontzaglijk gecompliceerd.

De vraag, hoe moet ik mijn God dienen in de positie waarin ik gesteld ben, is dikwijls zeer moeilijk te beantwoorden. Van de prediking mag verwacht, dat ze, zonder casuïstisch te worden, voor het ethische leven van de kerkleden de richtlijnen aangeeft. Uit dit oogpunt bezien zijn b.v. de Zondagsafdelingen 39, 42, 43 van het hoogste belang.

Wie actuele prediking geeft, heeft over gebrek aan stof niet te klagen. Het is niet goed ieder jaar dezelfde Catechismus­preken te houden, want de dienaar neemt niet genoegzaam toe in de kennis van de waarheid en onthoudt van de gemeente wat haar toekomt (Hand. 20 : 27). Comrie laat in de voorrede van zijn Catechismusverklaring doorschemeren, dat hij zijn schriftelijke verklaring van de Catechismus, klein en met bleke inkt geschreven, en daarom op 't laatst onleesbaar, jaar in jaar uit op de kansel gebruikt heeft.341 Wie ieder jaar van dezelfde schetsen preekt, zal weinig variatie hebben.

Afwisseling van stof moet echter niet op deze wijze gezocht, dat in elke preek slechts één vraag met het antwoord wordt verklaard. Afgezien van het feit, dat de Catechismusafdelingen aldus van 52 worden gebracht op 129, en het elastische „zoveel mogelijk” van art. 68 van de kerkorde zó wordt uitgerekt, dat alle rek er uitgaat, loopt dit uit op homiletische acrobatentoeren, waarvoor de Catechismus-prediking niet inge­steld is. Niet des predikers virtuositeit moet schitteren, maar de rijke waarheid Gods. De Catechismus wordt dan aange­wend tegen haar bedoeling in. Niet iedere vraag met het ant­woord is van zoveel belang, dat zij de stof kan vormen voor bediening van het Woord.


Zeer streng is af te keuren, wat voorgekomen moet zijn, dat in enkele afdelingen de enen Zondag de vraag en de volgenden het antwoord „de stof van de overdenking” was. Een preek over een vraag zonder ant­woord kan geen bediening van het heilig Evangelie zijn.

Vreest de prediker, na hetgeen hierboven over het wezen van de Catechismus-prediking gezegd is, dat hij te weinig varia­tie in de successieve behandeling zal kunnen aanbrengen, dan volge hij de methode de Catechismus telkens uit verschillende gezichtspunten te beschouwen. Onder het beding, dat bij alle gezichtspunten de verklaring van Schriftuurplaatsen een be­langrijke plaats inneemt, sluite hij het eerste jaar zich zoveel mogelijk bij de woorden van de Catechismus aan en verklare vraag en antwoord met eenvoudige toepassing op de hoorders.

Het tweede jaar gebruike hij het materiaal, dat Canones en Confessio Belgica hem bij de betrekkelijke leerstukken bieden. De derde maal schenke hij zijn volle aandacht aan de weerlegging van vroegere en tegenwoordige dwalingen. de vierde keer stelle hij de waarheid in relatie met de problemen, die op onderscheiden gebied in de hedendaagse samenleving aan de orde zijn. Bij de vijfde behandeling geve hij aan, wat elke af­deling biedt voor de praktijk van de godzaligheid. De zesde maal kan hij alle afdelingen bezien onder het gezichtspunt van Zondag 1, de enige troost.

Heeft hij de Catechismus zesmaal achtereen telkens onder andere belichting bepreekt, dan is hij onderwijl zoveel in geestelijke ervaring en kennis toegenomen, dat hij, wanneer hij met het eerste gezichtspunt weer begint, geen lust gevoelt de oude preekschetsen ongewijzigd te gebrui­ken. Hij maakt veel liever - en veel gemakkelijker - een nieuwe.


De hulpbronnen voor het vinden van stof voor Catechis­muspreken zijn vele. Ten eerste is van groot belang het Schatboek van Ursinus, verrijkt met aantekeningen van Festus Hommius en registers van Johannes Spiljardus.

Ten tweede kunnen dogmatische en ethische handboeken goede diensten bewijzen, b.v. H. Bavinck, Geref. Dogmatiek; A. Kuyper, Dictaten Dogmatiek; H. E. Gravemeyer, Geref. Ge­loofsleer; H. Bavinck, Magnalia Dei; W. Geesink, Van 's Heeren Ordinantiën; H. Visser, Ethiek, enz.

Ten derde zijn er vele Catechismusverklaringen.342 Het is niet goed vele verklaringen te lezen, om hier en daar een korreltje op te pikken; er gaat te veel tijd mee verloren; de aandacht wordt verstrooid, in plaats dat de geest zich concentreert. Telkenmale, wanneer met de Heidelberger opnieuw begonnen wordt, één goede korte verklaring nalezen, is meer dan genoeg. Het is ondoelmatig een Catechismuspreek van een ander te lezen, voordat de eigen preek is gemaakt. De originaliteit wordt onderdrukt en het is moeilijk zich aan de gedachtegang van een ander te ont­worstelen. Jonge predikers, die behoefte hebben aan praktische opmerkingen, kunnen, wanneer de preek af is, voor dit doel een preek over de Catechismus ter hand nemen van Smytegelt, of van Van Oosterzee, of van H. Hoekstra.
De bediening van het Woord in de vorm van de Catechis­musverklaring moet, ook ten formele, aan hoge eisen voldoen. Er worde gestreefd naar heldere voorstellingswijze, duidelijke omschrijvingen en systematische bouw. Dit laatste is van grote waarde. De Catechismuspreek dient, evenals de preek over een tekst, een thema en een verdeling te hebben. Aanvankelijk is het wel eens moeilijk de stof onder één hoofd samen te vatten en een goede verdeling te vinden, maar na enige oefening valt het mee. De synthetische behandeling heeft ver de voorkeur boven de streng analytische. Ook ten for­mele moet uitkomen, dat de bediening van het Woord iets anders is dan de catechese. Voor de argumenten, waarom de synthe­tische behandeling boven de analytische is te prefereren, zij verwezen naar het nu volgend deel over de formele homiletiek.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page