Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


Teksten vóór de bediening van het Avondmaal



Download 2.06 Mb.
Page15/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   29

2. Teksten vóór de bediening van het Avondmaal.

De stof in de Avondmaalsdienst mag niet van dezelfde inhoud zijn als die van de voorbereidingspredicatie. Het is verkeerd nogmaals op zelfbeproeving aan te dringen, maatsta­ven tot toetsing van het geestelijke leven aan te leggen en tot verootmoediging op re wekken. Non bis in idem. In de Avondmaalsdienst worde een korte preek gehouden, die in verband staat met de betekenis van het sacrament. De heilgoederen die in het Avondmaal geschonken worden, zijn talloos vele. Uit verschillend gezichtspunt kan de heilige instelling des Heeren beschouwd worden, b.v.:

a. de grote liefde, die Christus heeft betoond, door zich voor ons, onwaardigen, over te geven in de dood: Jes. 53 : 4; vers 5; vers 6; Matth. 26 : 19; Rom. 5 : 6; vers 8.

b. het geestelijke voedsel dat het Avondmaal aan hongeri­ge zielen reikt: Joh. 6: 32, 33; vers 35; vers 51; vers 53-55.

c. de persoonlijke verzekering van de vergeving van de zonden: Matth. 26 : 27, 28; Joh. 1 : 29b.

d. de versterking van het geloof: Ps. 23 : 1; 68 : 10; 51 : 20; Jes. 40 : 29; Joh. 6 : 57; 2 Kor. 1 : 20; vers 21.

e. de gemeenschap met Christus: Ps. 73 : 28a; Joh. 6 : 56; Rom. 6 : 3 ; 1 Kor. 10 : 16; Hebr. 12 : 24a.

f. het Avondmaal is een krachtbron voor de heiligmaking: Ps. 23 : 3; 1 Kor. 5 : 7; vers 8; 1 Thess. 5 : 24.

g. de verzekering, dat alle beloften van Gods verbond ons zullen geschonken worden: Ps. 23 : 5; Ps. 34 :9; Jes. 55 : 3; Joh. Zo : l0b; vers 28; Rom. 8 : 32; Hebr. 12 : 24b; 1 Joh. 4 : 8b.

h. de eenheid van Christus' kerk en de geestelijke gemeenschap met al de broeders en zusters: Ps. 133; Lukas 22 : 15 en 16; Joh. 17 : 20 en 21; Hand. 2 : 46; 1 Kor. 10 : 17; 12 : 12; vers 13.

i. het opnieuw belijden van Christus door de gelovigen: Matth. 10 : 32; Openb. 2: 10b; 3 : 8.

j. het sacrament is een voorbereiding voor het Avondmaal van de bruiloft des Lams: Ps. 23 :4; Ps. 73 : 24; Hebr. 12 : 23; Openb. 19 : 10.


3. Teksten voor de nabetrachting.

Evenmin als de voorbereiding, mag de nabetrachting steeds in dezelfde toonaard gezet worden. De tekstkeuze, die in verband staat met die van voorbereiding en bediening, levere het bewijs, dat de dienaar van het Woord voor de nodige afwisseling zorg draagt. Zulke teksten worden gekozen, waardoor de gemeente wordt opgewekt God te verheerlijken en Hem te danken voor de zegeningen die Hij in het Avondmaal aan Zijn gemeente schonk, of waarin het beweldadigd volk aangespoord wordt de weg van de zonde te verlaten, de oude mens met zijn begeerlijkheden te kruisigen, aan verleiding, die in veelvoudige vorm tot ons komt, weerstand te bieden, zich niet aan de zonde van ondankbaarheid en vergeetachtig­heid schuldig te maken, maar in getrouwheid de strijd van de heiligmaking en levensvernieuwing te strijden, de nieuwen mens aan te doen en in heel de levensopenbaring te tonen, dat zij die met Christus zijn opgestaan van de zonde niet meer kunnen leven.

Vooral bij de nabetrachting is het nodig te laten uitkomen, dat de gemeente des N. Verbonds niet op wet­tisch standpunt staat; hier geldt niet meer: doe dat, en gij zult leven; de prikkel tot dankbaarheid ligt in de genoten verlos­sing; de heiligmaking is niet een stuk van de zaligheid dat we zelf moeten uitwerken, terwijl de rechtvaardigmaking een daad Gods zou zijn, maar in Christus Jezus hebben we alles, wat tot onze zaligheid van node is, ook de heiligmaking. Hij heeft ons de Heilige Geest gegeven en de Geest van Christus bekwaamt tot heiliging des levens. En een heilig leven is een afhanke­lijk, een biddend leven. Naar de schone opmerking van de Catechismus is het gebed het voornaamste stuk van de dankbaar­heid, welke God van ons vordert. In de nabetrachtingspreek worden de Avondmaalgangers soms voor de vraag gesteld, of zij uit ware begeerte en in oprechtheid of slechts uit kracht van gewoonte, misschien uit sleur, het sacrament hebben gebruikt, en komt de vermaning tot verootmoediging en boetedoening tot hen die, om welke reden dan ook, hun plaats aan de tafel open lieten en 's Heeren roepstem ongehoorzaam waren. Voor een onder de zegen Gods doelmatige nabetrachtingspreek is nodig een tekstverklaring en teksttoepassing, die ernstig rekening houdt met de religieuze psychologie.

Als voorbeelden voor nabetrachtingsteksten zijn te noemen:

Gen. 5 : 24; 9 : 20-27; 17 : 1 en 2; Ps. 51 : 21; 68 : 36; 106 : 12 en 13; 116 : 12-14; 117; 119 : 4 en 5; Spr.16 : 7; 19 : 23; Jes. 43 : 21; 55 : I2 en 13; 61 : 10; Jer. 31 : 31-34; Hosea 14 : 9; Zach. 14 : 20 en 21; Matth. 7 : 21; 16 : 24 en 25; Markus 5 : 18-20; 9 : 49 en 50; Lukas 17 : 11-19; 22 : 31 en 32; Joh. 10: 27 en 28; 12 : 25 en 26; 13 : 14-17; 14 : 12; vers 15; 15 : 5; vers 8; 17 : 11; Rom. 5 : 11; 6 : 4; vers 17 en 18; vers 22; 7 : 21-23; 8 : 35-37; 12 : 1 en 2; vers 11; vers 12; 15 : 2 en 3; I Kor. 6 : 20; 10 : 1-6; 2 Kor. 7 : 1; Gal. 2 : 20; 5 : 25; 6 : 14 en 15; Ef. 4 : 1-3; 5 : 1 en 2; Fil. 3 : 12-14: Col. 3 : 9 en 10; 1 Thess. 4 : 3a; Hebr. 12 : 14; 13 : 1-6; vs. 15; Jac. 2 : 25; 1 Petrus 4 : 1 en 2; 2 Petrus 1: 10 en 11; 1 Joh. 2 : 28; 5 : 21; 3 Joh. : 11 : Openb. 22 : 14.
B. Bevestiging in het ambt, intrede en afscheid.

Bij bevestiging, intrede en afscheid van de dienaar van het Woord en bij bevestiging van ouderlingen en diakenen staat de tekst in de regel in verband met de plechtigheid. Hoewel in dergelijke gevallen bij de tekstkeuze het persoonlijke element niet in die mate op de achtergrond staat als gewoonlijk het geval is, hoede de prediker zich er voor een tekst uit Gods heilig Woord als motto te gebruiken. De prediking bij bevestiging en intrede van de dienaar van het Woord behoort in vollen zin te zijn b e d i e n i n g d e s W o o r d s. Niemand predike zichzelf; het verhaal van al de zegen in een vorige gemeente genoten, van de vele tranen bij 't afscheid, enz. blijve achterwege. Men make geen jacht op „vreemde” teksten; dit leidt tot exege­tische knoeierij. Bij intrede past b.v. niet Richt. 9 : 12, en de prediker die in zijn gemeente niet genoeg waardering meent ontvangen te hebben, kieze voor het afscheid niet Ps. 9 : 10.

De bevestiging van een dienaar van het Woord, ouderlingen of diakenen biedt een schone gelegenheid om schriftuurlijk licht te laten vallen op de instelling van het ambt, en de be­doeling, die de Heere met de ambtelijke bediening heeft.272

Ook zijn teksten op hun plaats die betrekking hebben op de ere, de waardigheid en de voorrechten van het ambt, de verplichtingen die de Koning van de kerk de ambtsdragers oplegt, de rijke beloften die Hij zijn knechten schenkt, de onderworpenheid en gehoor­zaamheid die God van de leden vraagt.

Niet minder passend is een tekst die inzicht geeft in de rijkdom van het Evangelie, dat de dienaar mag verkondigen. Voorbeelden: Jes. 52 : 7; Ezech. 33 : 7-9; Matth. 13 : 1-9, 19-23; 13 : 52; Joh. 3 : 29; vs. 30 en 31; 21 : 15-17; Hand. 20 : 28; Rom. 12 : 6-8; 1 Kor. 3 : 9; Ef. 4 : 11; Hebr. 13 : 17; 1 Petrus 5 : 1-4; tal van teksten in de Pastorale Brieven.

Bij de intrede wordt een tekst gekozen die de hoofdinhoud van de prediking bevat, b. v. Jes. 40 : 9; Rom. 1 : 17; 1 Kor. 2 : 1 en 2; 2 : 9; 2 Kor. 5 : 18; of die op de rijkdom, de heerlijkheid en de onvergankelijkheid van het Woord en op de armoede, onbekwaamheid en zwakheid van de dienaar wijst, b.v. Jes. 40 : 6-8; 2 Kor. 4 : 7; 1 Petrus 1 : 24 en 25; of die een bede tot God behelst om hulp bij de arbeid en zegen op het werk, b.v. Ps. 121 : 1 en 2; 124 : 8; Ef. 3 : 14-16; of die een verzoek inhoudt tot de gemeente om voortdurend voor de dienaar te bidden, b.v. Ef. 6 : 19 en 20; Hebr. 13 : 18.

Voor het afscheid past niet een tekst die ten doel heeft de gemeente een kastijding toe te dienen of de zonden van enkelen te kwalificeren, maar een die een zegenbede voor de gemeente inhoudt b.v. Num. 6 : 24-26: Hebr. 13 : 20 en 21; 1 Petrus 5: 10 en 11; óf een vermaning om standvastig te blijven b.v. 1 Kor. 15 : 58; gebouwd te worden in het geloof, b.v. Judas 20 en 21; om in enigheid des Geestes te leven b.v. Ef. 4 : 1-3; Fil. 4 : 6 en 7; of een dankzegging voor de genoten zegen en een erkenning van de genade die de Heere in de be­diening heeft willen schenken, b.v. een gedeelte uit de afscheids­rede van Paulus te Efeze, Hand. 20 : 18 seq; 2 Kor. 11 : 21. I Tim. 1 : 12.
C. De Huwelijksbevestiging.

Wanneer de huwelijksbevestiging ‘s zondags plaats heeft in de gewone eredienst, gaat de tekstkeuze in de regel buiten de kerkelijke plechtigheid om. Wordt evenwel op eender weekdagen een afzonderlijke dienst gehouden voor de bevestiging van een huwelijk, dan kiest de dienaar van het Woord een z.g. huwelijkstekst. Hij preekt over de inzetting van het huwelijk; de heiligheid en heerlijkheid van het huwelijk; de beloften Gods voor huwelijken, in de Heere gesloten; de wederzijdse plichten van man en vrouw; de waarde van het huwelijk voor het geestelijke leven; de noodzakelijkheid om de Heere als gids te hebben, enz.273

Teksten zijn b.v. Gen. 21 : 21-23; Ex. 33 : 14 en 15; Deut. 31 : 8; Jozua 24 : 15c; Psalm 37 : 5; 121 : 8; 125; Spr. 3 : 6; 19 : 14; Pred. 4 : 9-12; Joh. 2 : 1-1 1 ; Rom. 12 : 12; I Kor. 10 : 11; Ef. 5 : 22-25; 5 : 33; 1 Thess. 5 : 16-18.
D. Oud en Nieuwjaar.

In de vorige eeuw is het in ons land gewoonte geworden op de Oudejaarsavond in de kerk saam te komen, om voor Gods aangezicht gemeenschappelijk het jaar te sluiten. De prediking. die liefst het karakter van een tijdpreek moet dragen en in hoge mate actueel zijn, kan verschillende richtingen uitgaan.274

De onderwerpen zijn veelsoortig: dankzegging aan God voor de weldaden aan de kerk, het vaderland, de plaatselijke ge­meente geschonken; erkenning van de trouw Gods, die nooit handelt naar onze zonden en wiens genade groot over ons is, ook al kastijdt Hij ons met de roede; een bede om vergiffenis van de schuld en betoon van boetvaardigheid en verootmoedi­ging; de vergankelijkheid aller dingen en de kortstondigheid van het menselijke leven; elk jaar, dat voorbijvliegt, brengt ons dichter bij de dood en bij het gericht; indien wij de Rechter zullen ontmoeten, zal onze plaats zijn aan Zijn rechterhand of aan Zijn linkerhand?

Voorbeelden van teksten: Deut. 8 : 2; 32 : 4; 11 en 12; Richt. 2 : 1-5; Job 9 : 15b; 13 : ga; 14 : 1-3; Psalm 39 : 5-7; 90 : 1 en 2; vers 10; vers 12; 94 : 19; 100 : 5; 102 : 26-28; 107 : 43; 115 : 17 en 18;. 139 : 23 en 24; Pred. 3 : 1-8; 12 : 1-8; Jes. 1 : 1 8 ; Jer. 3 : 22 ; 14:20 en 21 ; Daniël 9 : 8 en 9 ; Hosea 14 : 10; Mal. 3 : 6; Matth. 25 : 1-13; 31-33; 1 Kor. 7 : 29-31; 16 : 22; 1 Tim. 1: 17; Jac. 1: 17; 1 Petrus 4 : 7; vers 18; 1 Joh. 2 : 18; Openb. 3:11; 20 : 12.


De eerste Januari is de dag, waarop de gemeente vergadert om het nieuwe jaar met haar God te beginnen. De Heere, die verleden, heden en toekomst omspant, is ó Érchomeenosos, Openb. : 8; Hij komt ons uit de toekomst tegemoet, op Hem kan de gemeente haar zorgen werpen, Hij is haar Gids, Hij draagt haar op zijn vleugelen. De tekstkeuze kan zijn óf in de richting van het geloofsvertrouwen óf van het gebed om Goddelijke bewa­king en bewaring. Het nieuwe jaar (wij weten de dag van onze dood niet) kan ook ons sterfjaar zijn. Voor de onbekeerde is het nieuwe jaar in bijzondere zin annus gratiae.

Gods volk beschouwe het aardse leven als een voorbereiding voor het hemelse.

Voorbeelden van Nieuwjaarsteksten: Gen. 32 : 24 29; Ex. 13 : 21 en 22; 33 : 14 en 15; Num. 6 : 24-26: Deut. 31 : 6; 2 Kon. 20 : 1; Job 16 : 22; Psalm 1; 4 : 7; 43 - 45; 46 : 2-4; 48 : 15; 56 : 10b; 62 : 2; 84 : 13; 90 : 9b; 123 : 1 en 2; Spr. 27 : 1; 28 : 1; Pred. 12 : 13 en 14; Jes. 40 : 29-31; 41 : 13; 52 : 12b; 55 : 6 en 7; Matth. 10 : 29-31; Lukas 2 : 36-38; Rom. 8 : 28; 2 Kor. 13 : 13; Ef. 5 : 15-17; Fit. 4 : 6 en 7; vers 13; Hebr. 13 : 8; Openb. 1 : 4b en 5a; 5 : 1-7.

Het is uitnemend wanneer de stoffen voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsmorgen genomen zijn uit hetzelfde tekstverband. b.v. Ps. 103 : 13 en 16, en 103 : 17 en 18; Klaagl. 3 : 22-23, en 3 : 24; Lucas 13 : 1-5 en 13 : 6-9.


E. Bede en Dankstond voor het gewas.

In vele kerken wordt in het begin van Maart een dag of een uur afgezonderd om de zegen Gods af te smeken over het gewas des velds en al de arbeid in het natuurlijke leven. In het begin van November vergadert de gemeente om de Heere te danken voor hetgeen Hij heeft laten groeien en voor de zegen, dien Hij op natuurlijk gebied aan land en volk heeft geschonken.

Op de bededag 275worden stoffen gekozen, die tot inhoud hebben, dat God, de Schepper van hemel en aarde, alle dingen door Zijn almachtige kracht onderhoudt, of dat God, de Vader aller dingen, de Vader van onze Heere Jezus Christus is, of de betekenis van Christus' kruis voor het natuurlijke leven, of de erkentenis dat wij door onze zonden de vloek over de natuur gebracht hebben, en alle brood dat we ontvangen gena­debrood is, of de toezegging des Heeren dat Hij zijn volk het nodige schenken zal en het bevel van Jezus om dagelijks brood te bidden, of een voorbeeld van kinderen Gods uit de Heilige Schrift die met de noden van het natuurlijk leven in ootmoedig gebed tot de Heere zijn gevlucht, of de bede om dagelijks brood, de erkentenis dat we niet werken moeten om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven.

Voorbeelden: Gen. 8 : 22; Levit. 26 : 3-5; Deut. 11 : 13-15; 1 Kon. 17 : 10-15; 1 Kron. 4 : 9 en 10 ; Psalm 8 : 4-9; 20 : 1-6; 37 : 5; 65 : 10-14; 104 : 27-30; 127 : 1 en 2; 145 : 15 en 16; Spr. 28 : 19 en 20; 30 : 7-9; Dan. 1 : 8-19; Hosea 2 : 20-22; Mal. 3 : 10 en 11; Matth. 4 : 3 en 4; 6 : 26-34; 14 : 15-21; Lukas 12 : 29-31;. Joh. 6 : 27; 19 : 28; Hand. 4 : 34 en 35: 2 Kor. 8 : 1 3-15 ; 9 : 10 en 11; Pil. 4 : 11-13; Hebr. 13 : 5.

De stoffen voor de dankstond herinneren aan de weldaden des Heeren, aan de trouw Gods en Zijn verhoring van onze gebeden, aan de rijkdom des Christens die in Zijn Heiland a 1 1 e s heeft; aan de plicht van milddadigheid en barmhar­tigheid, aan de noodzakelijkheid dankbaar en ter ere Gods te leven en Hem te dienen van de eerstelingen van onze inkomsten, aan de eis geduldig te zijn in dagen van beproeving.

Voorbeelden van teksten: Gen. 3 : 17-19; 32 : 10; 33 : 8-11; Deut. 8 :l0 en 11 ; Ruth 1 : 19-2 1 ; 2 Sam. 7 18; Job 1 : 21b; Psalm 37 : 16 en 17; 116 : 17-19; 147 : 7-11; Spr. 15 : 16 en 17; Jes. 1 : 2 en 3; Hab. 3 : 17 en 18; Matth. 16 : 26; 26 : 6-13; Lukas 12 : 16-21; 17 : 11-19; Joh. 6: 11-14; Ef. 5 : 18-21; 1 Tim. 6: 6-10; Jac. 5: 7 en 8.




F. Tijdpreken.

Soms acht de prediker zich verplicht een tekst te nemen, die verband houdt met bijzondere tijdsomstandigheden als: plotse­linge sterfgevallen (b.v. Ps. 89 : 49; Matth. 25 : 13), grote droogte en misgewas (b.v. Jer. 14 : 1-9; 20-22; Joël 1 : 14 20; Openb. 6 : 57), epidemieën (Openb. 6 : 8), oorlog (Openb. 6 : 3 en 4), nederlaag (Ps. 60 : 35), zware rampen (Gen. 42 : 36; Job. 39 : 34-38; Lukas 21 : 19; 22 : 31, 32; Hebr. 4 : 15; Openb. 2 : 10) , nationale uitreddingen (Ps. 76; 77 : 17 en 21; 114; 126 : 3). Wie geregeld de Schrif­ten onderzoekt, vindt een rijkdom van teksten, die voor bijzondere gelegenheden passen.



17. DE VERKLARING.
A. Hyperius. De Sacrae Scripturae lectione et meditatione quotidiana Christianis omnibus necessaria. Marburg, 1561: G. Voetius. Pol. Eccl. I pag. 614 seq.; J. Hoornbeek. De ratione concionandi. Utrecht. 1672, sectio II; D. Knibbe. Manuductio in oratoriam sacram. Ed. sexta. cap. VII: Th. Christlieb. Homiletik. pag. 147 seq.; F. L. Steinmeyer. Ho­miletik. pag. 86 seq.; J. C. Sikkel. De Heilige Schrift en haar verklaring. Amsterdam. 1906: F. W. Grosheide. N.T. Exegese. Amsterdam. 1912 ; A. van Veldhuizen. Praktische Bijbelverklaring. Pro Ministerio I. Groningen. 1919 ; M. Reu. Homiletics. § 13.

In overeenstemming met het wezen van de bediening van het Woord als explicatie en applicatie van het Woord van God, is de homiletische behandeling van de tekst te onderscheiden in de verklaring en de toepassing. Dit onderscheid van verklaring en toepassing is een zakelijk onderscheid. Of de preek in twee delen n.l. verklaring en toepassing is te splitsen, is een andere vraag.

De homiletische verklaring onderstelt de literarische exegese en heeft tot grondslag het resultaat van de arbeid, die de theoloog naar de regelen van de hermeneutiek aan zijn tekst heeft besteed.276

De verklaring is gebaseerd op de exegese van de grondtekst.277 In buitengewone tijden moge de kerk tot het predikambt zulken toelaten, die de talen, waarin de Heilige Schrift geschreven is, niet kennen en wat de literarische exegese betreft geheel van „gegeven goed” leven, in normale omstan­digheden moet de toepassing van Art. 8 van de kerkorde een uitzondering blijven, daar toch van een predikant geëist mag, dat hij de Heilige Schrift in de grondtekst lezen en naar het oorspronkelijke verklaren kan.

Het gaat bij de prediking om de bediening van het Woord van God. Zo zuiver mogelijk moet de dienaar het Woord zijns Gods vertolken. Daartoe is kennis van Hebreeuws en Grieks noodzakelijk. Iedere gedachte lijdt bij overzetting in een andere taal. De fijne nuanceringen gaan door vertaling dikwijls ver­loren. Ook wanneer de vertaling juist is, leert de homileet toch eerst het fijne aroma van zijn tekst kennen, wanneer hij dien leest in het oorspronkelijke. Omdat wij in de Heilige Schrift te doen hebben met het Woord van God, rust op de dienaar van dat Woord de plicht met alle hem ten dienste staande middelen de zin van de tekst op te sporen, zodat hij met volle over­tuiging tot de gemeente kan zeggen: zo spreekt de Heere, onze God.

Nu bestaat van de Heilige Schrift geen absoluut zuivere tekst. De autografa zijn verloren gegaan en de bestaande handschriften geven afwijkende lezingen. De tekstkritiek stelt zich ten doel de oorspronkelijke tekst zo dicht mogelijk te benaderen. De prediker zal wijs doen met zich in de r e g e l bij de receptus aan te sluiten.




  • Ten eerste, omdat, gelijk Kuyper terecht heeft opgemerkt, de traditie ons in dezen iets te zeggen heeft en de providentia specialissima steeds de Heilige Schrift als het genade-instrument van de kerk van Christus heeft vergezeld.278

  • Ten tweede, omdat niet ieder predikant, ook al is hij een kundig theoloog, het tekstkritisch apparaat op zulk een wijze beheerst, dat hij met een grote mate van waarschijnlijkheid kan vaststellen, welke de juiste lezing is.

  • Ten derde is het niet wijs, de gemeente, die over tekstkritiek niet oordelen kan, telkens te verontrusten door afwijkende lezingen en daarmede verband houdende gewijzigde vertalingen. Hier is het een kwestie van vertrouwen en gaat het om tere dingen. Nu is het ener­zijds verkeerd er „dubbele boekhouding” op na te houden en op de studeerkamer een „anderen” bijbel te gebruiken dan op de kansel; het is te doen om de waarheid, om het zuivere Woord van God; en de waarheid moeten we aandurven, ook wanneer die onrust brengt. Maar anderzijds mag het vertrouwen, dat de gemeente in de overgeleverde tekst heeft, niet ondermijnd worden. Daarom is het met name aan jonge predikanten ten sterkste aan te raden, zich aan de receptus te houden. Indien de jonge prediker meent voldoende kennis te bezitten van de waarde van de tekstkritische getuigen om een zelfstandige beslissing te nemen, en een bepaalde lezing voor de juiste te verklaren, neme hij toch een van de receptus afwijkende Schriftuurplaats niet tot tekst, maar kieze een andere, en wel om deze redenen:

    • Ten eerste is het mogelijk dat bij nader onderzoek blijkt, dat voor de receptus toch meer te zeggen valt dan hem vroeger bleek. Het is goed een nieuwe lezing te laten overzomeren en overwinteren.

    • Ten tweede kan de jonge dienaar van het Woord niet eisen, dat de gemeente in dit opzicht hem reeds ten volle vertrouwt. Het is volstrekt niet dwaas van de eenvoudigen, dat ze zich tevredenstellen met de tekst van de Statenvertalers en de opvatting van de jonge predikant als een nieuwigheid brandmerken. Wanneer een predikant wat ouder is geworden en gelegenheid gehad heeft in de loop van de jaren wetenschappe­lijke opinies over bepaalde lezingen nader te toetsen, en hij dus niet over ijs van één nacht gaat, daarbij door zijn leer en leven het volle vertrouwen van de gemeente heeft gewonnen als een herder en leraar, die de Heilige Schrift zonder reserves aanvaardt als Gods Woord, kan hij zonder aarzeling, indien naar zijn oordeel zijn gevoelen proefhoudend is, de gemeente een enkele maal in kennis stellen met een andere lezing van de grondtekst, die vanzelf gewijzigde vertaling ten gevolge heeft. Dit zal de gemeente niet schokken; zij weet, dat het hem alleen te doen is om het zuivere Woord van God. In zulk een geval zal de dienaar van het Woord geen bezwaar bij de gemeente ont­moeten, wanneer hij zelfs bij een zo bekend woord als Lukas 2 : 14 de lezing van Nestle verkiest boven die van de receptus en haar voorhoudt dat in plaats van „en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen” te lezen is: „en vrede op aarde in mensen des welbehagens”, en naar deze lezing de tekst verklaart. De gemeente die haar predikant als de gezant van Christus erkent, neemt in vertrouwen aan wat hij van de tekst zegt; haar gevoel van zekerheid wordt versterkt, wanneer zij merkt, dat door de gewijzigde lezing de tekst in nog groter rijkdom dan voorheen voor haar zielsoog gaat schit­teren.

Het is niet aanbevelenswaardig, zelfs niet voor de dienaar van het Woord, die in Hebreeuws en Grieks doorkneed is, een tekst te nemen die omnium consensu corrupt is, deze door conjecturen te herstellen en van een zodanige „herstelde” tekst een nieuwe vertaling met daarbij passende exegese te geven. Slechts zelden is een conjectuur zó evident, dat de mannen van het vak, welke de Heilige Schrift aanvaarden als het Woord van God, haar algemeen toejuichen. De prediker moet de zekerheid hebben dat hij het Woord van God bedient, en daar die zekerheid bij conjecturen in de meeste gevallen niet aanwezig is, kieze de dienaar van het Woord in het algemeen geen corrupte Schriftuurplaats tot tekst, maar neme een verwante plaats, die tekstkritisch geen of weinig moeilijkheden oplevert.

De dienaar van het Woord boude zich dus in de regel aan de receptus. En volge doorgaans de Statenvertaling. Bij het voorlezen van de preektekst is hij aan de Statenvertaling g e b o n d e n; reeds uit liturgisch oogpunt mag hij van de officiële vertaling niet afwijken. De Statenvertaling is mensenwerk en heeft dus gebreken. Toch is de vertaling over het algemeen goed en betrouwbaar; slechts op enige punten herziening beslist nodig. Daarbij draagt de Statenvertaling een gewijd karakter, ze heeft iets van de zalving van de Heilige Geest en spreekt in haar diep religieuze taal onmiddellijk tot het vroom gemoed. Geen enkele vertaling, door godgeleerden in de laatste jaren aangeboden, heeft in dit opzicht de Statenvertaling overtroffen, zelfs niet kunnen evenaren.

Voorts is de gemeente met de vertaling vertrouwd. Sommige gedeelten hebben voor vele Godvruchtigen bijzondere betekenis. Ze putten er troost en hoop uit en klemmen er zich aan vast in de branding van het leven. Wordt door de dienaar van het Woord bij de verklaring van de Heilige Schrift telkens een van de Statenvertaling afwijkende vertaling gegeven, dan zullen misschien sommigen hun vertrouwen wel niet in de Heilige Schrift, maar toch in de vertaling (en het Woord van God is voor de meesten slechts in de Statenvertaling toegankelijk) verliezen en de twijfel zal het hart bestormen. Ook is de mogelijkheid niet buitengesloten, dat andere leden van de gemeente de prediker gaan beschouwen als iemand, die zijn geleerdheid wil uitkra­men en het altoos beter weten dan de Statenoverzetters; bij zulk een beschouwing wordt het vertrouwen verzwakt. Daarom is voorzichtigheid eis. In de meeste gevallen zal de pre­diker zich kunnen houden aan de Statenvertaling en bij de verklaring van de tekst de woorden naar de zin van de grondtekst verduidelijken. Wanneer een jong predikant of proponent van oordeel is, dat de vertaling van een Schriftuurplaats beslist onjuist is en hij in deze mening gesteund wordt door godgeleerden, die meer kennis van Hebreeuws en Grieks hebben dan hij zelf, zij hem aanbevolen een anderen tekst te nemen. Het laatste argument, aangevoerd bij het vraagstuk of een andere lezing gekozen mag worden, geldt ook hier.

Met nieuwe vertalingen zij men uiterst spaarzaam; de prediker bedenke, dat heel zijn arbeid moet dienen tot opbouw van de gemeente des Heeren. Het volle vertrouwen kan de gemeente in dit opzicht eerst geven aan hem, die zich dat vertrouwen waardig gemaakt heeft. Ook uit dit oogpunt is het aanbevelenswaardig vroeg de tekst te kiezen; het komt voor, dat een vers van de Schrift rijk van inhoud schijnt en bij nadere bestudering van de grondtekst niet die waarheid bevat welke de prediker er eerst in gelezen heeft, hetgeen er soms toe leidt, dat de aanvankelijk gekozen tekst wordt losgelaten. De prediker, die door jarenlange ervaring in de Schriften thuis is en het vertrou­wen van zijn gemeente heeft, kan een enkele maal wel een nieuwe vertaling geven en b.v. Psalm 16 : 1-3 of 65 : 2 uitleggen naar de betere vertaling, die Prof. Noordtzij geeft.279 Over het algemeen is het raadzaam zich zo dicht mogelijk bij de veelszins uitnemende Statenvertaling aan te sluiten.
Met de literarische exegese moet de prediker het nauw nemen. Met behulp van lexica en commentaren stelt hij de betekenis van elk woord vast, na te hebben onderzocht welke de oor­spronkelijke betekenis is en hoe de betekenis van het woord zich wijzigt door het verband, waarin het voorkomt. Na de vaststelling van de betekenis van de woorden komt hij tot de saamvatting van het geheel, om dan in klare woorden en hel­dere begrippen uit te drukken, wat de inhoud is van de tekst. Ten slotte gaat hij na, welke betekenis de tekst heeft in het verband.280

De dienaar van het Woord moet zo lang de tekst exegetisch bearbeiden, tot hij weet, wat de inhoud is. Komt hij voor zijn besef niet tot het juiste inzicht in de tekst, difficulteert hij tussen verschillende opvattingen, is de tekst hem te moeilijk, dan wachte hij, tot hij meer licht heeft ontvangen in de weg van geheiligde studie, rijpere ervaring en aanhoudend gebed. De dienaar van het Woord predike niet over een tekst, over welks exegese hij in twijfel verkeert. Al is hetgeen hij verkondigt in overeenstemming met de norma van de Heilige Schrift en met de belijde­nis, de gemeente heeft er ook recht op te weten welke de objec­tieve inhoud is van het Woord van God, dat tot tekst gekozen is. De dienaar van het Woord, die over de exegese van zijn preektekst in dubio is, doet schade aan zijn ambtsbewustzijn. Hij moet kunnen zeggen: zó spreekt de Heere hier in zijn Woord. Vóór de prediker de kansel beklimt, moet hij voor Gods aangezicht hebben uitgemaakt, welke de juiste exegese is. Hoe zal hij anders van de gemeente het Woord openen? Het difficulteren in de bediening van het Woord over de exegese van een tekst is met het ambtelijk karakter van de dienst niet te rijmen.


Het werkt meestal verwarrend op de hoorders en bevordert de stichting niet, wanneer verschillende opvattingen over de tekst medegedeeld en onderzocht worden. Een enkele maal kan het nodig zijn, een onjuiste exegese, die bij velen ingang vond, op de kansel te weerleggen. In de controversprediking bij som­mige afdelingen van de Catechismus, moeten teksten, waarop Rome of de voorstanders van de algemeen verzoening zich beroepen, verklaard en de valse uitleggingen bestreden wor­den. Maar als regel 'geldt, dat alleen de exegese, die de ho­mileet na zorgvuldige overweging voorkomt de juiste te zijn, in de bediening van het Woord wordt voorgedragen. Argumenteren met uitspraken van Calvijn, Delitzsch en diverse commen­tatoren, is contrabande. Trouwens alle geleerd materiaal, woordafleidingen, argumenten voor of tegen een gevoelen. wetenschappelijke excursen, behoren tot de voorbereiding voor de preek, maar niet tot de preek zelf. De homiletische ver klaring is van al dien voorarbeid de vrucht. De gasten, die ge ten dis nodigt, brengt ge niet eerst in de keuken. Een preek is geen exegetische verhandeling. We moeten erkennen, dat onze voorgeslachten zich aan dit kwaad op een schrikkelijke wijze hebben schuldig gemaakt. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn vele preken, met wetenschappelijk materiaal doorweven, totaal ongenietbaar geworden.281
Voetius heeft er in zijn dagen reeds tegen gewaarschuwd, en het feit dat de eigenschappen van een goede explicatio door hem in negatieven vorm gegoten zijn, zegt voor de beoordeling van veel preken in zijn tijd genoeg. De vrees is niet ongegrond, dat thans nog wel eens wordt vergeten, dat de kansel geen katheder is.

Het is van de moeite waard af te schrijven de eisen die Voetius in zijn Pol. Eccl. I pag. 614 en 615 aan de explicatie stelt, welke ook in onzen tijd niet alle actualiteit hebben verloren.

In explicatione textus haec vitanda. r. ne sit nulla, aut tam perfunctoria, ut concionator intacto textu, aut praeterita potiori eius parte, quae accuratam explica­tionem requireret, conferat se ad solas digressiones de hac aut illa materia sive dogmatica sive practica, quae intendit proponere. De qualibus ioculare illud dici solet, quod foedus fecerint cum textu suo: si tu non tangis me, ego non tangam te. 2. Ne sit otiosa, haerens in singulis voculis, phrasibus, sententiis, per se vulgo satis perspicuis ac notis, easque allatis et collatis probationibus muniens. Qualibus explicationibus textus magis obscurari quam illustrari dicitur. 3. Ne sit nimis operosa: ut scilicet singulae phrases. et sententiae collatis ac recitatis quam plurimis scripturae testimoniis, non tam auditoribus explicentur, quam ipsi auditores iis ixplicentur, confundantur, obruantur. Quasi scilicet lexicon theologicum, aut Thesaurus Marlorati, aut concondantiae essent recitandae.... 4. Ne sit tam accurata. subtilis et plena, nec in perrimando et excutiendo textu originali, dubiisque circa eundem movendis atque expediendis ita occupata: ut Academica magis et erudita videatur dissertatio et disceptatio, quam simplex et perspicua explicatio eccle­siastica. 5. Ne incertae conjecturae. quibus ipsi concionatores non fidunt, quasque auditoribus persuadere nolint, textus explicationi intermisceantur. aut ad eam adducantur: quibus referendis et examinandis, non nisi tempus fallitur et auditores confunduntur: Famelicae animae siliquis, furfuribus, vento pasti nequeunt. 6. Ne variae interpretationes. sive antiquorum sive recentiorum referantur: nedum ut examinarentur et refutarentur. Sufficit genuinam interpretationem textualem in illis, quae explicationem requirent, breviter et perspicue ita proponi, ne excedant contenta in notis marginalibus Bibliorum: nisi forte ad hominem operosior controversi textus explicatio aut eiusdem a detorsionibus aliorum vindicatio hic et nunc requiratur. 7. Ne saltem explicatio textus omnem aut potiorem temporis concionalis partem occuPetrus
Nadat door literarische exegese de zin van de woorden op zichzelf en in onderlinge samenhang is vastgesteld en duidelijk is geworden wat de tekst in zijn geheel betekent, neemt de homiletische verklaring een aanvang.
(1) Deze bestaat allereerst in een benaderen van de tekst als een levend reale, een komen tot de tekst als een concrete wer­kelijkheid. De Heilige Schrift is niet abstract, maar door en door concreet. Zij heeft niet de taal van een handboek voor logica, zij bevat geen wijsgerig systeem, haar taal is vloeiend, zich aansluitend bij de onmiddellijk gegeven werkelijkheid.

Dit benaderen van de Heilige Schrift als een concretum kost de theoloog enige inspanning, omdat hij als man van wetenschap geleerd heeft begripsmatig te denken. In de wetenschap, ook in de wetenschap van de heilige godgeleerdheid, en vooral in de dogmatiek, heerst het b e g r i p. Daarom loopt de prediker gevaar zijn dogmatische terminologie in de Heilige Schrift in te dragen en haar woorden als abstracta op te vatten. Nu zal de Gereformeerde homileet niets kwaads van de dogmatiek zeggen. want de Gereformeerden theoloog zit de liefde tot de dogma­tiek in het bloed. Allerminst is bedoeld, dat de dienaar van het Woord zijn dogmatische kennis geheel terzijde zal stellen en tabula rasa de tekst benaderen. Dit is ten enenmale onmoge­lijk, daar niemand zich van zichzelf kan ontdoen. Hier komt nog bij, dat zonder het stevige, omlijnde begrip, zich geen goede preek laat opbouwen. Begrippenonderscheiding is onmis­baar in de bediening van het Woord. Qui bene distinguit, bene docet.

Al zal dus de kennis van de dogmatiek de prediker altijd beïnvloeden, hij vergete bij de homiletische benadering van de Schrift niet, dat de exegese aan de dogmatiek vooraf gaat. De exegese is de moeder, de dogmatiek de dochter. De door de exegese verstrekte gegevens worden door de dogma­tiek begripsmatig verwerkt. De dogmatische termen, die voor een groot deel aan de Heilige Schrift worden ontleend, zijn in het dogma veralgemeend, maar de betekenis in de Heilige Schrift is speciaal. Het concretum van de tekst wordt tot een abstractum in de dogmatiek. Nu eist de homiletische verklaring, dat de prediker bij de voorbereiding voor de bediening van het Woord begint met de tekst als een concretum te zien, en dat hij niet aanstonds het begrippenschema van de dogmatiek in de tekst indraagt. Bij de homiletische behandeling van Rom. 5 : 1 geeft het dogma van de rechtvaardigmaking de dienaar van het Woord steun in zijn denken, maar het is met het zo-even gezegde in strijd het „gerechtvaardigd zijnde” te gaan „verklaren” naar het schema: de rechtvaardigmaking is de rech­terlijke daad Gods, waardoor Hij de zondaar vrijspreekt van schuld en straf en hem een recht geeft op het eeuwige leven. Wordt ter „verklaring” van deze omschrijving nog weer een definitie gegeven van rechterlijke daad Gods, schuld, straf, vrijspreken, eeuwig leven, dan stuurt de homileet zijn schip met volle zeilen de wijde zee van de dogmatiek op, en het concrete van de tekst ontglipt hem ten enenmale. Had hij zich het „ge­rechtvaardigd zijnde” voorgesteld als de vrijspraak van een aangeklaagde voor de rechtbank en zich ingeleefd in de rede­nering van Paulus, Rom. 15, dan zou hij aan zulk een dog­matistische verklaring zijn ontkomen.

Het is dus nodig, dat de prediker met zijn geheiligde verbeeldingskracht de histo­rische zowel als de didactische en poëtische gedeelten van de Schrift beschouwt als een levend concretum, de handelende personen ziet en hun woorden hoort.


(2) Ten tweede vraagt de homiletische verklaring een inleven in de tekst, een in-zijn in het levensmilieu van het gedeelte van Gods Woord, dat gekozen is, een zich verdiepen in de gedachten van de Schrift. De dienaar van het Woord is geen archivaris die een oud aktestuk, b.v. een charter, interpreteert, maar hij moet zich zó in de inhoud van de Heilige Schrift verplaatsen, dat hij er helemaal in is. Zoals Paulus zegt tot Timotheüs, 1 Tim. 4 : 15. Hij moet ademen in de geestelijke atmosfeer van de tekst. Want het Woord van God is niet dood en krachteloos, maar levend en krachtig. De Heilige Schrift is openbaring Gods en in haar spreekt de Geest Gods. De predi­ker die in het Woord inleeft, ervaart de reacties van de levende realia in zijn binnenste. Het onderwijst hem, het slaat hem wonden, het sterkt zijn geest, het zuivert zijn leven, het prikkelt zijn wil.
(3) Heeft hij, vooral in de weg van oratio en meditatio, contact gekregen met het Woord, dan zet hij, ten derde, zijn denken in actie, om met het intellect de rijkdom van de tekst te bemachtigen en de schatten des heils te verwerken, die hem door de aanraking met en het inleven in het Woord worden ont­sloten. Oratio brengt in de heilige sfeer, meditatio ontsluit de deuren van het heiligdom van het Woord van God. De tekst is een bron geworden, waaraan hij eigen ziel kan laven, en de een gedachte na de andere vloeit hem toe. Er is verschil in begaafd­heid. De een heeft inniger contact dan de ander, aller opne­mingsvermogen is niet even groot, de een ziet dieper in de Heilige Schrift dan de ander; welke variatie er echter ook moge zijn, een ieder, al behoort hij ook tot de minst begaafden onder de broe­deren, die met het Woord van God contact heeft, ontvangt uit deze fontein meer water, dan hij drinken kan. Er is stof in overvloed. De Schriftgedachten indenken, overdenken en er over nadenken, is eis van de homiletische verklaring.

Maar we zijn er nog niet. Door studie en reflectie moet d e speciale inhoud ontdekt worden, die het Woord van God, in de tekst vervat, biedt. Hoe specialer een onderwerp genomen wordt, des te rijker de stof. De logica leert, dat de inhoud en de omvang van een begrip omgekeerd evenredig zijn. Hoe algemener een begrip is naar de omvang, des te armer is het naar de inhoud. Hoe specialer een tekst genomen wordt, des te meer stof doet hij ons toevloeien, des te rijker wordt de verklaring, des te krachtiger en meer op de man af de toepassing.

Het speciale van de tekstinhoud wordt gevonden door een nauwkeurige studie van het verband. Wie de tekst ziet als een onderdeel van een groot geheel, krijgt oog voor het bijzondere en markante. Hij geniet van het eigen aroma, dat iedere tekst heeft. De strafaankondiging tot Hiskia (Jesaja 39 : 5- 7) , waarin voorzegd wordt, dat van zijn zonen, die uit hem zullen voortkomen, die hij gewinnen zal, hovelingen zullen zijn in Babels paleis, wordt in haar speciale betekenis eerst begrepen door hem, die er op let, dat Hiskia nog geen zoon had. die na hem op de troon te Jeruzalem zou zitten. De donderwolk van Gods toorn is omzoomd door een lichtrand van genade.

Het is mogelijk over Hebr. 11 : 10 een zeer algemeen preek te houden, b.v. met het thema: Des Christens hoop op de hemelstad. Wie de tekst speciaal opvat, krijgt rijker stof; hij raakt in verrukking over het ontzaglijk grote geloof van Abraham, die in tenten wonende, de stad verwachtte, door God zelf gebouwd. Welk een geloofskracht in deze fase van de openbaringsgeschiedenis!

De toespraken van de Heere Jezus (of onderdelen er van) laten zich homiletisch eerst goed behandelen, wanneer er mee gerekend wordt, of ze gehouden werden tot de apostelen, tot de discipelen in het algemeen, tot de scharen of tot de Farizeeën.

Tot de speciale behandeling van de tekst hoort ook het opmerken en „verwerten” van de fijne trekjes, die zovele teksten, vooral van het Nieuwe Testament, kenmerken. Welk een forse toon klinkt soms door de tekst, omdat het verbum niet staat in het perfectum, maar in de aoristus! De volgorde van de woorden is van grote waarde. Zo staat in Rom. 8:16, dat de Heilige Geest aan onze geest medegetuigt, dat wij z ij n, niet maar in schijn, maar in wezen, kinderen Gods. Ook de synoniemen doen dienst om het speciale te ontdekken. In Ef. 3 : 14 en 15 staat niet slechts, dat Paulus voor de Efeziërs bidt, maar hij buigt zijn knieën. Paulus was opgesloten in de ge­vangenis; ge ziet hem op de vochtige bodem van de spaar­zaam verlichten kerker zijn knieën buigen. Welk een voorbidder! In hetzelfde vers ook die mooie woordspeling: hij bidt tot de ‘Patér’ uit Wien alle ‘patria’ in hemel en op aarde wordt genaamd.


Voor de kennis van het speciale is verder van belang de vergelijking van de tekst met naar de inhoud verwant plaatsen, om dan na te gaan, wat in onderscheiding van die, het kenmerkende van het te verkondigen Woord van God is. Vooral wanneer, zoals in de chokmaliteratuur, het verband niet veel licht verspreidt (hoewel bij nadere bestudering er dikwijls, b.v. in het Spreukenboek, meer verband is dan bij het eerste lezen schijnt), is door vergelijking met verwante of bijna parallelle plaatsen (die echter niet alle in de preek mogen gereleveerd worden) vast te stellen, welke bijzondere gedachte de Heilige Geest in de gekozen tekst tot uitdrukking brengt.

Het onderzoek naar het speciale van de tekst leidt tevens tot de hoofdgedachte, die in het thema wordt uitgedrukt. De nevengedachten, die straks aan het thema zullen gesubordineerd worden, komen aanvankelijk reeds tot formulering.



De homiletische verklaring bestaat niet alleen in een geeste­lijk inleven in de tekst en het vaststellen van het speciale, maar verder ook in het zoeken van de relatie, die de tekstinhoud heeft tot het geheel van de Godsopenbaring.282
De Heilige Schrift is een organisme, waarin ieder lid in verband staat met het geheel. Elke gedachte van de Schrift, hoe ver die ook van het centrum van de openbaring verwijderd ligt, heeft relatie met het middelpunt. Nu is Christus het middelpunt van de Schriften. Hoofdinhoud van de openbaring is de genaderaad Gods in Jezus Christus tot onze zaligheid. Het is de roeping van de dienaar van het Woord elk onderdeel van de Heilige Schrift te laten zien bij het licht van het geheel. In elke tekst moet door de bediening van het Woord voor het oog van de gemeente schitteren de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Alleen in deze weg komt de bediening van het Woord tot haar doel en zal ze strekken tot onderwijzing, vermaning en vertroosting van de gemeente des Heeren. Zij moet zien en horen, wat God de Heere doet en spreekt. 't Is haar om kennis Gods te doen in Jezus Christus. En deze kennis geeft de Schrift, wanneer de prediker haar naar haar eigen aard en overeenkomstig haar doel verklaart. Daartoe dient de homileet na te gaan, in welke periode van de zich ontwikkelende openbaring, in welk historisch milieu van de revelatie de tekstgedachte een plaats heeft, en hoe deze ge­dachte zich in het vervolg van de openbaring heeft ontwik­keld. Behoort de tekst tot het deel van de openbaring, waarin het heil in Christus tot volle ontplooiing is gekomen, dan moet hij duidelijk maken in grote lijnen, door welke phasen heen de Heere de volheid van zijn raad heeft geopenbaard. de prediker moet helder voor ogen staan, welke plaats de waarheid van de tekst heeft in het geheel van de geopenbaarde raad Gods.
Wie deze relatie met het geheel van de Godsopenbaring voorbij ziet, kan wel interessante dingen over de tekst meedelen en literarische exegese geven, maar schiet te kort bij de homile­tische verklaring, grijpt de kern van de tekst niet en voedt de gemeente niet met de geestelijke spijze van het Woord van God, waaraan zij behoefte heeft. Men kan over de zegening van Jacob (Gen. 27) een exegetisch goed bewerkt stuk en een fijn psychologische ontleding van de karakters van Izak, Rebekka, Ezau en Jacob geven, die de hoorder van a-z boeit. Alleen maar, de bediening van het Woord is iets meer dan historiebe­schrijving en psychologische analyse. Een mooi, door literair schoon bekorend opstel, is nog geen preek. De bediening van het Woord vraagt theologische belichting en Christocentrische visie. Zij beschouwt elke tekst als een onderdeel van de openbaring Gods aangaande Hemzelf. De taalkundige verklaring, de historische beschrijving, de psychologische analyse dienen de prediker om de gemeente te laten zien, dat God hier door de zonden van de mensen heen zijn raad uitvoert, dat de meerdere de mindere zal dienen, Gen. 25 23, Jacob de stamvader wordt van het heilig geslacht, waaruit de Christus zal voortkomen, en hij dit genadegeschenk alleen te danken heeft aan het welbehagen Gods, dat in deze fase van de Oud Testamentische openbaring de geestelijke en de natuurlijke zegeningen in de belofte dicht bij elkander liggen, enz.

Door zulk een beschouwing van de tekst grijpt de homileet de diep religieuze inhoud en vindt hij het antwoord op de vraag: wat zegt God door deze historie tot de kerk van alle eeuwen?

Met deze theologische beschouwing en Christocentrische visie is de homiletische verklaring nog niet ten einde. De homileet heeft, en hier vormt de verklaring een geleidelijken overgang tot de toepassing, nu verder te vragen, welke betekenis de openbaringsgedachte van de tekst heeft voor de tijd, waarin het Woord van God werd geschreven of waarin de geschiedenis plaats had, en welke de betekenis is voor heel de kerk, in het bijzonder voor de gemeente des Heeren van onze dagen. De openbaringsgedachten die in de tekst verborgen liggen, moeten aan het licht gebracht. Zo is uit de geschiedenis van de zegening van Jacob de gedachte af te leiden, dat er is een zeer bijzondere voorzienigheid Gods ten opzichte van de Zijnen. Hij zorgt er voor, ook door Zijn bestuur over de zonden van de mensen, dat zijn woord „komt”. Hoe absoluut en soeverein is de genade Gods, die in alle handelingen van de mensen uitschittert (cf Rom. 9 : 6 seq.). De tekst Ef. 3 : 14 - 16 doet o.a. zien, dat de Drieënige God de krachtbron is voor onzen geestelijken wasdom, en is een schriftuurlijk bewijs voor de heerlijke opmerking in de Ned. Geloofsbelijdenis, dat wij van de drie Personen in het Goddelijke Wezen niet alleen kennis hebben uit de getuigenissen van de Heilige Schrift, maar ook uit hun werkingen, en voornamelijk uit degene die wij in ons gevoelen (Art. IX).
De Nederlandse Gereformeerde homileten van de zeventiende eeuw hebben er nadruk op gelegd, dat leerstellingen, die in de tekst in nuce verborgen zijn of door wettige consequen­tie uit de tekst kunnen afgeleid, in de preek behoren opgeno­men te worden.283 Hoornbeek284 verdeelt de tractatio textus zelfs in drieën:

1 explicatio,

2 documenta,

3 usus.

Hij noemt de doc­trina een documentum, hetwelk hij omschrijft als doctrina, vel observatio doctrinae, axioma nempe theologicum, quod in textu observatum doceri, ex quo producitur, atque porro pro concione tractatur. Hij schuift tussen de explicatie en de ap­plicatie (leer van de usus) de documenta als een zelfstandig deel in. Dit is niet zonder bezwaar. De doctrine zijn leringen van meer algemeen of bijzonder karakter, die uit de tekst afgeleid worden. Zij horen dus bij de homiletische explicatie thuis. Krijgen de doctrine een zelfstandige plaats, dan gaat de prediker het werk doen van de dogmaticus door de tekst op te vatten als een locus voor de dogmatiek en de preek het karakter te geven van een dogmatische verhandeling. De be­naming documentum wijst daar reeds op. Er worden uit de tekst m o r e d o g m a t i c o algemeen axiomata afgeleid, en de prediker is hierdoor in gevaar het speciale uit het oog te verlie­zen. Wanneer bij de tractatio van de documenta nog weer on­derscheiden wordt tussen explicatio, probatio et exemplifica­tio, is er alle aanleiding de tekst te verdogmatiseren.
Gelijk boven werd betoogd, moeten uit iedere tekst „leringen” wor­den afgeleid, maar die doctrine dragen in de bediening van het Woord een speciaal karakter. Zelfs de leringen, die uit de tek­sten vloeien, welke bij de Catechismusprediking worden aange­wend tot staving van het in de Catechismus beleden dogma, mogen niet te algemeen opgevat worden. Maar vooral bij de verklaring van de tekst in de morgengodsdienstoefening moeten de leringen zo speciaal mogelijk genomen worden, en dient aangewezen, welke betekenis de speciale doctrine onder bepaalde omstandigheden voor de kerk Gods van vroeger en later eeuw hebben.

Wie in de homiletische verklaring zich van zijn studententijd af oefent, zal over gebrek aan stof niet te klagen hebben en zijn toevlucht niet behoeven te nemen tot „biblia paupe­rum”, welke prullaria niet alleen in de Middeleeuwen verkrijgbaar waren maar ook thans aan de markt komen onder de titel Dictionary of Anecdote, of illustrations adepted to Chris­tian preaching, e.d. Hij heeft geen verhaaltjes als vulsel nodig. Hij leert naar het voorbeeld van de mannen Gods en van onze Zaligmaker de Schriften uitleggen voor het volk, hij ontsluit de deuren van de schatkamers, laat de schatten des heils zien en deelt ze uit.

Toen Ezra, de schriftgeleerde, een deel van de torah aan de gemeente had voorgelezen, kwamen de Levieten, en de zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen. Zij gaven inzicht in het heiligdom van de Wet Gods, Neh. 8 : 9.

Voor de Emmaüsgangers legde de Heere Jezus uit, hetgeen in al de Schriften van Hem geschreven was. Hij opende de Schriften, die tot dusver voor hen gesloten waren, Lucas 24 : 27, 32. De apostel Paulus opende aan de Joden te Thessalonica de Schriften, en bewees uit het Oude Testament, dat de Christus lijden moest, Hand. 17 : 13. Wie de Schrif­ten opent voor de gemeente, doet haar bewonderen de onuit­puttelijke rijkdom van de goederen des heils.


Op de vraag, of het nodig is iedere Schriftuurplaats tot in bijzonderheden te verklaren en de tekst uit te putten, zij geantwoord, dat elke dienaar van het Woord ervaart, dat de grote Godsgedachten, welke de tekst biedt, in zich onuitputtelijk en ondoorgrondelijk zijn. De grootheid van Gods heilgedachten gaat ons denken ver te boven. Wie in het binnenste heiligdom van de openbaring doordringt, komt te staan voor het mysterie. De raad Gods tot onze zaligheid in Jezus Christus is heilgeheim. Hier voegt bewondering en aanbidding. Daarom is alle openen van de Schrift betrekkelijk en vindt alle verklaren in het mysterie zijn grens.

Maar afgezien van het feit, dat de gedachten Gods in de Schrift geopenbaard, in zich verborgenheden zijn, is bij de homiletische verklaring niet voor iedere tekst tot eis te stel­len, dat hij geheel zal worden uitgeput. De Schrift is zó rijk. dat bij een goed gekozen tekst van een, in objectieve zin genomen, uitputten wel geen sprake zal zijn, vooral bij die ge­deelten, welke dicht liggen bij het centrum van de openbaring. Bij een kleine tekst is er meer gelegenheid op de begrippen in te gaan en door specialisering in nauwe aansluiting aan het tekstverband de rijkdom van stof te vermeerderen. Voor de prediker kan het, subjectief genomen, dan de schijn hebben, dat de tekst uitgeput raakt. Indien de tekst een omvang van vele verzen heeft, is het niet mogelijk hem uit te putten, zonder ten opzichte van de lengte van de preek ver buiten de schreef te gaan (wat niet doelmatig is), en zal de prediker die gedach­ten nemen, welke hij nodig heeft in verband met het doel, dat hij zich bij een bediening van het Woord stelt.

Stricto sensu heeft elke tekst slechts één hoofdgedachte (en dus één thema), maar de hoofdgedachte kan terwille van de overvloed van de stof van verschillende zijden belicht worden. Zo is b.v. de grote beslissing op de Karmel, i Kon. 18 : 20 seq, te beschouwen uit het gezichtspunt van de nederbuigende goed­heid des Heeren voor zijn Israël, dat alles verzondigd heeft, en toch zo glansrijke openbaring ontvangt. Maar evenzeer uit de gezichtshoek van de noodzakelijkheid, om met beslist­heid de Heere te dienen en niet te hinken op twee gedachten. Ook van deze zijde, welk een geloofsmoed Elia door Gods genade aan de dag legt. Ter wille van de eenheid van de preek zal één van de gezichtspunten moeten domineren. In het algemeen is niet te stellen, dat de tekst moet uitgeput worden. Blijft er veel stof over, dan worde later over hetzelfde Woord van God onder nieuwe belichting gepredikt.
Tenslotte zij bij de homiletische verklaring nog op een tweetal punten gewezen.
- Ten eerste moet de verklaring van de tekst in overeenstemming zijn met de Belijdenis van de kerk. De dienaar verklaart bij de aanvaarding van zijn ambt dat de Belijdenis conform het Woord van God is en hij niets zal leren in strijd met de belijdenisschriften van de kerken. Als man, als christen, heeft hij zich aan deze belofte te houden, de ouderlingen zijn verplicht toe te zien dat de dienaar van het Woord niets verkondigt in strijd met de Belijdenis, de gemeente heeft recht op trouw aan haar Belijde­nis. Meent de dienaar van het Woord na nauwgezet onderzoek van de Heilige Schrift, dat een artikel van de Confessie niet overeenkomt met de Heilige Schrift, dan staat de weg open tot het indienen van een gravamen, waarover de kerken in meerdere vergadering beslissen. Opdat de kerk des Heeren niet aan private opvattingen van een individuele dienaar van het Woord worde overgeleverd, eist zij terecht, dat de dienaar van het Woord in zijn verklaring van de Heilige Schrift niets zal leren, in strijd met de Confessie.

- Ten tweede heeft de prediker zich te wachten voor aanwending van de allegorische interpretatie. De geschiedenis van de uitlegging van religieuze oorkonden heeft geleerd, dat zij, die zich in de religieuze volksvoorstellingen niet meer konden vinden, tot de allegorische interpretatie hun toevlucht genomen hebben, om hun eigen, verlichte, religieuze denkbeelden te pro­pageren en tegelijk hetzij opzettelijk, hetzij onopzettelijk, de schijn te geven, alsof hun denkbeelden in de positieve religie van de massa te vinden waren. De allegorische interpretatie van het volksgeloof is uit ongeloof geboren. De Stoa heeft de allegorische methode toegepast op de Griekse volksreligie. Philo heeft ze, om zijn afwijking van het Oude Testament en het paganistisch karakter van zijn denken te maskeren, toege­past op de Schriften des Ouden Testaments. Origenes heeft door de pneumatische exegese de kloof tussen de man van de gnosis en de eenvoudige, die van de pistis leefde, trachten te overbruggen. De Gnostici hebben door het allegoriseren van Oud en Nieuw Testament het christendom met Oostersche religies tot een amalgama samengesmolten. De speculatieve filosofen van de 19e eeuw, Kant, Fichte, Hegel, Schelling en hun volgelingen pasten op de Heilige Schrift en de christelijke dogmatiek de allegorische interpretatie toe, om aldus een huwelijk te sluiten tussen de positieve religie van het chris­tendom en filosofische speculaties. Ook de mystici van allerlei kleur hebben van dit middel een gretig gebruik gemaakt, om hun visies met Schriftgezag te dekken. Door deze les van de historie is de prediker gewaarschuwd. Wie het Woord bedie­nen wil, mag allerminst eigen gedachten in de Schriften indra­gen en door verspeculering of allegorisering van historische of leerstellige gedeelten van de Schrift aan zijn fantasie botvieren.


„De tekst is dikwerf maar de spijker, waaraan de armoedige plunje van eigen of des volks geliefkoosde meningen wordt opgehangen. Allegorie, vergeestelijking, mystieke betekenis, diepere zin, een waarheid achter de waarheid is dan de kunstbewerking. waardoor men met de Schrift eigen gedachten verzoent. Studie is hiervoor niet nodig. Alleen enige vernuftige behendigheid, een ongebreidelde fantasie, een behoorlijke mate van brutaliteit en een consciëntie, die het niet al te nauw neemt.

Succes behalen deze predikers wel, nog meer dan de Sophisten. Als men op de vraag: Waarom vatte Mozes de slang bij de staart en niet bij de kop, diepzinnig antwoorden durft: omdat de kop in 't paradijs vermorzeld was. Als men met mystische blik in de mannen van de Samaritaanse vrouw de vijf boeken van Mozes aanschouwt. Als men in het huwelijk van Izak en Rebecca de wijze afgeschaduwd ziet, waarop Christus zijn bruid, de gemeente, zich verwerft. Als men dit alles en nog veel meer als het Woord van God verkondigen durft, zal het aan succes niet ontbreken.” H. Bavinck. De Welspre­kendheid. pag. 34.


Ongetwijfeld heeft de Schrift een diepe zin en bevat vooral het Oude Testament grote gedachten, die niet aan de oppervlakte liggen. Er worden in de Schriften parallellen getrokken tussen de reis van de kinderen Israëls door de woestijn en van de christen uit het diensthuls van de zonde naar het Kanaän dat boven is. Heel de Oude Bedeling is typisch, en daarom mag de prediking over het Oude Testament niet Oud Testa­mentisch zijn. Voor de analogieën, die de Schrift zelf geeft (b.v. Gal. 4 : 22-31) sluite de prediker het oog niet.

De typische betekenis van sommige Schriftgedeelten behoort in de prediking tot haar recht te komen. Maar altijd moet de Schrift door de Schrift zelf verklaard worden, 2 Petrus 1 : 20. Niemand mag bij de typiek en het trekken van analogieën verder gaan, dan de Schrift zelf aangeeft. Bij de nadere uitwerking van de aanwij­zingen van de Schrift boude de prediker zich aan de analogia fidei. Steeds sta hij in de volle overtuiging, dat hij het Woord van God bedient. Alle speculatie en allegorisering blijve ver van de kansel.

De leer van de dubbelen of driedubbele zin is terecht veroordeeld. Sensus S. Scripturae unicus tantum est.285

Cal­vijn zegt: „Ik erken, dat de Schrift is een zeer rijke en onuit­puttelijke fontein van alle wijsheid, maar ik ontken, dat haar vruchtbaarheid bestaat in de verschillende meningen, die iemand naar zijn welgevallen in haar leggen moge. Laten wij weten, dat de ware zin van de Schrift is de natuurlijke en duide­lijke, en laat ons dien omhelzen en er bij blijven. Laten we niet alleen als twijfelachtig voorbijgaan, maar vrijmoedig als dodelijk verderf verwerpen die voorgewende verklaringen, die afleiden van de natuurlijken zin”.286




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page