Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page19/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   29

C. Empoëtische stoffen.

Ons zielsleven heeft behalve een intellectuele en een volitio­nele ook een emotionele zone. Het Ik functioneert in voorstellingen, strevingen en gevoelens. Wanneer de gevoelens tot God en Goddelijke dingen in relatie staan, zijn ze religieus van aard. De gewone onderscheidingen, die de psychologie bij de indeling van de emoties aan de hand doet,316 zijn van toepassing op de religieuze gevoelens. Er zijn in het religieuze leven negatieve emoties als droefheid en positieve als vreugde, krachtgevoelens als gevoel van bevrediging en spanninggevoelens als vrees, eigengevoelens als ootmoed en vreemdgevoelens als medelijden. Ook het waarheids, het esthetisch en het ethisch gevoel kunnen voor het religieuze leven van grote waarde zijn.

Empoëtische stoffen zijn zulke, die bij uitstek geschikt zijn op de religieuze emoties in te werken, deze op te wekken of tot rust te brengen. Zulk een stof kan de ziel tot eerbied en aanbidding stemmen, en tegelijk de affecten van droefheid over de zonde en vrees voor de dood doen quiesceren.

Empoëtische stoffen zijn zulke, waarin het emotionele ele­ment domineert. Gelijk in de didactische stoffen volitionele en emotionele elementen niet ontbreken en in de protreptische stoffen intellectuele en emotionele factoren voorkomen, zo werken in de empoëtische stoffen intellectuele en volitionele potenzen mede. Geen empoëtische stof zou van het didactisch element geheel afstand kunnen doen: het intellect is één van de voornaamste vehicula, om de emotionele zone te benaderen. Het protreptisch karakter van een empoëtische stof treedt krachtig naar voren, wanneer de emotie de machtige hefboom blijkt te zijn om het wilsleven in actie te zetten en handelingen te veroorzaken. Het emotionele element is echter in de stoffen van de empoëtische soort het overwegende.

Deze stoffen worden de empoëtische of afficerende ge­noemd, omdat onder deze benaming het best al die stoffen worden samengevat, welke onder deze groep vallen.

De naam mystieke stoffen is te eng en die van paracletische evenzeer, omdat de paraclese of vertroosting van het bedroefde hart slechts een onderdeel vormt van de stoffen, die tot deze groep gerekend worden. De werking van deze stoffen kan niet alleen zijn vertroosting, maar ook vrees voor de zonde, hoop op de zaligheid, blijdschap in de dienst Gods, bewondering van Christus en van de vele weldaden, die Hij heeft verworven, af­hankelijkheidsgevoel, eerbied, ootmoed, barmhartigheid, goe­dertierenheid, dankbaarheid, jubel. Niet alleen moet de droef­heid over rampen des levens weggenomen worden, maar evenzeer neerslachtigheid, vrees voor de toekomst, angst voor het gericht, enz.


Tot de empoëtische stoffen behoren zulke die, dikwijls in verheven taal, de majesteit Gods en de heerlijkheid van Christus tekenen. Empoëtisch of afficherend van aard en geschikt de mens in ootmoed voor God op de knieën te brengen is de lofzang op de alwetendheid Gods, Ps. 139 : 1-6, en Paulus' hymne op de alles overweldigende grootheid Gods, wanneer hij, na een inzicht ontvangen te hebben in de leidingen Gods met Israël en de volken, jubelt: O diepte van (genade) rijkdom en van wijsheid en van kennis Gods, Rom. 11 : 33-36. De heerlijkheid van onzen Zaligmaker, hetzij in de staat van de vernedering hetzij in de staat van de verhoging, kan met zulke schitterende kleuren gemaald worden, dat het hart van de gelovige geroerd wordt en hij in heilige vervoering de groot­heid en dierbaarheid van Christus bezingt, b.v. Ps. 45 : 3, Jes. 63 : 1-6, Joh. 20 : 27 en 28, 1 Petrus 1 : 8 en 9.

Voorts zijn tot deze groep te rekenen de teksten, die in staat zijn onze ziel met bewondering te vervullen voor de heils­weldaden, welke de Heere aan de gelovigen toezegt. Het door de apostelen verkondigde Evangelie heeft tot inhoud goederen, welke het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en aangaande welke in geen mensenhart de gedachte opge­klommen is, 1 Kor. 2. : 9. Wij zullen eenmaal altijd bij de Heere wezen, 1 Thess. 4 : 17. De overdenking van de gezan­gen van de hemelingen, Openb. 5 : 9 en 10, 7 : 9 en 10, 15 : 3 en 4, 19 : 6-8, kan het hart vervullen met hemelse blijd­schap en de hoop op de heerlijkheid versterken. De Heidelberg­se Catechismus ziet de zaligheid des hemels ook onder dit gezichtspunt, wanneer hij op de vraag, wat troost u het artikel van het eeuwige leven, antwoordt: dat nademaal ik nu het be­ginsel van de eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal.


Ook vallen onder deze categorie alle stoffen, die de christen sterken in moeilijke dagen en hem in tijden van lijden. smart en rouw vertroosting bieden. Er zijn stoffen, die op het lijden van de kinderen Gods betrekking hebben, en in hoofdzaak didactisch van aard zijn. De prediker kan aantonen, dat er verband bestaat tussen zonde en leed en door onderwijzing het inzicht in dit verband verhelderen. Door verklaring van teksten als Job 42 : 7-9 en Joh. 9 : 1-3 maakt hij de gelovigen duidelijk, dat lijden en tegenspoed niet altijd een gevolg is van persoonlijke zonde. De afficherende stoffen die met het lijden van de vromen in verband staan, hebben echter niet in de eerste plaats ten doel de kennis te verhelderen of te vermeerderen en in het lijdensprobleem door te dringen, maar troost te bieden aan hen, wier ziel door lijden van lichamelijke of geestelijke aard bedroefd is. Daartoe zijn teksten te kiezen, die het lijden van Gods kinderen met al zijn zielsworstelin­gen in voorbeelden tekenen, b.v. de geschiedenis van Job en Asafs psalm 73.

Een rijke bron van vertroosting ligt in het voorzienig bestuur Gods, die ons op de levensweg van stap tot stap leidt en al het kwaad, dat Hij ons toeschikt, ten beste keren zal, zodat wij in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht op onze getrouwe God en Vader kunnen hebben. Deze voorzienigheid Gods wordt niet alleen door de Heilige Schrift in haar didactische gedeelten geleerd, maar realiseert zich ook in de heilige historie. Vooral de geschiedenis van de Godsmannen van het Oude en het Nieuwe Testament is een fontein van troost. De wetenschap, dat Christus onze zonden gedragen heeft op het hout, en nu, verheven ter rechterhand Gods, als de grote Hogepriester medelijden kan hebben met al onze zwakheden, biedt stof tot bemoediging en hoop.

Door een doelmatige behandeling van de empoëtische stoffen kan een krachtige paraclese bewerkt worden; het affect van de droef­heid wordt zó in zijn actie tegengestaan dat het zwijgt, de berusting maakt zich meester van het hart, Ps. 39 : 10, of de stilte, waarbij alle woelig begeren zwijgt, vlijt zich over de ziel, Ps. 131, ja een positief affect kan ontwaken en zó krachtig werken, dat dankbaarheid voor de leidingen Gods in don­kere dagen de christen overweldigt, deze roemt in de verdruk­kingen en God verheerlijkt, omdat hij waardig geacht is om Christus' wil smaadheid te lijden, Hand. 5 : 41, Rom. 5 : 35.
Eindelijk hebben onder de empoëtische stoffen vooral de mystieke een plaats, die naar een of andere zijde een beschrijving geven van het verborgen leven des harten. Wanneer de christen in persoonlijk contact komt met zijn God, ontwaken de religieuze emoties van tedere, innige, mystieke aard.317

De mystiek behoort tot het leven van de bevinding. Sommige stoffen, die het bevindelijke leven raken, zijn in hoofdzaak didactisch en hebben vermeerdering van religieuze kennis ten doel. Een preek over 2 Kor. 7 : 10, het onderscheid tussen de droef­heid van de wereld en de droefheid naar God, is allicht meer didactisch dan mystiek. In de bevinding is een breed terrein, waar het intellectuele of het volitionele de toon aangeeft. Evenwel, er is ook een zeer rijk gebied, waar het emotionele domineert. In de Heilige Schrift zijn vele stoffen, die het be­vindelijke leven in zijn emotionele zone afficheren en die door de werking van de Heilige Geest geschikt zijn religieuze affecten in actie te zetten of tot rust te brengen. De Psalmen bieden een onuitputtelijk fonds aan mystieke stoffen. De historie van Simson, David, Elia, Petrus, Paulus ontsluit de toegang tot de rijkste schatkamers van het mystieke leven. Beschouwing van het verloren en het herwonnen contact van een kind Gods met zijn hemelse Vader kan tot vrucht hebben, dat de gees­telijke dodigheid uit onze eigen ziel wijkt en nieuw leven in ons hart gaat ritselen. Overpeinzing van het liefdeleven tussen Jezus en zijn bruidkerk op aarde brengt ons er toe de gemeenschap met Christus in het verborgen leven meer en meer te zoeken.


Gemakkelijk te behandelen zijn de empoëtische stoffen niet. Zij onderstellen bij de prediker een rijke ontwikkeling van eigen religieus gemoedsleven en de gave in de religieuze emotie van anderen te kunnen inleven. Het is heel goed mogelijk en komt herhaaldelijk voor, dat een empoëtische stof als een di­dactische wordt behandeld en alle roering ontbreekt. Dan komt de stof niet tot haar recht en is de homiletische behande­ling van de tekst verkeerd. De heerlijkste mystieke teksten verliezen hun geur en kleur, wanneer ze worden beschouwd als „zetels van argumenten” voor de dogmata, van hun aan­schouwelijk en concreet karakter beroofd en tot afgetrokkenheden vervormd worden, en al hun innerlijkheid wordt ver­uiterlijkt. Een mystieken tekst mag de prediker niet met een tangetje aangrijpen en met het ontleedmes bewerken, maar hij moet hem als een sappige vrucht in de handen nemen, aan de mond brengen en op zulk een wijze nuttigen, dat hij van de geur en de smaak ten volle geniet.

Om een empoëtische stof op de juiste wijze voor de gemeente des Heeren te behandelen is nodig, dat de prediker zowel bij de voorbereiding als bij de verkondiging zelf bezield is voor het onderwerp en in de tekst inleeft. Dit mag ook gevraagd voor didactische en protreptische stoffen, maar is toch in het bijzonder vereist bij empoëtische, omdat zonder emotioneel contact met de tekst een behoorlijke behandeling uitgesloten is. De snaren van de harp des harten moeten bij de prediker zelf trillen, zal hij de tonen aan anderer hart ontlokken. Bij elke stof, maar vooral bij die van het afficherend genre, moeten de woorden, die hij spreekt, geest en leven zijn.

Hiermede is niet bedoeld, dat de dienaar van het Woord op de kansel in de zin van „Selbstzeugnis” getuigenis moet afleggen, en eigen zieleleven voor de ogen van de schare aan een scherpe analyse onderwerpen. Ik stukken horen in de bediening van het Woord niet thuis. Maar wel wordt met dezen eis te kennen gegeven, dat uit de wijze, waarop de prediker de tekst aanpakt, verklaart en toepast, ja uit de wijze waarop hij de preek inkleedt en voordraagt, de indruk wordt gewekt, dat hij met heel zijn hart leeft in de waarheid die hij verkondigt. Wie zelf gloeit, kan anderen verwarmen. Gevoelens zijn aansteke­lijk. Bezielde prediking werkt bezielend. Er gaat kracht uit van het woord, dat met warme overtuiging wordt gesproken.

De prediker worde echter niet sentimenteel en spreke niet geaf­fecteerd. Hij wachte zich voor zelfbedrog en geve geen valsen schijn. Hij huichele de religieuze emotie niet en zij een vijand van onoprechtheid. De dienaar van het Woord is geen toneel­speler. Hij hate de man met het masker.

Voorts houde hij in het oog, dat religieuze stemming op zichzelf niet voldoende is. Zelfs met bidden alleen komt men er niet. Met het orare moet het laborare samengaan. Ook een tekst van 18 karaats mystiek gehalte vraagt grondige exegese. Een kort Schriftwoord met mystieken toon als motto gebrui­ken, het telkens met verschillende intonatie herhalen en in onderscheiden betekenis aanwenden is geen bediening van het Woord. Dit is mottoprediking en dus misbruik van de Schrift.
De prediker is geroepen de Godsgedachten, die in de woorden van de Schrift verscholen liggen, te vertolken, maar niet eigen gedachten in die woorden in te leggen. Een empoëtische preek moet gebaseerd zijn op een degelijke, gezonde exegese. De gedachten van de tekst worden in goede volgorde, doelmatig gerangschikt, in helderen vorm voorgedragen. Zoveel als maar immer mogelijk is, moet de diepmystieke inhoud met het licht van het bewustzijn beschenen worden. De gemeenschap met God gaat niet buiten het verstand om. Ongetwijfeld heeft het innerlijk geloofsleven zijn donkere zijde. Emotie is nooit tot in haar laatste elementen begripsmatig te vatten. Het verstand heeft, ook in de religie, zijn grenzen. Maar de prediker wachte er zich voor, de weldadige mystieke schemer in volslagen duisternis te doen overgaan, en in duistere woorden en onsamenhangende zinnen zijn „gedachten” voor te dragen. Vooral bij de empoëtische stof is aanbevelenswaardig de preek op te bouwen in de vorm ener rede en te streven naar helder­heid van voorstelling en scherpe gedachtebelijning.

De inkleding van de preek is bij de empoëtische stoffen een factor van gewicht. Het is een bekend psychisch fenomeen, dat de fantasie als intermediair dient om de emotionele krachten van de menselijke ziel in actie te zetten. Daarom zal heel de bouw en de wijze van uitdrukking van dien aard moeten zijn, dat de fantasie van de hoorder gaat werken. In zulke preken worden dus weinig abstracta gebruikt en geen lange enigszins ingewikkelde redeneringen opgezet. De pre­diker moet de dingen tekenen, schilderen, aan het geestelijk aanschouwingsvermogen vertonen. De barmhartigheid b.v. wordt niet begripsmatig gedefinieerd, maar getekend in een concrete persoonlijkheid, die zich over de naaste ontfermt. De zonde van dronkenschap naar haar wezenlijke kenmer­ken in abstracte terminologie voor te stellen is in een empo­ëtische preek niet doelmatig; de gemeente moet een armoedig dronkaardsgezin met al zijn smart en ellende binnengeleid worden.

De tekstwaarheid worde zoveel mogelijk concreet genomen. Typische toestanden van het geestelijke leven worden zó in enkele trekken beschreven, dat de gemeente ze ziet. Er zijn er, die met enkele potloodstrepen een mensengezicht tekenen. Het beeld is zeer onvolledig, de fantasie moet veel aanvullen, maar de markante lijnen en typerende trekken, waar het op aankomt, geeft de tekenaar wel. De prediker, die iets heeft van de artiest en met woorden kan tekenen, zal door enkele zinnen bepaalde typen zó uitbeelden, dat ieder het typerende dadelijk door zijn verbeelding ziet, en weet, welke groep gekarakteriseerd wordt. Heeft de fantasievoorstelling een sterken gevoelstoon bij zich, dan trillen terstond de gevoels­snaren, en ontstaat de religieuze emotie.

Wie de heilige kunst verstaat het klavier van de religieuze, God gewijde emotie te bespelen, moet binnen bepaalde grenzen blijven en er voor waken, dat vooral de negatieve emoties of affecten niet te sterk in actie komen. 'Wanneer in een kerkge­bouw de hoorders dicht op elkaar zitten, en dus, gelijk de „psychologie des foules” ons leert, de natuurlijke psyche gemakkelijk geïnfecteerd wordt, daarbij het onderwerp, op welsprekende en bezielende wijze behandeld, de schare boeit, is het gevaar groot dat de aandoeningen bij sterk emotionele naturen heftig werken, en het vermogen om de inhoud van de preek te appercipiëren door overspanning van de emotie wordt verzwakt. Buitengewoon hevige gevoelsdeining, ont­staan door suggestieve prediking in een overvolle samenkomst, uit zich dikwijls in schreien, angstuitroepen of bezwijming, maar deze verschijnselen zijn niet altijd een bewijs van de toepassende werking van de Heilige Geest, dikwijls slechts het gevolg van een bewogenheid van de natuurlijke psyche. Naar knaleffect jage geen prediker, de stichting van de zielen zij zijn doel. Daarom zij hem in het algemeen geraden voorzichtig en zacht de tedere snaren des harten te tokkelen.



20. STOFFEN VAN BIJZONDERE VORM
Onder de in het vorige hoofdstuk genoemde indeling vallen alle stoffen. Naar het element dat overweegt, is een preekstof óf didactisch óf protreptisch óf empoëtisch. Er zijn echter in de Heilige Schrift stoffen, die, hoewel ze onder één van de driegenoemde groepen vallen, zulk een bijzondere vorm hebben, dat zij in de homiletiek onder een ander gezichtspunt nog afzonderlijk bespreking vereisen. Het zijn de historische stoffen en de gelijkenissen. Daarbij komt aan de Cate­chismusprediking, wegens de bijzondere eisen die zij stelt, afzon­derlijke behandeling toe. De afdelingen van de Catechismus behoren óf tot de didactische óf tot de protreptische óf tot de empoëtische stoffen, maar zij hebben als preekstof zulk een bijzondere vorm, dat de eigenheid dezer stoffen onder de ogen moet gezien. Dus worden hier besproken de historische stoffen, de gelijkenissen en de Catechismusprediking.

A. De historische stoffen.
D. Knibbe. Manuductio in orat. sacr. cap. XXII; A. Vinet. Homiletiek2. pag. 73; E. Ch. Achelis. Prakt. Theologie II. pag. 165; P. Kleinert. Homiletik. Leipzig. 1907. pag. 53; D. Steinbeck. Die Bedeutung van de verschiedenen Textarten fnr die Methode van de Predigt. Art. Neue Kirchl. Zeitschrift. Heft 9. 1914.

De historische gedeelten van de Heilige Schrift zijn voor de gemeente des Heeren van grote waarde. Het christelijk geloof hecht zich aan, baseert zich op, staat of valt met de feiten van schepping, incarnatie, opstanding en hemelvaart. In het symbolum apostolicum neemt het geloof aan de centrale heilsfeiten een brede plaats in. De betekenis van het historisch, tijdruimte­lijk gebeuren, dat in rechtstreekse betrekking staat tot de heilsopenbaring Gods, moet vooral in onze tijd met kracht ge­handhaafd worden tegenover hen, die het feit ondergeschikt maken aan de idee en de gebeurtenissen in die mate vervluch­tigen dat het feit tot een fictie wordt.

De historie des heils is van zo hoog belang, omdat God in de feiten Zijn raad verwerkelijkt en Zijn gedachten openbaart. 't Zijn feiten, die spreken van de deugden Gods. Indien we de historie, in de Heilige Schrift medegedeeld, met het door de Heilige Geest verlichte oog bezien, kunnen we er uit leren, wie God, wie Christus is. Jezus' werken getuigen van Hem, Joh. 5 : 36. De twijfelende Johannes moeten zijn discipelen verkondigen de werken die Jezus gedaan heeft, Matth. 11 : 26. De historie wijst heen naar en zijn openbaringen van de eeuwige gedachten, de nooumeena Gods. Al wat te voren geschreven is, ook de historie, is tot onze lering te voren geschreven, Rom. 15 : 4.318

Omdat, gelijk in het Principiële Deel is gebleken, de stof voor de bediening van het Woord alleen geboden wordt door de Heilige Schrift, kan historie, die niet in de Heilige Schrift wordt vermeld, geen object van prediking zijn. Zonder enige twijfel is in alle gebeuren de hand Gods; niets geschiedt zonder Zijn raad; in alle historie realiseert God zijn ideeën. Maar de buitenschriftuurlijke historie is daarin van de in de Heilige Schrift vermelde feiten onderscheiden, dat de laatste beschreven zijn door mannen, die door de Heilige Geest gedragen zijn en daardoor in hun historiebeschrijving voor dwaling werden behoed, 2 Petrus I : 21, 2 Tim. 3 : 1 6, wat met geen andere historiebeschrijving het geval is.

En ten tweede is in de historie van de Heilige Schrift het principium, waarnaar de feiten uitgekozen en gegroepeerd worden, van geheel enig karakter. Iedere historieschrijver laat zich bij de keuze van hetgeen hij van waarde acht door een gezichtspunt leiden; niemand verhaalt alles wat gebeurd is; geschiedenis is geen kroniek; de historicus brengt een princiep van keuze mee, waarnaar hij beoordeelt, wat waard geacht wordt in zijn beschrijving een plaats in te nemen en wat een factor geweest is in de ontwikkeling van het gebeuren in de richting van een bepaald doel.319 Het beginsel, dat alle heilige schrijvers bij het uitkiezen van de feiten laten gelden, is de waarde die het feit heeft in betrekking tot de heils­openbaring Gods in Jezus Christus. De getuigenis van Jezus is de geest van de profetie, Openb. 19 : 10. Afgezien van allerlei andere factoren volgt daaruit, dat de historie, die de Bijbel verhaalt, enig in haar soort is, zij is heilshistorie en daarom alleen object van de bediening van het Woord.

Afgewezen moet de opvatting van Vinet, die kerkgeschiedenis, zendingsgeschie­denis en levens van grote persoonlijkheden tot object van de prediking wil maken,320 en van Eckert, die, zij het onder enige reserve, van Kirchengeschichtliche Stoffe spreekt.321 Niet alleen de staatkundige en economische, maar evenzeer de kerk en zendingsgeschiedenis vallen buiten de bediening van het Woord. Alleen de historische gedeelten van de Schrift, zowel des Ouden als des Nieuwen Testaments, komen hiervoor in aanmerking.


Onder de homileten, die in het bijzonder aandacht geschon­ken hebben aan de behandeling van de historische stoffen, is de Gereformeerde homileet David Knibbe een van de beste. In § 22 van zijn Manuductio somt hij de volgende regelen op:

1. Analysis ante omnia accurate instituatur.

2. Singula verba textus non semper examussim explicanda, sed tantum para­phrastice saepe sunt deducenda. Wanneer er onbekende woor­den als Raka of Korban in de tekst voorkomen, moeten die verklaard worden.

3. Non ex singulis verbis vel periodis, sed ex materia magis principali, observationes sunt eliciendae.

4. Ob­servationes non multis sed paucis locis parallelis, exemplis et rationibus probandae sunt.

5. Observationes aliquando per modum exclamationis aut admirationis sunt proponendae.

6. Finita explicatione cum observationibus, generalis applicatio instituatur.

7. Applicatio generalis eruitur ex scopo et circum­stantiis Historiae magis principalibus, quae spiritualiter ad conscientias auditorum accommodantur.

Hoewel op deze regels van Knibbe nog wel iets aan te merken zou zijn, vooral op hetgeen hij zegt over de observationes, en zij allerminst op volle­digheid kunnen aanspraak maken, bieden ze toch enkele waardevolle gegevens.
De behandeling van de historische stoffen kan beschouwd worden onder het gezichtspunt van het materiele en van het formele.
A. Uit materieel gezichtspunt verdienen de volgende punten overweging.

Ten eerste ontwerpt de homileet met alle hem ten dienste staande hulpmiddelen zich een duidelijk en nauwkeurig beeld van de historische stof, die hij tot tekst gekozen heeft.

a. De tekst moet tot in bijzonderheden bestudeerd worden, zodat de juiste betekenis van ieder woord vast staat. Vooral dient gelet op de zogenaamde kleine trekjes, waarover de eenvoudige bijbellezer gemakkelijk heenglijdt, maar die voor het recht verstaan van Gods Woord van groot belang zijn. De apostel Johannes is in zijn evangelie rijk aan dergelijke opmerkingen. Van het eerste verblijf bij Jezus, dat zulk een diepe indruk op zijn gevoelige ziel maakte, zegt hij: en het was omtrent de tiende ure, Joh. 1 : 40. Als Judas de Paaszaal verlaat, merkt Johannes fijntjes op: en het was nacht, Joh. 13 : 30.

b. Bij verklaring van de tekst wordt gebruik gemaakt van hetgeen geboden wordt door geographie, ethnographie en archaeologie.322 Van de ligging van de plaatsen en het aspect van het landschap heeft de prediker zich op de hoogte gesteld. De Oosterlingen moet hij in hun psychische eigenheid kennen en tekenen. Van woning, kleding, bedrijf, handel, zeden en ge­woonten moet de prediker een duidelijke voorstelling hebben, voorzover dit bij de tegenwoordige stand van de wetenschap mogelijk is.

c. Het verhaal dat de Heilige Schrift geeft, mag niet verbreed, aangevuld of gewijzigd worden. Hiaten mogen niet door de fantasie van de exegeet weggewerkt worden. Dat de Heilige Schrift sommige gebeurtenissen zeer in de brede behandelt en van andere slechts een beknopt resumé geeft, is met opzet ge­schied. De auctor primarius heeft de auctores secundarii zó beïnvloed, dat weggelaten werd, wat aan het doel, dat Hij zich met de openbaring stelde, niet dienstbaar was. De Bijbelse geschiedenis is allerminst gegeven om onze nieuwsgierigheid te bevredigen of een doorlopende geschiedenis van het volk Israël te kunnen schrijven, maar is de historie van het heil, dat God in Jezus Christus openbaart.323
Ten tweede wordt het psychologisch proces bij de hande­lende personen, zowel in de natuurlijke als in de religieuze sfeer getekend.

a. Bij de homileet mag verondersteld een voldoende, door studie, introspectie en ervaring verkregen kennis van de krachten van de menselijke ziel en van de ingewikkelde processen, die zich in het psychisch leven kunnen voordoen. Tot de hoogten moet hij kunnen opklimmen en tot de diepten afdalen. Nauwkeurige kennis is nodig van de speciale psychologie, van het onderscheid tussen de zielen van de mensen ten opzichte van sekse, ras, leeftijd, temperament, begaafdheid. Deze kennis wordt gebruikt om de in de heilige historie optredende perso­nen te beschrijven in hun ziellijk beweeg, de verborgen motieven bloot te leggen die tot de daden hebben geleid, en de rijkdom van emoties te beschrijven die de personen bezielden, om zo de handelingen enigermate te verklaren als uitingen van psychische processen.

b. Uitgebreide kennis van de religieuze sfeer in het psy­chische leven is onontbeerlijk, om de religio subjectiva in haar ontstaan, variëteit, standen en toestanden, inzinking en bloei, krankheden en reconvalescentieprocessen, in haar strijd en overwinning of nederlaag te kunnen tekenen. Bij de analyse van het geestelijke leven boude de prediker steeds in het oog, dat de menselijke ziel nooit tot in haar diepste diepte te peilen is en er zelfs in het meest transparante zieleleven nevelen zijn. Voor God alleen „is 't aaklig duister, de dag gelijk in glans en luister.” Onze ziel ligt voor Hem naakt en geopend. Hij dringt door tot in de laatste vezelen en doorziet de troebele heffe van ons hart. Maar wij hebben bij de verklaring van een historische tekst de nodige bescheidenheid te betrachten, omdat onze kennis van de menselijke psyche gering is. We kennen ons zelf niet en zijn dikwijls in het religieuze leven ons zelf een raadsel. Hoe zouden wij dan de naaste door en door, „restloos”, kennen? Hoe zou 't ons dan mogelijk zijn de religieuze ervaringen te doorgronden van mannen, die vele eeuwen vroeger leefden en van wie de Heilige Schrift slechts weinig mededeelt? Nog om een andere reden moet de prediker bij de verklaring van de religieuze verschijnselen zich een teugel aanleggen, n.l. deze, dat in de ziel van de gelovige de Heilige Geest werkt, en de Geest Gods soms op een wonderlijke en onver­klaarbare wijze in het proces ingrijpt. De prediker schrome niet te belijden, dat zijn verklaren halt maken moet bij het mysterie.

c. Bij de nadere ontleding van de religieuze uitingen blijkt, dat, al staan de mannen en vrouwen, die de Heilige Schrift ons tekent, eeuwen van ons af, en leefden zij in een ander cultuurmilieu en onder een andere bedeling van het verbond van de ge­nade, dat, al werden enkelen hunner op bijzondere wijze begiftigd met gaven des Geestes, zij toch mensen waren van gelijke beweging als wij, zondaren die van genade moeten leven, gelovigen die dezelfde strijd voeren als wij. En daarom juist, wijl ze met ons op hetzelfde geestelijke niveau staan, kunnen ze ons tot voorbeelden zijn, die wij moeten navolgen, Hebr. 13 : 7, 1 Petrus 3 : 6. De zonden van de vromen en de ongerechtig-heden van de ongelovigen, hetzij dezen ver waren van het koninkrijk Gods of meer nabij stonden, zijn beschre­ven ons ter waarschuwing, opdat wij, die, evenals zij, zonda­ren zijn, ons voor de bozen weg zouden wachten, 1 Kor. 10 : 6, 11, Hebr. 12 : 16. Bij de psychologische behandeling van figuren als Saul, Achab, Herodes, Judas Iskarioth, moet men bedenken dat zij, ook bij de ontzettende ontwikkeling van de zonde, mensen waren, met wie wij verwant zijn; in onze psyche liggen van nature de kiemen van dezelfde boosheden, 1 Tim. I : 1 5 , Hebr. 4 :11.

d. Het is niet voldoende de tekst naar de psychologische zijde te verstaan, de psychische toestanden moeten ook getekend worden, niet in vaktermen van de psychologie, maar in de taal van het dagelijks leven, zodat de eenvoudige het verstaat. De tekening moet tekening, kenschetsing blijven en mag geen brede beschrijving worden, daar de psycholo­gische behandeling slechts middel is en niet doel.
Ten derde wordt onderzocht, op welke hoogte de Godsopenbaring stond, ten tijde dat de gebeurtenissen waarover gepredikt wordt plaats hadden, om uit dit gezichtspunt de personen en hun handelingen te beoordelen. Kennis van de historia revelationis is onontbeerlijk voor een juiste behan­delingswijze van de historische stoffen. Beschouwt de prediker de geschiedenis op het niveau, dat de Godsopenbaring toen bereikt had, dan worden fouten voorkomen als deze, dat Mozes en David beoordeeld worden als hadden ze de geboorte van Christus reeds aanschouwd, en de discipelen, die de Heere Jezus bij zijn omwandeling op aarde volgden, met een maatstaf worden gemeten, als hadden ze de opstanding en hemelvaart des Heeren en de uitstorting van de Heilige Geest reeds achter zich. Dan wordt duidelijk, in welke relatie het tot tekst gekozen gedeelte van de heilshistorie staat tot de centrale gedachte van de God­delijke revelatie, n.l. het heil voor zondaren door Jezus Chris­tus, en welke plaats deze geschiedenis in het organisme van de heilsopenbaring inneemt. En eerst nu de personen naar de juisten maatstaf beoordeeld zijn, kunnen de lijnen getrokken worden van het verleden naar het heden, en is de vraag te beantwoorden, wat het feit en de handelende personen voor onze tijd te zeggen hebben.
Ten vierde mag de historie niet als allegorie opgevat en „ver­klaard” worden.324 De genezing van de melaatse, Matth. 8 : 24, kan bij een gezonde exegese geen preek geven over de genezing door Jezus van onze geestelijke melaatsheid. Al is de huwelijksverhouding tussen man en vrouw een beeld van de innige betrekking, die er tussen de Heere Jezus en zijn gemeente bestaat, Ef. 5 : 32, de ontmoeting van Izak en Rebecca (Gen. 24) is allerminst aanleiding tot allegorische interpretatie, waarbij Rebecca de ziel „wordt”, die voor Izak = Christus van de kemel, d.i. de eigengerechtigheid, afvalt, wanneer zij Jezus in het oog krijgt. Er is ongetwijfeld perspec­tief in de Schrift. Er straalt eeuwigheidslicht in het tijdelijk gebeuren. Er is analogie tussen schepping en herschepping. De geschiedenis van Israël is rijk aan typiek. De Oud Testa­mentische eredienst was typisch-symbolisch. Er is een hemels Kanaän, er is een hemels Manna (Joh. 6), de reis van de kinderen Israëls door de woestijn is een beeld van de weg, die ieder kind Gods, ja die heel de kerk van Christus in dit leven bewandelen moet (Openb. 12 : 6).

Er is een diepe geestelijke zin in de historie van het Oude en het Nieuwe Testament. Achter alle gebeuren staat God, die Zich in betrekking tot de Christus openbaart. Geen ogenblik verlieze de prediker uit het oog, dat God in de heilshistorie zijn gedachten doet kennen. Maar dit is iets anders dan de geschiedenis opvatten als allegorie, waarbij het subject in de „verklaring” vrij spel heeft en de exegese vervangen wordt door het spel van de fantasie. „Alle­gorische interpretatie is het graf van goede smaak en gezond verstand” (Van Oosterzee).325 De geschiedenis van de theologie en van de filosofie biedt talrijke voorbeelden, die ons laten zien, welke de heilloze gevolgen zijn van de allegoriseringsmethode. De positieve religie is ondergraven en weg gespecu­leerd. Feit werd fictie. Dubbel gevaarlijk is de allegorische methode, wanneer ze zich hult in een vroom gewaad en door gelovige verklaarders in toepassing wordt gebracht, omdat ze subjectieve inlegsels wil laten doorgaan voor zuivere uitlegging van het Woord van God, dat absolute autoriteit heeft.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page