Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page16/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   29

18. DE TOEPASSING

D. Knibbe. Manuductio in orator. sacr. Leiden, 1697, pag. 96 seq.; F. A. Lampe. Institutionum homileticarum Breviarium. Groningen 1747, pag. 37 seq.; J. van Andel. Vademecum pastorale. Kampen. 1910. pag. 57, 66 seq.; A. Kuyper. Onze Eredienst. Kampen. 1911. pag. 329; W. S. Bruce. The psychology of Christian life and behaviour. Edinburgh. 1923; M. Reu. Homiletics. Chicago. 1922. pag. 361; Th. Christlieb. Homiletik. Basel. 1893. pag. 168 seq. T. Hoekstra. Geref. prediking. Baarn. 1920. pag. 40 seq. F. Niebergall. Prakt. theologie. I. pag. 285 seq. II 65 seq.

De Gereformeerde homileten van de zeventiende eeuw hebben in hun handboeken steeds weer herhaald, dat de bediening van het Woord bestaat in explicatio et applicatio van de tekst. Al is destijds in de praktijk van de ambtelijke bediening de ap­plicatie niet altijd tot haar recht gekomen, in de theorie hielden de Gereformeerden het goede spoor. Zij behandelden doorgaans de leer van de usus, die uit een tekst afgeleid konden worden, in de brede. De applicatie of toepassing is nervosa et pathe­tica textus explicati, ad speciales auditorurn usus, accommodatio.287

De toepassing is een onmisbaar deel van de preek. Zij kan niet weggelaten worden, omdat zij behoort tot het „lichaam” van de preek. Zonder toepassing is de preek geen ware bediening van het Woord meer. Zij mag, naar het tekenend woord van Kuyper, geen sloep wezen die achter het schip aanhangt.288

Er is gezegd, dat de hoorders zelf de toepassing maar moeten maken. Zonder twijfel moeten de hoorders het woord op zichzelf toepassen, maar deze toepassing van de hoorders maakt die door de dienaar van het Woord niet overbodig. Daargelaten, dat verreweg het grootste deel van de hoorders niet in staat is het Woord van God, dat verklaard wordt, op de rechte wijze toe te passen, mist een preek zonder toepassing het karakter van bediening van het Woord. De prediker moet brood geven, dat toebereid is, en geen graankorrels over de schare uitstorten. De prediker heeft niet alleen de heilswaarheid objectief voor te stellen, maar ook zich te beijveren, dat zij subjectief worde toegeëigend. Hij moet niet alleen de Christus aanwijzen, maar ook tot Christus leiden en als het ware zijn hoorders bij de hand nemen, om hen met de Heere Christus in gemeenschap te brengen. Hij moet een poging wagen om met het woord van de tekst in te dringen in de harten van de hoorders en het daar te laten werken tot levensvernieuwing. De Heilige Schrift is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot opvoeding in de rechtvaardigheid, (2 Tim. 3 : 16 en 17), en deze nuttig­heid van de Schrift treedt vooral aan het licht in de toepassing van de bediening van het Woord. Timothéüs moet het Woord predi­ken, aanhouden tijdig en ontijdig, wederleggen, vermanen en bestraffen, 2 Tim. 4 : 2. Wie profeteert, spreekt de mensen stichting en vermaning en vertroosting, 1 Kor. 14 : 3. De engelen, die bij de grote gebeurtenissen in het leven van de Zaligmaker optreden, tonen in de Evangelieprediking de hei­lige kunst van toepassen uitnemend te verstaan. De engel van de Kerstnacht verkondigt de herders niet alleen dat Christus geboren is, maar wijst ook de plaats, waar ze het kindeken kunnen vinden. De engel, die als eerste Paasprediker optreedt, deelt aan de bevreesde vrouwen mede, dat de Heere is opgestaan, en wijst aan, waar zij de Heiland ontmoeten kun­nen. De prediking van de Heere Jezus zelf en van de apostelen is steeds applicatief.

Gemakkelijk is het concipiëren van de toepassing niet. Zij vraagt niet minder van des predikers energie dan de verklaring. Ja, de toepassing eist bijzondere zorg, zowel ten materiele als ten formele. Wie, met de verklaring gereed gekomen, het vinden en uitwerken van de toepasselijke gedachten verschuift tot het moment dat hij op de kansel staat, geeft aan de ge­meente niet wat haar toekomt. De applicatie eist op zijn minst evenveel voorbereiding als de explicatie. De toepassing toch moet in elke preek speciaal zijn en bij de tekstinhoud passen.

De prediker, die zich zijner roeping bewust is, wil niet iedere Zondag met een beetje andere of soms met dezelfde woorden dezelfde algemeenheden aan zijn gemeente voorhouden, maar arbeidt om de toepassing zo speciaal mogelijk te maken en variatie aan te brengen. Hij weet dat schematisme doodt en alle cliché vervlakt. Een frisse, levende, telkens nieuwe toepassing is de vrucht van lange, zware geestesarbeid en van ootmoedig gebed.
Wat moet toegepast worden?


  • Ten eerste, de hoofdgedachte van de tekst, die in het thema is uitgedrukt. De speciale heils­gedachte welke de Heere in de tekst openbaart, beheerst de ganse preek, zowel in verklaring als toepassing. Zij wordt op verschillende wijzen, naar onderscheiden gezichtspunten, in de subjectieve sfeer getransponeerd. Hoe specialer de prediker de hoofdgedachte van de tekst verklaart en toepast, des te rijker wordt de preek voor hoofd en hart, des te beter zal zij onder de zegen van Boven in de ziel van de hoorder indrin­gen. Eén thema, zowel in de objectieven als in de subjec­tieve toonaard gezet en in onderscheiden variaties herhaald, klinke door de bediening van het Woord heen.

  • Ten tweede worden uit de nevengedachten, welke de tekst biedt, toepasselijke opmerkingen afgeleid. Vooral bij grote teksten, in het bijzonder bij historische stoffen, vindt de dienaar van het Woord telkens gelegenheid praktische observaties te maken en ondergeschikte punten van de verklaring op de praktijk des levens toe te passen. Men wachte zich er voor deze applicatieve nevengedachten te breed uit te spinnen, om daardoor de hoofdgedachte van de tekst niet in de schaduw te laten komen.


Waarop moet de toepassing zich richten?

Op het ganse leven van de mens. Er is geen levensterrein, waarover de Heilige Schrift niet haar licht laat vallen. Het profetische Woord is een licht, schijnende in een duistere plaats, 2 Petrus 1 : 19. Het Woord van God, in de tekst vervat, wordt toegepast op het geestelijke leven in zijn onderscheiden toestanden, op het praktische leven in huisgezin, staat en maatschappij, en op het brede wereldleven, waaraan de christen, die kind van zijn tijd is, zich niet kan en niet mag onttrekken. Het gebied dat de toepassing bestrijkt is onafzienbaar en er wordt in de prediker een grote homiletische vaardigheid vereist, om juist op die punten het licht van de tekst te laten vallen, die voor de ge­meente des Heeren het meest van belang zijn.


De toepassing op het geestelijke leven is van de hoogste waarde. Homileten als Hyperius, Hoornbeek, Martinus, Knibbe e.a. hebben dit helder ingezien en in hun handboeken de leer van de usus breed ontwikkeld. Vooral in onze tijd, nu de religieuze psychologie vorderingen maakt, mag verwacht wor­den, dat de resultaten dezer psychologie de prediking ten goede zullen komen.

De applicatie projecteert de tekstgedachten in de allereerste plaats in het geestelijke of bevindelijke leven, zowel in de intellectuele en volitionele als in de emotionele sfeer. De bevinding wordt wel eens eenzijdig opgevat en ten onrechte met het gemoedelijke geïdentificeerd. Zeker, de prediking moet op zijn tijd ook gemoedelijk zijn, op de affecten werken, en roering teweegbrengen. Maar tot een beïnvloeden van het religieuze motionele leven is de echt bevindelijke prediking niet beperkt. Tot de Christelijke geloofservaring of bevinding behoren ook acten van het denkend en strevend Ik. Door nauwgezette studie inzicht verkrijgen in de grote geheimenissen, die de Geest Gods door Paulus in Rom. 9-11 openbaart, behoort evenzeer tot de bevinding als de strijd van de nieuwe tegen de oude mens, waarvan diezelfde apostel in Rom. 7 een beschrijving geeft.

We hebben dus in de toepassing op het geestelijke of bevindelijke leven een usus didacticus. Uit de tekst worden zulke leringen afgeleid, die ons in onze beschouwingen en overdenkingen steun geven en die ons argumenten aan de hand doen om dwalingen te bestrijden, welke in het hart des Christens kunnen opkomen of die door anderen tegen de gezonde leer worden ingebracht.

Voorts een usus protrepticus, waarbij de dienaar van het Woord de tekst aanwendt op het streef en wilsleven in zijn onderscheiden zones, zodat motieven wor­den afgegeven om het goede te doen en het kwade na te laten. Eindelijk dringt de concionator door de usus empoëticus (mysticus vel paraeneticus) met de tekstwaarheid de rijke wereld van de religieuze aandoeningen binnen, brengt de religieuze affecten in actie of tracht door uit de tekst afgeleide quietie­ven het ontrust gemoed tot kalmte te brengen. Hij boude in het oog, dat niet iedere tekst een „locus” is voor allerlei usus.

De inhoud van de tekst, de speciale toestanden van de gemeente en de bedoeling die een prediker met de verkondiging van een bepaalde waarheid heeft, beslissen over de vraag, op welk gebied van het geestelijke leven de objectieve tekstwaarheid haar sub­jectieve projectie zal vinden. Het is niet doenlijk hiervoor regels te geven.
Wel moet opgemerkt, dat het voor een goede wijze van toepassen nodig is onderscheidenlijk te prediken.289 De zuivere lijn moet getrokken worden tussen hen die in waarheid God vrezen en hen die het Evangelie van Christus ongehoorzaam zijn. De gemeente, waarvoor de dienaar optreedt, is geen willekeurig samengestroomde massa, maar de gemeente van de Heere Jezus Christus. Toch zijn, naar de Schrift en naar de ervaring, niet allen oprechte gelovigen. Daarom is steeds weer onderscheid te maken tussen hen die bekeerd zijn en hen die niet tot bekering kwamen. De bediening van het Woord is een openen en toesluiten van het koninkrijk van de hemelen. De lijn moet in de toepassing zo scherp en dui­delijk mogelijk getrokken worden, opdat een ieder die zich aan de prediking toetst, weten kan, of hij tot de kudde van de Goede Herder behoort, ja dan nee.

Het is niet overbodig er voor te waarschuwen, deze onderscheiding niet telkens op dezelfde wijze, uit hetzelfde ge­zichtspunt en met dezelfde woorden te maken. Dit werkt zo dodend op de hoorders, dat ze het tenslotte niet meer horen. Iedere tekst heeft een speciale inhoud en die speciale gedachte worde in de toepassing niet veralgemeend, maar blijve bij de projectie in het subjectieve in haar speciaal karakter gehand­haafd. Dezelfde scheidslijn kan uit verschillend gezichts­punt getrokken worden. Altijd dezelfde scheiding, altijd dezelfde scherpte, en toch onder verschillend aspect overeenkomstig de eigen inhoud van de tekst. Naar 1 Kor. 2 : 9 loopt de scheidingslijn in de toepassing over hen die God liefhebben en die Hem niet liefhebben, naar Jac. 2 : 26 over het levend en het dood geloof, naar Openb. 7 : 14 en 15 over hen die hun klederen gewassen hebben in het bloed des Lams en hen wier klederen nog ongewassen zijn. Wie een slaaf wordt van een schema, is monotoon in de toepassing.

De tekstinhoud wordt aangewend op de verschillende toestanden, die zich in het geloofsleven van de christen kunnen voordoen. Dat leven kent, juist omdat het leven is, hoogten en diepten, ontwikkeling en inzinking, een bloesem en een vruchtperiode. De staat van de christen blijft dezelfde, maar de toestanden veranderen en zijn bij iedere christen weer anders. De toepassing richt zich op die verschillende toestanden als: bekommernis over de zondigen aard, geringe voortgang op de weg van de heiligmaking, niet verzekerd zijn van het deelgenootschap aan Christus, traagheid in de dienst van God, geestelijke dorheid en verachtering in de genade, aardsgezindheid, blijd­schap in God over de vergeving van de zonden, toenemende lust om de Heere te vrezen, genot van de gemeenschap met God, liefde tot Christus en Zijn Woord, verlangen naar de hemel.

Soms komen bepaalde krankheden in het geestelijke leven van de gemeenteleden voor, als: intellectualisme, werkheiligheid, kerkisme, confessioneel indifferentisme, lijdelijkheid, quiëtisme, mysticisme, methodisme, enz.

Ook staat het geestelijke leven on­der de invloed van de omstandigheden van het huiselijk en maatschappelijk leven: ziekte, overlijden van geliefden, tegenspoed in zaken, voorspoed, eerbetoon van de mensen, verach­ting, spot. Er zijn ook speciale zielstoestanden, die verband houden met de leeftijd. Er zijn geestelijke gevaren, waaraan kinderen, adolescenten, volwassenen, ouden van dagen, blootstaan. Op deze toestanden van het geestelijke leven moet de predi­ker zich instellen.

Hij mag geen theoretische beschouwingen geven die nutteloos zijn voor de zielen, maar moet naderen tot de levenswerkelijkheid van de man en de vrouw, die voor hem in de kerk zitten. De christen, die de ganse week midden in de woelige maatschappij met al haar moeilijkheden en verzoekingen heeft verkeerd, komt op de dag des Heeren tot de vergadering van de gemeente, om zijn God te dienen en zijn geestelijken honger te stillen. Die behoefte wordt be­vredigd, wanneer de preek niet is een dor exegetisch betoog met allerlei, op zichzelf interessante, historische, literarische en geografische bijzonderheden, maar de verkondiging van het levende Woord, welke aansluiting zoekt bij de noden van het geestelijk leven en voeding van de ziel ten doel heeft.

Dit veelkleurige religieuze leven bestraalt de prediker met het licht van de tekst. Natuurlijk komen in één preek slechts enkele toestanden van het geestelijke leven ter sprake. Voor een intensieve behandeling van veel casus ontbreekt de tijd; de prediking zou verward worden. Trouwens niet iedere tekst klopt op elke zielstoestand. Evenmin als bij de interpretatie mag bij de applicatie de tekst geforceerd en gedraaid worden in een richting, die vreemd is aan de tekst zelf. De speciale tekstinhoud laat zich slechts op bepaalde, met dezen inhoud in verband staande geestelijke toestanden aanwenden. Bijzonder wordt de taak van de prediker verlicht, wanneer hij, gelijk zo nu en dan voorkomt, een tekst gekozen heeft met het doel, op enkele verschijnselen in zijn gemeente het licht van Gods Woord te doen vallen.
Indien de dienaar van het Woord bepaalde ziekteverschijnselen onder de loep neemt en geestelijke krankheden zijner gemeente met het medicijn van de Schrift cureert, wachte hij zich er voor dezen of genen persoon te tekenen, zodat de gemeenteleden merken: hiermee is A of B bedoeld. In dit geval heeft de toepas­sing averechtse gevolgen en bereikt zij haar doel niet. De meeste hoorders laten de applicatie aan zich voorbij gaan. Zij nemen het geestelijk medicijn niet in, omdat ze menen, dat dit voor een ander is bestemd. En de persoon, wie het geldt, wordt in de meeste gevallen verbitterd in plaats van verbeterd. Zulk een manier van handelen is niet wijs. Zij is niet teer. Het ragfijne geestelijke leven vraagt voorzichtige behandeling. Wie met de knots zwaait, slaat builen, maar geneest niet.

Allerminst mag de prediker de bedoeling hebben van de kansel één lid van de gemeente te treffen en diens zonden publiek te gispen. Dit is van de bediening van het Woord onwaardig. Moet iemand om zijn zonden vermaand worden, dan geschiede dit onder vier ogen in het huisbezoek. De kansel is ongeschikt voor persoonlijke castigatie.


Daarom moet de dienaar van het Woord, ook wanneer hij bij het concipiëren van de preek aan bepaalde personen denkt, al het persoonlijke in de toepassing terzijde stellen en t y p e n tekenen, d.i.: zulke generaliserende voorstellingen geven, waarin niemand zijn eigen scherp belicht beeld ziet, maar die toch het zieleleven van onderscheiden individuen zo duidelijk in alge­meen omlijning karakteriseren, dat iemand, die tot deze groep behoort, tot de conclusie komt: wat de prediker in onpersoonlijken vorm zegt, geldt mij. Wanneer de verborgen roerselen van het zieleleven worden blootgelegd en typerende verschijn­selen beschreven, luistert de patiënt met gespannen aandacht naar de wijze waarop de dienaar van het Woord het licht van de Schrift over zijn ziel laat stralen en naar de middelen die aangegeven worden ter genezing van de geestelijke kwaal.

Want bij het tekenen van de geestelijke toestand blijft de prediker niet staan. Hij tracht het Woord van God zo dicht mo­gelijk tot de zielen te brengen, nu eens meer onderwijzend, dan weer meer vermanend, een ander maal meer vertroostend. Of het Woord zal werken, staat buiten zijn macht. Ook de uit­nemendste bediening van het Woord zal in de harten geen ingang vinden, wanneer de Heilige Geest de zielen niet vatbaar maakt. De dienaar van het Woord moet echter bij explicatie en applicatie zó in de speciale noden indringen, en zulk een geestelijke energie ontwikkelen, alsof het hem mogelijk ware het Woord in de harten te doen neerdalen en wortel schieten.


Ook op hen, die zich niet in waarheid bekeerd hebben, wordt het Woord van God toegepast. De een tekst leent zich daartoe beter dan de andere. Dit moet goed in het oog gehouden worden Daarom is bij dit punt de waarschuwing niet overbodig, dat de dienaar nooit gedachten aan de tekst ontwringt, die er niet in zitten. Ook is bij de roepstem tot bekering het schematisme en het generaliseren niet minder te veroordelen dan bij de toepassing van het Woord op het geestelijke leven van Gods kinderen. Zeker, onbekeerd is onbekeerd. En toch is er groot verschil. Er zijn mensen, die niet ver staan van het konink­rijk Gods, maar tot de beslissende stap niet kunnen komen; er zijn jonge leden, die het hart aan de wereld geven en met woord en daad tonen, dat ze aan de kennis van 's Heeren wegen geen lust hebben; er zijn oude mensen, die vele jaren lang met de gemeente hebben meegeleefd, maar geen enkel kenteken van geestelijk leven openbaren, en van zich zelf verklaren, dat ze onbekeerd zijn; er zijn mannen en vrouwen in de kracht van het leven, die zich door de wereldse dingen zó in beslag laten nemen, dat ze voor bidden, bijbellezen, kerkgaan geen tijd hebben en die geen vruchten des geloofs voortbrengen; er zijn er, die in intiem gesprek zich uitlaten, dat ze zich op hun goede werken laten voorstaan, die dus uit het werkverbond leven in plaats van uit het genadeverbond. In sommige gemeenten ontbreekt de figuur van de rijken jongeling niet; er zijn onverschilligen, die bij het klimmen van de jaren zich al minder bezorgd wonen voor de noden van hun ziel; er zijn hypocrie­ten, die een gedaante van Godzaligheid hebben, ten Avondmaal gaan, om hun schijnbare Godsvrucht door eenvoudige zielen met jaloersheid aangestaard worden, en die toch in waar­heid de Heere Jezus niet liefhebben.

Nodig is dus onderscheidende prediking. De prediker tone, dat hij weet, wat in de zielen omgaat. Hij tekene bepaalde typen b.v. de naamchristen; ontdekke de schuilhoeken van het hart; weerlegge vonden en beantwoorde tegenredenen; beschrijve de noodtoe­stand, waarin hij, levende te midden van het volk des Verbonds, verkeert; brenge in diepen ernst het Woord van God tot de consciëntie; waarschuwe, vermane, nodige, lokke, roepe tot bekering. Naar de tijdsomstandigheden, naar de behoeften van de gemeente, in overeenstemming met de inhoud van de tekst, zal nu eens deze dan gene toestand getekend en met het licht des Woords beschenen worden, maar naar welke richting ook, de prediker zij getrouw in de applicatie van de tekst tot hen, die tot de hartgrondige keuze om de Heere te dienen niet kwamen en aan de kennis van het eigen hart vreemd zijn. Het ontdekkend karakter mag de prediking nooit missen.290


Vooral in tijden, waarin het zondebewustzijn verzwakt en de liefde tot de enigen Zaligmaker Jezus bij velen verflauwt (want schuldbesef en liefde tot de Heiland zijn correlaat) moet de prediker steeds weer de boetbazuin aan de mond zetten en naast het fluitgespeel des evangelies de klaagtoon van de verootmoediging doen horen. Wet en evangelie gaan in de prediking hand aan hand.291

Zulk een applicatieve prediking, naar de geestelijke behoeften, niet altijd naar de smaak van de gemeente,292 is uiterst moeilijk en vraagt intensieve voorbereiding. Zij onderstelt grote kennis van het zieleleven in het algemeen en van het religieuze in het bijzonder. Vooral de jonge prediker ondervindt, dat dit deel van de bediening van het Woord het zwaarst is.

(1) Tot deze taak zal hij zich in de middellijke weg kunnen toerusten door getrouw bestuderen van de Heilige Schrift. Hij zal een gezalfd prediker zijn, die iedere dag zit voor de opengeslagen Bijbel en Gods Woord indrinkt. Hij wordt door de Schriften niet alleen onderwezen aangaande het werk Gods dat de Zoon voor ons heeft gedaan, maar krijgt ook inzicht in het werk Gods, dat de Heilige Geest als de Toepasser des heils in ons verricht. Hij kan in de Schriften de gangen des Geestes in het menselijk hart bij wedergeboorte, geloof, be­kering, heiligmaking, verzegeling en verzekering naspeuren. Welk een rijkdom van Goddelijke wijsheid, macht, lankmoedig­heid, genade, schittert in het werk van de Heilige Geest! De prediker leert het kennen uit de beschrijving van het leven van de vromen in Oud en Nieuw Testament, uit de Psalmen, uit de Brieven van Paulus en Petrus. Voor de kennis van het geestelijke leven is de Heilige Schrift de hoofdbron.

(2) Ten tweede zal de dienaar van het Woord de kennis van het menselijk zieleleven en van de werkingen van de Heilige Geest in het hart van Gods kinderen kunnen putten uit eigen geestelijke ervaring. In de leidingen van zijn leven merkt hij de hand van zijn God op; de gangen des Geestes kan hij in eigen zieleleven nagaan; hij kent door bevinding iets van de geestelijke traagheid en van de harden strijd tegen de inwonende zonde: hij blikt al dieper in de afgrond van het zondige hart. Intro­spectie is voor de dienaar van het Woord onontbeerlijk. Wat hij zelf heeft ervaren, mag hij echter niet in de subjectieve vorm op de kansel brengen. De bediening van het Woord is voor de prediker allerminst een gelegenheid, om van belangrijke of niet belangrijke ervaringen in kleurige taal getuigenis af te leggen. Hij mag zich zelf niet prediken, 2 Kor. 4 : 5. Het is niet betamelijk van de preekstoel mee te delen, wat hij op de dagen van de week heeft „gehad”. Wel mag en moet de prediker de kennis van eigen geestelijke ervaring, maar dan van de ik-vorm ontdaan, gebruiken, om de toestanden van het godsdienstig leven te beschrijven. Hij vindt dan tevens gelegenheid te prediken voor zichzelf. Immers de dienaar van Christus is ook een arm zondaar, die van genade moet leven en door het brood van het Woord moet gevoed worden.

(3) Een derde bron ontsluit zich in de vertrouwelijke her­derlijke omgang van de prediker met de leden van de gemeente. De geestelijke „ligging” van de gemeente in haar geheel en het geestelijk aspect van ieder lid in het bijzonder leert hij ken­nen door getrouw huisbezoek. Aan de visitatio domestica stata mag de prediker zich niet onttrekken, al was het alleen maar ter wille van de dienst des Woords. Wie het huisbezoek nalaat, kent de geestelijke noden van zijn gemeente niet, begrijpt vele van de jongeren niet meer, en kan onmogelijk naar hun behoeften prediken. Zonder geregeld contact wordt de afstand tussen prediker en gemeente al groter en ten slotte wordt hij een vreemdeling in eigen huis. Daarom heeft Voetius aan de kerkenraden terecht de raad gegeven, de dienaar van het Woord nooit geheel van het huisbezoek te ontslaan. In dit verband wordt de noodzakelijkheid van het huisbezoek alleen betoogd met het oog op het nut dat de u dadaskalos er van heeft, maar de argumentatie klemt nog meer, wanneer men de dienaar als poimèn beschouwt.293
(4) Eindelijk kan de studie van de psychologie de dienaar van het Woord te hulp komen. Zonder een wending te willen maken naar het standpunt van hen, die een homiletiek „von unten her” willen opbouwen en wier roepen om „psychologische prediking” een gevolg is van een relativistisch psychologisme, mag de Gereformeerde homileet dankbaar erkennen, dat God de Heere in zijn algemeen goedheid door de studie, ook van mannen die de Christus Gods niet belijden, veel materiaal heeft geboden, dat voor de dienaar van het Woord in de uitoefening van zijn ambt van de hoogste waarde is.

* Vooreerst geeft de studie van de algemeen psychologie294 een inzicht in de rijkdom van het psychisch leven, in de veel­heid van de verschijnselen, in de wetten die de psychische phaeno­mena beheersen en in de samengesteldheid van de psychische verbindingen. Het is voor de prediker van groot gewicht te weten, hoe de opmerkzaamheid wordt gewekt, waar de ver­moeidheidsdrempel ligt, van welke betekenis bij het aanhoren van een rede de engte van het bewustzijn is, welke voorstellin­gen zich gemakkelijk en duurzaam verbinden, hoe de affecten in actie gezet, de begeerten geprikkeld worden, enz. enz.

* De speciale psychologie met haar vele vertakkingen is voor de toepassing eveneens van grote waarde. Zo leert de psycho­logie van de leeftijden, welke ontwikkeling de menselijke ziel in de verschillende stadiën van het natuurlijk groeiproces doormaakt. Zij brengt ons op de hoogte van de karakteristieke psychische verschijnselen bij het kind, de knaap, de jonge­ling, de volwassene, de man van middelbaren leeftijd en de grijsaard.295

De psychologie van de seksen is voor de dienaar van het Woord eveneens van betekenis.296 De psychologie van het ras is bestudering overwaard. De prediker moet ter wille van een goede toepassing weten, welke de licht en schaduwzijden zijn in de psyche van de Fries en de Saks, de Zuid-Hollander en de Zeeuw. Wie het object van geestelijke bearbeiding verstaat en tactisch optreedt, kan onder de zegen des Heeren menigmaal de mensen daarheen leiden, waar ze moeten wezen. De volkskunde297 is voor de presbyter en niet minder voor de dienaar van het Woord yan hoog belang. Zij leert ons enigermate de zeden en gewoonten van de gemeente die wij bearbeiden ken­nen, door er het licht van de historische ontwikkeling op te laten vallen. De bodemgesteldheid en in verband daarmee het lager of hoger peil van welvaart, heeft invloed gehad op de eigenaardige plooi in het zieleleven die de Fries van de kleigronden enerzijds en de bewoner van de Veluwe ander­zijds kenmerkt. De maatschappelijke positie drukt een stempel op des mensen psyche, ook in de religieuze sfeer. De jonge arbeiders in de industriecentra van Twente hebben andere geestelijke noden dan de boerenknechts op het Kampereiland. Het beïnvloedt enigermate onze geestelijke dispositie of we wonen op het platteland, in een groot dorp, in een provinciestadje, of in een wereldstad. Om een goede toepassing te kunnen geven, zal de prediker ook gebruik maken van de resultaten van de religieuze psychologie.298

Veel materiaal, door sommige psychologen bijeengebracht, is voor de dienaar van het Woord waardeloos, omdat de onderzoekers niet positie nemen in de Christelijke religie. Uit de geschriften van sommige vertegenwoordigers van de Amerikaanse godsdienstpsychologie is veel te leren. Wanneer het geestelijke leven van de Gereformeerden Christen naar wetenschappelijke methode bestudeerd wordt, komt deze studie ongetwijfeld de bediening van het Woord ten goede. Zoolang de religieuze psychologie, van het standpunt des geloofs beoefend, nog weinig resultaten publiceert, zij de dienaar van het Woord aanbevolen kennis te nemen van hetgeen Gereformeerde practizijns uit vroeger en later tijd in handboeken of stichtelijke lectuur hebben gegeven. De praktische schrijvers uit de 17e en 18e eeuw analyseren over het algemeen te veel: er ligt echter in deze werken een schat van materiaal voor de religieuze psychologie.

B.v G. Voetius. De Geestelijke Verlatingen. Nieuwe uitgave. Filippus. 1898; Schatkamer van praktikale werken van Gereformeerde schrijvers onder redactie van J. H. Donner en W. G. Smitt. Leiden. 1882: A. Comrie. Stellige en praktikale verklaring van de Heidelbergschen Catechismus. Nieuwe uitgave. Minnertsga. 1844; id. Verhan­deling over enige eigenschappen des zaligmakenden geloofs. Nieuwe uitgave. Minnertsga. 1836; G. Saldenus. De droevigste staat eens Christens. 's Gravenhage. 1727; G. Amesius. Van de consciëntie. Nieuwe uitgave. Amsterdam. 1896: W. à Brakel. Redelijke Godsdienst. Nieuwe uitgave. Leiden. 1893; Th. van van de Groe. Toetssteen van de ware en valse genade. Derde druk. Rotterdam. 1786; Joh. Bunyan. Eens Christens reize naar de eeuwigheid; id. De heilige oorlog; Th. Boston. Des mensen natuur in deszelfs viervoudige staat. Leiden. 1772; R. en E. Erskine. Schatkamer van uitgelezene Godgeleerde verhande­lingen. Nieuwe uitgave. Nijkerk. 1859: Th. Watson. Al de theologische en practicale werken. Vierde Druk. Rotterdam. s.a.: R. Baxter. De Evangeliedienaar. Nieuwe uitgave. 's Hertogenbosch. 1857; B. Smytegelt. Des Christens enige troost in leven en sterven. Vijfde druk Amsterdam. 1780: P. Broes. De peinzende Christen. Tweede druk. Amsterdam. 1783; A. Kuyper. Nabij God te zijn. Volksuitgave. Kampen. 1912; id. In de schaduw des doods. Amsterdam. 1893; J. van Andel. Pastorale brieven. Kampen. 1 9 0 7 : W. Floor. Al de eenvoudige oefeningen. Nieuwe uitgave. Kampen. 1 91 3 ; G. Wisse. Uit het Zieleleven. Kampen. 1920


Het Woord van God dat in de preek verklaard wordt, laat zich niet alleen toepassen op het geestelijke of bevindelijke leven, maar ook op de brede sfeer van het volle rijke mensenleven in huis, school, maatschappij en staat. Geen levensterrein is aan de belichting door het Woord onttrokken. Het moet heel het praktische leven tot aan zijn verste grenzen beheersen en doordringen. Deze eis maakt het werk van de dienaar van het Woord niet gemakkelijk. De toepassing is hem het moeilijkste stuk van de preek. Het is niet voldoende, dat hij theoretisch weet, hoe het praktische leven moet ingericht worden naar het Woord van God. Zal hij zich niet in ideële beschouwingen verliezen, die ver afstaan van de werkelijkheid, dan moet hij de volle realiteit van het praktische leven door en door kennen, om dan met psychologische tact en door de Geest geschonken wijsheid van de gemeente de weg te wijzen, hoe ze van de lage empirische werkelijkheid zich zal verheffen tot het ideaal dat de Heilige Schrift haar voorhoudt.

Het Woord van God moet toepassing vinden op de praktijk van het kerkelijke leven en de weg wijzen bij de vele vraagstukken die zich hier voordoen als: welke zijn in het instituut van de kerk de rechten en de plichten van de kerkleden tegenover elkander en ten opzichte van de kerkenraad, wat is de beste wijze van be­arbeiding van de gemeente, wat is onze roeping jegens hen die van het geloof afdwalen en op welke wijze moeten wij aan die roeping beantwoorden?

Niet minder dan op het kerkelijk, institutair, moet het Woord van God toegepast worden op het huiselijk leven. Vooral in een tijd waarin de revolutionaire ideeën overal gepredikt en in de meest onschuldige vorm de christenen aangeboden worden, mag de applicatie op het huiselijke leven niet achter­wege blijven. Van de vele onderwerpen, die hier aan de orde komen, worden slechts enkele genoemd: omgang van de seksen met elkander, lichtzinnige verlovingen, de heiligheid en onontbind­baarheid van het huwelijk, kinderbeperking, gehoorzaamheid tegenover de ouders, gestrengheid en liefde in de opvoeding. het onderscheid in de wijze van behandeling bij kinderen, knapen en jongelingen, het gebed in de opvoeding, huiselijke godsdienstoefening, de Gereformeerde jeugdorganisaties, geoor­loofde en zondige vermaken. De bediening van het Woord die hier in de toepassing leiding geeft, bouwt het christelijk gezin.
Door de toepasselijke bediening van het Woord komt ook het economische en sociale leven te liggen onder de hoogtezon van het Woord, dat verlicht en geneest. In al zijn gedragingen, in zijn koopmanschap en in zijn faits et gestes als vrijgestelde van een vakvereniging, moet de christen christen zijn. Christendom is leer èn leven. Aan de vruchten wordt de boom gekend. Wie op reis, in zijn optreden tegen ondergeschikten, bij een staking optreedt alsof hij nimmer de naam van Christus noemde, legge zich de vraag voor, of hij in waarheid dan wel in schijn een belijder van de Heere Christus is. De dienaar van het Woord verkondige zonder aanzien des persoons wat Gods Woord leert over de roeping van de patroon, over de rechten en plichten van de werknemer, en welke eisen de christen worden gesteld in tijden van bedrijfsslapte, werkloosheid, werkverrui­ming, overvloed, schaarsheid, armoede, enz.
Het Woord van God is ook van toepassing op het politieke leven en geeft richtlijnen voor de overheid, die tot taak heeft te waken voor de handhaving van de publieke eerbaarheid, de Zondagsrust, de beveiliging van de eigendom van de burgers, enz. Het beheerse op zulk een wijze het leven van de onderdanen, dat de christen de beste burger is, daar hij in praktijk brengt, dat het beter is onrecht te lijden dan onrecht te doen.

Het spreekt vanzelf en behoeft geen nader betoog, dat niet elke tekst op alle terreinen van het praktische leven van toepas­sing is. Iedere tekst heeft een eigen inhoud en is dus slechts op een bepaald gebied aanwendbaar. Efeze 6 : 1-4 geeft directieven voor het huiselijke, Ef. 6 : 5-9 voor het sociale, 1 Tim. 6 : 6-10 voor het economische, 1 Tim. 2 : 1 en 2 voor het politieke leven. De paraenetische gedeelten van Paulus' brieven bieden een schat van materiaal voor de toepassing op het praktische leven. Evenwel niet elke tekst is voor alles geschikt en de dienaar van het Woord overwege nauwgezet, op welk gebied de hoofdgedachte of de nevengedachten van de tekst geappli­ceerd kunnen worden.

Hij houde daarbij in het oog, dat Gods Woord de beginselen biedt, waarnaar ons leven moet ingericht worden. De algemeen beginselen worden in de toepassing wel verbijzonderd voor de speciale levensterreinen, maar de beslissing, hoe in een bepaald geval te handelen, zal veelal aan de consciëntie worden overge­laten. In concrete moeilijkheden, waarvoor het sociale of poli­tieke leven ons plaatst, zal de ambtelijke bediening van het Woord geen voorschriften kunnen geven. Bij de beoordeling van een conflict tussen werkgever en werknemers komen dikwijls zovele bijzondere instanties en technische vragen in het geding, dat de dienaar van het Woord onbevoegd is zich over de rechtskwestie een juist oordeel te vormen. Daarom predike hij b.v. in dagen van staking de beginselen van het Evangelie, dat zowel de patroon als de arbeider tot liefde verplicht om 's Heeren wil.
Ten derde zal de toepassing rekening houden met de tijdsomstandigheden, waarin de gemeente leeft. Het is de roeping van de prediker te letten op de tekenen van de tijden en het wereldgebeuren te belichten met de lamp van het Woord. De prediker sta met zijn Evangelie midden in de stroom van de tijd, en passe het Woord op zulk een wijze toe, dat aan het licht treedt de waardij van het Woord van God voor deze tijd met alles wat er zich in afspeelt. De bediening van het Woord moet actueel zijn.299
Het is vooral Calvijn geweest die de kunst verstond het Woord van God in aanraking te brengen met de tijdsomstandig­heden. Actualiteit is een kenmerk van zijn preken. De meeste hebben een locale en temporele kleur. Sommige preken zijn geheel en al tijdpreken.300 Hij gaat in op de toestanden en noden, bespreekt zelfs de literatuur zijner dagen. „Zijn pre­diking kan echt nationaal worden genoemd”.

Ook in dit opzicht mag ieder prediker wel in de voetstappen van Calvijn gaan, en, indien de tekstinhoud daarvoor past, het Woord aanwenden op toestanden en gebeurtenissen. Daarom kunnen preken die om haar actualiteit goed waren voor de zeventiende of achttiende eeuw, thans in de eredienst niet voorgedragen worden, en kan zelfs een preek, die heel goed is voor de één gemeente, niet zonder wijziging in een andere ge­meente gehouden worden. Allicht is voor enkele predikers de opmerking niet overbodig, dat de dienaar van het Woord bij de beoordeling van wereldgebeurtenissen niet in finesses moet treden en de hoogste soberheid betrachten; hij neme nooit het air aan, alsof hij in de stoel van de wijzen heeft gezeten en in de raad Gods heeft gezien.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page