Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page2/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

3. HOMILETIEK EN RETORICA
H. Bavinck. De Welsprekendheid. Kampen. 1918: K. Schoolland. Retorica. Groningen. 1908; R. Volkmann. Die Rhetorik der Griechen und Romer. Leipzig. 1874; H. Basser­mann. Handbuch der geistlichen Beredsamkeit. Stuttgart. 1885; Th. Harnack. Geschichte und Theorie der Predigt und Seelsorge. Erlangen. 1878. pag. 15 seq.; P. Kleinert. Homi­letik. Leipzig, 1907. pag. 27 seq.; E. Sachsse. Evangelische Homiletik. Leipzig. 1913. pag. 2 seq.; J. J. van Oosterzee. Prakt. Theologie I. Utrecht. 1877. pag. 82 en 217 seq.; P. A. E. Sillevis Smitt. Homiletiek en Retorica. Art. Geref. Theol. Tijdschr. 150 Jaarg. pag. 499; P. Biesterveld. Andreas Hyperius voornamelijk als homileet. Kampen, 1895. pag. l10 seq.

Over de betrekking waarin homiletiek en retorica tot elkander staan is groot verschil van gevoelen onder de homileten geweest. Daarom is het nodig dit vraagstuk afzonderlijk te behandelen.



Retorica is de theorie van de welsprekendheid, scientia bene dicendi.27 Zij beschrijft, wat de rede (oratio) naar haar wezen is en hoe deze moet ingericht worden, om haar doel te bereiken. Zij is een theorie voor een kunst, d.i. voor de methodische beoefening van de gave der welsprekendheid. De eloquentie is een van de heerlijkste gaven Gods aan de mens. De Schepper heeft de mens niet alleen geschonken de gave om te spreken, maar hem ook het vermogen gegeven zó te spreken, dat anderen onder de indruk, komen van het woord. De facultas der welsprekendheid is bij ieder mens in meer­dere of in mindere mate aanwezig. Het gewone spraakgebruik verstaat onder een welsprekend persoon iemand die deze ge­schiktheid in bijzondere mate bezit en door voortdurende oefe­ning de potentie in actus heeft doen overgaan; de redenaar die zijn superieure gaven van eloquentie tot volle ontwikkeling heeft gebracht, is dan „een welsprekend man”.

In het algemeen genomen wordt hij welsprekend genoemd, die met bezieling aan een hem beheersende gedachte in woorden uiting geeft, met het doel op anderen in te werken. Welspre­kend is Juda die bij de onderkoning van Egypte voor Ben­jamin pleit, welsprekend is Abigaël die aan David verzoekt dat hij haar man en haar huis zal sparen, welsprekend is dikwijls de koopman op de markt die bij het publiek zijn waren aanprijst.

In engere zin verstaan we onder welsprekendheid de methodisch geoefende gave, zijn gedachten op bezielende wijze in de vorm van een rede voor te dragen. In dit geval wordt:


  • Ten eerste, vereist dat de spreker van het onderwerp, dat hij behandelt, voldoende kennis bezit. Praten is nog geen oreren. Woordenpraal, holle zinnen, gezwollen stijl bij arme gedachteninhoud, kenmerken de echte redenaar niet. Welsprekend te zijn in een voordracht over een onderwerp, waarvan men ongeveer niets weet, is niet mogelijk.

  • Ten tweede moet iemand bezield zijn voor het onderwerp, waarover hij het woord voert. De redenaar beheerst zijn stof, maar de stof beheerst ook hem. De affecten brengen het rad der tong in beweging, hartetonen klinken in het woord mede. Pectus est quod disertos facit. Het betoog van een professor in de collegezaal moge scherpzinnig en logisch onaanvechtbaar zijn, daarbij met goede woordenkeus voorgedragen worden, wanneer dit betoog slechts een denkproduct is en de factor van de bezieling ontbreekt, is op zijn rede de kwalificatie „welsprekend” niet van toepassing.

  • Ten derde moet als doel voor ogen staan. anderen voor zijn denkbeelden, overtuigingen of voorstellen te winnen. Vinet28 moge wat overdrijven, wanneer hij zegt, dat bij de rede een strijd gestreden wordt die met de nederlaag van de hoorder moet eindigen, er ligt in dit zeggen toch deze waarheid, dat een welsprekend redenaar zich aansluit bij de gedachten, gevoelens en strevingen van zijn auditorium om deze door de macht van zijn rede in de door hem gewilde richting over te buigen. Hij draagt gedachten in het bewustzijn van anderen in met het doel, die in hun ziel te laten werken. Terecht heeft Bavinck de welsprekendheid omschreven als ,,de door de kunst geoefende gave om door de macht van het woord overtuigend op het verstand, roerend op het gemoed, en overredend op de wil des mensen in te werken.29

Van de welsprekendheid heeft zich een theorie of kunstleer ontwikkeld, die retorica genoemd wordt. De tijd van haar ontstaan en de periode van haar bloei zijn te zoeken in de Grieks-Romeinse cultuurwereld. Dank zij de natuurlijke aanleg van het Griekse volk voor de oratoria, alsmede onder de invloed van politieke en maatschappelijke verhou­dingen, is in Griekenland de welsprekendheid tot buitengewone ontwikkeling gekomen en tot een hoogte gestegen, die in latere eeuwen niet weder bereikt is. Zonder twijfel is in Griekenland en te Rome te midden van de heidense cultuur deze gave Gods in dienst gesteld van het zondig menselijk hart en op een schrikkelijke wijze misbruikt. De excessen zijn in de voorhanden literatuur bij tientallen aan te wijzen, maar aan de andere kant is het feit onweersprekelijk dat in het cultuurleven der Antieken de welsprekendheid in haar edele vorm op eminente wijze tot uiting kwam. In de rechtszaal en in de volksvergadering traden redenaars op met superieure gaven van eloquentie, wier redevoeringen modellen geworden zijn voor alle tijden.

Naar de regel dat de theorie op de praxis volgt is in de antieke cultuur een wetenschap geboren, die de welsprekend­heid van de theoretische zijde behandelt en zich ten doel stelt aan het ontwerpen en houden van redevoeringen leiding te geven. De vader van deze wetenschap, gelijk van vele andere wetenschappen, is Aristoteles († 322 v. C.). Deze omschrijft de retorica als het vermogen in elke zaak dat te kennen, wat in staat is bij anderen overtuiging te wekken.
Deze omschrijving is in de oudheid reeds bestreden, omdat ze te eng is. De retorica moet niet alleen het materiaal ter overtuiging doen kennen, maar ook aangeven op welke wijze het gebruikt moet worden. Het standpunt van Aristoteles houdt verband met de brede plaats die hij in zijn retorica aan de bewijsvoering geeft. Op een goed geargumen­teerd betoog heeft Aristoteles, in tegenstelling met de kunstgrepen die door sommige retoren van zijn tijd werden toegepast, sterken nadruk gelegd. De retorica, waarvan Aristoteles de grondslag heeft gelegd, is later uitgebreid en verbeterd door Cicero (overl. 43 v. C.) in zijn Orator en De Oratore, vooral echter door Quintilianus (overl. 118 n. C.) in zijn hoofdwerk Institutio oratoria.
De Grieks-Romeinse retorica is aangepast aan de Middeleeuwse christelijke cultuur, is in de zestiende eeuw met name door Melanchthon omgebouwd en dienstbaar gemaakt aan de prediking, is in de achttiende eeuw het uitgangspunt geworden van de retorische oeuvres van de Fransman Fénelon30 en de Engelsman Blair,31 maar een bloeitijd als in Griekenland en Rome heeft ze noch als theorie noch in praktische toepassing ooit weer gekend. In de negentiende en twintigste eeuw genoot ze de belangstelling van weinigen, ze is zelfs door de meesten in wier leven de welsprekendheid terwille van beroep of ambt een plaats van betekenis inneemt, als quantité négligeable behandeld.
In de antieke retorica32 werd, met enige variatie bij enkelen, de rede naar haar inhoud verdeeld in:

1. e x o r d i u m, de inleiding, welke diende om tot de hoofdzaak te komen.

2. n a r r a t i o, een mededeling van het gebeurde of een kort exposé van de staat van zaken.

3. probatio of confirmatio, het aanvoeren van krachtige argumenten tot bewijs van de stelling.

4. r e f u t a t i o, het weerleggen van gemaakte of moge­lijke tegenwerpingen.

5. conclusio of peroratio, het komen tot de slotsom en het aanbevelen van de conclusie aan het auditorium.


Uit de inhoud en de volgorde der punten blijkt, dat deze indeling zich het best leent voor de pleitrede in de rechtszaal.

Ten opzichte van het formele33 worden meestal de vol­gende punten genoemd:

1. i n v e n t i o, het vinden van de stof der rede.

2. d i s p o s i t i o, het ontwerpen van een verdeling.

3. e 1 o c u t i o, het uitwerken en stileren van de rede.

4. m e m o r i a, het in het geheugen prenten.

5. p r o n u n t i a t i o, de voordracht.
Aristoteles onderscheidde drie soorten van redevoeringen, drie genera dicendi, welke indeling zich, zij het met enige aanvulling of wijziging, tot op de nieuwere tijd heeft kunnen handhaven, nl.

1. genus deliberativum. Deze redevoeringen, in de volksvergadering gehouden, hadden betrek­king op de politiek, handelden over het financieel beheer van de staat, economische belangen, oorlog of vrede, enz.

2. genus iudiciale. Deze redevoeringen werden voor de rechters gehouden en dienden om een persoon aan te klagen of in zijn belang te pleiten.

3. genus laudativum. Hieronder werden de redevoeringen verstaan, welke ten doel hadden mannen te prijzen die zich voor het vaderland verdienstelijk hadden gemaakt, in 't bijzonder die in de oorlog gevallen waren. Dit genus heeft later enige wijziging ondergaan en werd genus demonstrativum genoemd.


De christelijke kerk en de christelijke wetenschap hebben ten opzichte van de retorica niet altijd op dezelfde wijze stelling genomen.

In de tweede en derde eeuw hebben de leraars der kerk zich tegen het gebruik van de kunstregelen der retorica in de prediking van het Woord verzet. Was iemand, die uit het heidendom tot de christelijke kerk overging, vóór zijn bekering retor geweest, dan moest hij terstond dit ambt laten varen. Aan de retorica kleefden heidense smetten, zij stelde zich in de dienst der zonde. De prediking van het Woord hield zich ver van de kunstgrepen der heidense oratoria. Zij was een eenvoudige toespraak, die in verband met het voorgelezen gedeelte der Heilige Schrift in de vergadering der gemeente werd gehouden.

Omstreeks de vierde eeuw wijzigde zich de verhouding. In de kerk van het Oosten zowel als in de kerk van het Westen traden leidende persoonlijkheden op, die zelf de scholen der retoren hadden doorlopen en in hun prediking gebruik maakten van de kundigheden, die ze zich daar hadden ver­worven. Zij waren van oordeel dat de Grieks-Romeinse retorica niet a-priori te verwerpen was, dat weliswaar de verkeerde elementen moesten uitgezuiverd worden, maar dat de bediening van het Woord, vooral ten formele, winst kon doen met hetgeen de retorica bood.
In het Oosten liep de prediking zelfs gevaar zich te schoeien op de leest van de heidense welsprekendheid. Gregorius van Nazianzenus en Chrysostomus gaven aan de evangeliepredikers de raad de retorica te bestuderen en zich in de welsprekend­heid te oefenen. Dit was op zichzelf nog niet af te keuren, maar de zaak kwam anders te staan, toen redevoeringen van heidense orators als Demosthenes en Isocrates de jonge predikers als modellen werden voorgehouden.34

Sommigen preekten in gezwollen stijl, werkten met behulp van de kunstgrepen der retoren in op de affecten der hoorders en trachtten het audito­rium tot luide bijvalsbetuigingen te bewegen. De kerkelijke oratoria liep in verkeerd spoor, vooral toen op de gedenkdagen lofredenen ter ere van de martelaars werden gehouden. Het genus laudativum deed zijn intrede en de eenvoud, die een kenmerk van de christelijke prediking moet zijn, ging ver­loren.


Het Westen heeft zich in de tijd van de patres over het algemeen genomen niet in die mate door de retorica laten beheersen als het Oosten. Augustinus35 versmaadt de retorica niet, maar wil de goede elementen gebruiken voor de evangelieprediking. Het Woord van God moet in een voor dat Woord passenden vorm tot de gemeente gebracht worden. De echte eloquentie is niet ijdel en hol, maar gaat gepaard met sapientia. Zij is te vinden bij de heilige mannen, die het Woord van God te boek gesteld hebben. De jonge prediker moet vroeg bekend gemaakt worden met de retorica.

In de Middeleeuwen behoorde de retorica met grammatica en dialectica tot het trivium en was alzo opgenomen in de wetenschappelijke propedeuse. In de eerste helft van de Mid­deleeuwen is van een overheersing der retorica in de homile­tische handboeken niets te bespeuren. De stof van de prediking vraagt de aandacht en de eisen, die aan de concionator te stellen zijn, worden in de brede behandeld. In de laatste periode van de Middeleeuwen wordt de invloed sterker.


De mannen van het Humanisme geraakten onder de beko­ring van het klassieke ideaal, lieten aan de retorica in de homiletiek vrij spel en maakten de laatste tot een species van het genus retorica. De homiletiek hield principieel genomen op een theologische wetenschap te zijn. Reuchlin deelde de preekstoffen in naar het antieke voorbeeld en onderscheidde! genus demonstrativum, genus iudiciale, genus deliberativum.

Erasmus sloot zich ten opzichte van de structuur van de preek geheel bij de klassieke retorica aan.

Deze onderschikking van de homiletiek aan de retorica is tot deze eeuw toe een kenmerk gebleven van vele Roomse preektheorieën. Tot een losmaken van de homiletiek uit de banden van de retorica is het bij de meeste Roomse homi­leten niet gekomen. P. J. Kleutgen b.v. handelt in zijn Ars dicendi in het vijfde boek de eloquentia sacra.

In de jongste tijd is evenwel een kentering te bespeuren. Het is vooral Krieg, die de zelfstandigheid van de homiletiek als theologische wetenschap wil handhaven. Eine Homiletik im Sinne einer, wenn auch variierten Rhetorik wird nie zu einer wahren theologischen Disziplin; sie lauft doch zuletzt auf eine rhetorische Technik (ars dicendi) hinaus, whrend homiletische Theorie und Praxis auf einer andern Grundlage ruhen.36

Es ist somit höchst verfehlt, die homiletische Wissenschaft lediglich oder doch vorzugsweise auf die Gesetze der Psychologie, Dialektik und namentlich der Rhetorik, so notwendig und wertvoll sie auch sind, gründen zu wollen und so de übernatürlichen Inhalt in ein fremdes Rustzeug zu spannen.
De homileten van de kerken der Reformatie waren in hun oordeel over de verhouding van homiletiek en retorica niet eenstemmig. Zowel bij de Luthersen als bij de Gerefor­meerden liepen onderling de gevoelens sterk uiteen.

Luther zelf zag heel scherp het onderscheid tussen heidense wetenschap en Christelijke theologie. Toch ontkende hij de waarde van een propedeuse in de retorica en dialectica niet. In een van zijn tafelgesprekken merkt hij op, dat de prediker niet alleen een goede textualis, maar ook een dialecticus en retor moet zijn.

Melanchthon is, ook in homileticis, de preceptor Germaniae. Zijn Retorica, die in drie verschillende edities het licht zag, sluit zich nauw aan bij de retorica der Antieken. Melanchthon beschouwt de homiletiek als een retorica van bijzonder soort. Van zelfstandigheid der homiletiek tegenover de retorica is bij hem geen sprake. Telkens weer wint in hem de humanist het van de reformator.



Het gevolg hiervan is geweest, dat de Lutherse orthodoxie van de zeventiende eeuw het niet heeft gebracht tot een theologische homiletiek, die opbloeide uit het principium theo­logiae. Er werden in de orthodoxe periode wel goede praktische wenken voor Schriftverklaring in de prediking gegeven, maar de retorica der Antieken bleef de leidsvrouw. Toen onder invloed van het perikopenstelsel de homiletiek ontaardde in een methodeleer, werd ook ten opzichte van de prediking het Rationalisme voorbereid dat het onderscheid tussen alge­meen en bijzondere openbaring wegdoezelde en de homiletiek in de retorica deed opgaan. De rationalistische lijn is in de negentiende eeuw doorgetrokken door mannen als Schott,37 Theremin38 en Bassermann.39 Zij geven de zelfstandigheid van de homiletiek prijs en brengen haar onder in een Theorie der Beredsamkeit.
Toen de Lutherse orthodoxie in orthodoxisme verliep en dialecta en retorica voor een zelfstandige homiletiek geen plaats overlieten, is in het Piëtisme een krachtige reactie opgetreden. Het Piëtisme, vertegenwoordigd door Spener en Rambach, scheurde het tafellaken tussen retorica en homi­letiek door. De redekunde was in de sfeer van de heilige welsprekendheid onbruikbaar en werd de deur uit gewezen. In de negentiende eeuw nam R. Stier eenzelfde standpunt in. De Keryktik of theorie van de verkondiging van het Woord van God heeft niets te maken met de retorica. Deze profane wetenschap kan geen hulpdienst verlenen aan de homiletiek. ,,Diese gewöhnlich allein so genannte Redekunst oder heid­nische Rhetorik, welcher eine christliche Laletik (im Sinne des neutestamentlichen (Grieks lalein) gegenüber treten sollte, und welche auch in der Christenheit noch auf alle Zweige und Zwecke des Redens leider oft unbesehen angewandt zu werden pflegt, ist in ihrer geheimen Wurzel wie in ihrer letzten offenbaren Ent­wickelung böse und lügenhaft; sie setzt die Form anstatt des Wesens, und bewegt sich in dem Geiste der Welt und der weltlichen Rede, d. h. in eigner menslicher Absicht, Klugheit, Eitelkeit und Kraft.40
De eenzijdige reactie van het Piëtisme is in de negentiende en twintigste eeuw niet zonder uitwerking gebleven. Nitzsch moge nog de homiletiek als species bij het genus retorica onderbrengen, de meeste homileten van rechts, b.v. Achelis, Christlieb, Sachsse, hebben, hoewel het verband met de retorica wordt erkend, gepoogd het zelfstandig karakter van de homiletiek als theologische wetenschap te vindiceren.
Veel beter dan Melanchthon en zijn volgelingen hebben de Gereformeerden op voetspoor van Andreas Hyperius de verhouding bepaald, waarin de retorica staat tot de homiletiek. Hyperius plaatst beide wetenschappen niet als antipoden tegenover elkaar, zoals de Piëtisten later hebben gedaan. De homiletiek is een zelfstandige theologische wetenschap, die echter met vele draden aan de retorica is verbonden. Omdat de preek de vorm moet hebben van een rede, mag de retorica. vooral wat het formele betreft, niet versmaad worden. De concionator heeft veel met de orator gemeen,41 en ieder die het ambt van dienaar van het Woord zal bekleden, moet in de scholen der retoren geoefend zijn. De preek van de dienaar van het Woord heeft een eigen stof die in het kosmische leven niet te vinden is, zodat de homiletiek een eigen object heeft, dat nooit uit een „wereldlijke” wetenschap kan afgeleid wor­den. De preekstoffen worden door Hyperius niet ingedeeld naar het Aristotelische schema dat door Reuchlin is overgeno­men en door Melanchthon gevolgd, maar naar een eigen prin­cipe, ontleend aan de Heilige Schrift.
De Duitse Gereformeerde homileten van de zestiende en de zeventiende eeuw hebben dit door Hyperius duidelijk uitge­sproken principe niet allen in consequentie doorgedacht en uitgewerkt. Zij leggen er meestal nadruk op, dat de enige stofbron voor de concio de Heilige Schrift is en vatten de prediking op als explicatio en applicatio verbi Dei, maar kennen in het formele deel te veel invloed aan de retorica toe, ja hebben soms in hun nomenclatuur de homiletiek onder het hoofdbegrip retorica gesubsumeerd. Zepperus deelt naar het voorbeeld der retorica de preek in als volgt: exordium, narratio, propositio, confirmatio, confutatio, epilogus.

Keckermann omschrijft de homiletiek als een kerkelijke rhetoriek, die ten doel heeft p e r s u a d e r e ecclesiam Christi res ad salutem neces­sarias.

Hoewel Alstedt in zijn retorica ecclesiastica eveneens veel invloed toekent aan de klassieke retorica, sluit hij zich in de behandeling der stof dichter bij Hyperius aan.
De Nederlandse Gereformeerde homileten van de zeventiende en de achttiende eeuw hebben over het algemeen van de retorica een nuttig gebruik gemaakt, en tegelijk de zelfstan­digheid van de homiletiek gehandhaafd. Martinus42 reeds maakt zich van het schema der antieke retorica los en laat de narratio vallen. Ook de homileten van de achttiende eeuw hebben, generaal genomen, zelfstandig de preektheorie opge­bouwd. Zowel Campegius Vitringa als Hollebeek, zowel de voorstanders van de analytische als van de synthetische preekmethode voelen zich van de ban der klassieke retorica ont­slagen.

In de negentiende eeuw gaat het zuivere door Hyperius beleden beginsel ten opzichte van de verhouding van homile­tiek en retorica weer schuil. Bij Van der Palm en Van Hengel doet de Orator sater zijn intrede, Vinet maakt in zijn - ten onzent veel gelezen Homilétique ou théorie de la prédication - de homiletiek tot een species van het genus retorica. Ofschoon bij Van Oosterzee de principiële positie van beide niet voldoende scherp is bepaald, maakt hij toch onderscheid tussen homile­tiek en retorica sacra.

De lijn van Hyperius en van de Nederlandse homileten der zeventiende eeuw is in de jongste tijd doorgetrokken door Dr. A. Kuyper, die in zijn Encyclopedie de waarde van de retorica als hulpvak voor de homiletiek erkent en de zelf­standigheid der homiletiek niet prijs geeft.43
Dit standpunt is eveneens nader ontwikkeld door de hoogleraren Biesterveld44 en Sillevis Smitt.45
Wanneer we van uit het Gereformeerd beginsel de verhou­ding tussen homiletiek en retorica bepalen, moet al aan­stonds de opvatting van het Piëtisme bestreden worden, hetwelk het contact tussen deze twee wetenschappen ontkent en ze als een heilige en een profane wetenschap tegenover elkander plaatst. Dit is het dualisme van Tertullianus, dat zijn klassieke formulering heeft gevonden in de uitroep: wat heeft Athene met Jeruzalem, wat heeft de filosofie met de theologie te maken? De antithese der Piëtisten grondt zich op het dualisme van natuur en genade, schepping en herschepping, wetenschap en religie, kosmos en kerk.

Dit dualisme is niet naar de Heilige Schrift. Zij leert ons, Joh. 1 : 3, dat alles wat het aanzijn gekregen heeft, bestaat door de Logos, die in de beginne was en zelf de Goddelijke natuur deel­achtig is. De Logos, die de wereld schiep, is dezelfde Logos, die vlees geworden is en uit wiens volheid wij allen ontvangen hebben genade voor genade. De verlossing door Jezus Christus heeft niet ten doel een oplossing van de wereld en een vernietiging van de natuurlijke gaven en krachten, maar dient om die wereld te reinigen van zonde en door een xc1aeats heen haar te behouden. Het genadewerk Gods is herschepping.

Daarom heeft God terstond na de val de zonde in haar ontzettende ontwikkeling gestuit en zijn door de werking van Gods algemeen genade grote goederen des natuurlijken levens voor de mensheid behouden gebleven. In de wetenschapsbe­oefening der heidense Grieken en Romeinen zijn waarheids­elementen aan het licht getreden, die de christen uit de hand van de Schepper aller mensen, die in Christus zijn Vader is, heeft aan te nemen en dankbaar te gebruiken. Het dualisme dat de homileten van het Piëtisme tussen de theologie en de andere wetenschappen staturen vindt geen grond in de Heilige Schrift, wordt zelfs door haar ten sterkste weersproken. Ook hier geldt: Alles is uwe.
Zowel de theologie als de andere, kosmische, wetenschappen hebben alle tezamen haar bestand in de Logos en zijn alleen mogelijk door Hem. Daaruit is het te verklaren, dat niet-theologische wetenschappen, psychologie; logica, retorica, als hulpwetenschappen voor de theologie kunnen optreden en met hare resultaten de homiletiek dienen.
Nu moeten wij echter voor één ding op onze hoede zijn. Evenmin als we de logica mogen vereenzelvigen met de Aristo­telische, evenmin is het geoorloofd onder de retorica alleen die retorica te verstaan, welke in de antieke cultuur gebloeid heeft. We kunnen de Aristotelische of Ciceroniaansche retorica niet met huid en haar overnemen. Immers is de welsprekendheid in Griekenland en Rome op schandelijke wijze misbruikt. De valse oratorie diende de waarheid, de goedheid en de schoonheid niet; zij trachtte door kunstgrepen het auditorium aan hare zijde te krijgen en de roem van de redenaar groter te maken. De Sofisten konden wit zwart praten en de foren­sische welsprekendheid bij de Romeinen was er dikwijls op uit, de boosdoener door de rechters te laten vrijspreken en de onschuldige te doen veroordelen. De welsprekendheid welke zich in dienst stelt van onwaarheid en mensenver­heerlijking wordt door de Heilige Schrift onvoorwaardelijk afge­keurd. Paulus kan gewagen van een machtige werking zijner prediking te Korinthe, maar van kunstgrepen heeft hij, die zelf geboren orator was, geen gebruik gemaakt.
De theorie der welsprekendheid is bij de Antieken wel niet een zuivere neerslag van de praxis, en gaat in waarde ver boven deze uit, maar toch vertoont zij overal de sporen, dat zij is opgebloeid in de sfeer der niet-christelijke cultuur. Ongetwijfeld zijn Aristoteles, Cicero en Quintilianus (Inst. Orat. XII) edele vertegenwoordigers van de retorica. De laatste legt er zelfs nadruk op dat de redenaar een vir bonus moet zijn. Maar met dit begrip is heel iets anders bedoeld dan met dat van de aner aganos, waarvan in Hand. 11 : 24 sprake is.

De antieke retorica in hare beste vertegenwoordigers stelt het persuadere als doel der rede en dat niet alleen in de zin van overtuigen, maar evenzeer als overreden, ja als overrompelen. De vertaler van Aristoteles' Retorica in de Stuttgarter Samm­lung zegt: die alle Rhetorik steht außerhalb der Moral in unserem Sinne. 46

Daarom, hoeveel goeds, dank zij Gods alge­meen genade, de klassieke retorica ons biedt, zij moet, zal ze een plaats hebben in de christelijke wetenschap, de christe­lijken doop ondergaan en een kersteningproces doormaken. Eerst dan, wanneer de adem van het christelijk geloof over haar gaat, zij van hare onreine bestanddelen is gezuiverd en van uit de principia van het gelovig denken is opgebouwd, eerst dan. maar ook dan zeker, zal zij uitnemende hulpdienst aan de homiletiek kunnen bewijzen.

Onder dit aspect bestaat er geen tegenstelling tussen homiletiek en retorica. Hyperius, de uitnemende preceptor der Gereformeerde homileten, heeft er terecht opmerkzaam op gemaakt dat de concionator, die zijn preek, indien enigs­zins mogelijk, houden moet in de vorm ener rede, van de retorica veel kan leren. Zowel in de oratio als in de concio wordt gebruik gemaakt van stijl, tropen, fantasie, stem, gesticulatie, enz. Er is een breed terrein dat gemeenschappelijk betreden wordt. In het formele deel der homiletiek is de retorica van grote waarde. Evenwel de retorica blijft hulpwetenschap, zij is ancilla van de scientia homiletiek. Nooit of te nimmer mag de homiletiek als een species bij het genus rete­rica ingelijfd worden. Daarvoor heeft de homiletiek te veel eigens. Het onderscheid is te groot.


Dit onderscheid tussen oratio en concio springt in het oog ten opzichte van stof, karakter, object, doel en middelen. In de retorica is, overeenkomstig het meer formele karakter dezer wetenschap, de stof voor de oratie niet gegeven. Deze wordt geboden door de ervaring. En uit het empirisch gegeven der verschillende redevoeringen, die de praktijk van het leven nodig maakte, is de indeling in drie genera bij Aristoteles ontstaan. Wat echter bij de oratie ook de stof voor de rede mag zijn, altijd ligt deze op het gebied van de natuur­lijke dingen, haar sfeer is „het kosmische zijn.”
De homiletiek daarentegen heeft de stof niet te zoeken, maar brengt die als primum datum met zich mede. De stof voor de bediening van het Woord is gegeven, zij wordt geput uit de Heilige Schrift. De stof ligt niet op het gebied van de dingen des natuurlijken levens, maar op geestelijk terrein. Het is het Woord van God, het Woord der genade in onzen Heere Jezus Christus, dat verkondigd wordt. In de bediening der verzoe­ning worden de schatten van het koninkrijk der hemelen ont­sloten.

Uit dit verschil in stof blijkt reeds, dat de concio niet onder het genus der profane oratio en de homiletiek niet bij de retorica thuis te brengen is.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page