Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page13/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   29

16. DE TEKSTKEUZE
P. R. E. Art. Perikopen und Art. Kirchenjahr; H. C. Laatsman. Diss. de N. T. pericopis ecclesiasticis. Tra j. ad Rhenum. 1858; G. Rietschel. Liturgik. Berlin. 1900. I pag. 223 seq.: Achelis. Prakt. Theol. Leipzig. 1911. I. pag. 182; E. Ranke. Das kirchliche Perikopensystem aus de Altesten Urkunden van de römischen Liturgie dargelegt und erläutert. Berlin. 1847; A. Nebe. Die Evangelischen Perikopen des Kirchenjahres. J. Wiesbaden. 1886; J. J. van Oosterzee. Prakt. Theologie. Utrecht. 1877. I. pag. 289 seq.; Th. Christlieb. Homiletik. 1893. pag. 186 seq.; A. Kuyper. Onze Eredienst. Kampen. 1911. pag. 291 seq.; J. H. Snowden. The psychology of reli­gion. New-York. 1916. pag. 291.

Reeds vóór de stichting van de christelijke kerk werd iedere sabbat in de synagoge een gedeelte van het Oude Testament voorgelezen. Hand. 15 : 21 bevestigt dat iedere sabbat uit de Thora gelezen werd. Deze was verdeeld in 154 parasjen (van het Hebr. parasj: scheiden), zodat de gemeente in verloop van ongeveer drie jaren de vijf boeken van Mozes te hoeren kreeg. De lectio continua is later vervangen door een lectio selecta in 54 parasjen.

Vóór het begin van onze jaartelling is het in de synagoge ge­woonte geworden op de sabbat ook uit de nebiim voor te lezen, Hand. 13 : 15, 27. De voor het lezen bestemde stukken heetten haphtaren (van het Hebr. patar: verwijderen, vrij laten; waarschijnlijk, omdat de schriften van de profeten gelezen werden aan het slot van de eredienst, en de voorganger daarna de gemeente liet gaan.223

Uit Lukas 4 : 20 en Hand. 13 : 15 blijkt, dat na de lezing van de profeten soms een toespraak gehou­den werd, vóór de gemeente uiteen ging. Men volgde, tenminste in de Nieuw Testamentische periode, niet de lectio continua. De voorlezer was vrij in de keuze van de stukken.

Ook in de christelijke kerk werd de Heilige Schrift des Oude Testaments op de dag des Heeren gelezen. Zowel de heiden- als de Jodenchristenen waren door de lezing des Woords in de eredienst met het Oude Testament vertrouwd, Rom. 7 : 1; 1 Kor. 6 : 16; 9:13.

In de apostolische aera werden in de vergadering van de ge­meente naast de schriften des Ouden Testaments de brieven van de apostelen gelezen. Paulus beveelt zijn zendbrieven in de ge­meente voor te lezen, Koll. 4 : 16, 1 Thess. 5 : 27; Timothéüs moet aanhouden in het voorlezen van de apostolische geschrif­ten in de gemeente, 1 Tim. 4 : 13 ; de Apocalyps van Johannes is bestemd om in de gemeenten van Klein-Azië gelezen te wor­den, Op. 1 : 3.

In de eredienst van de oude christelijke kerk werd zowel het Oude als het Nieuwe Testament gelezen. Justinus Martyr († 163) zegt, dat in de eredienst de gedenkwaardig-heden van de apostelen of de schriften van de profeten gelezen worden, zoolang er gelegenheid voor is.224 Met die gedenkwaardigheden van de apostelen worden blijkens de aanduiding, die Justinus zelf in cap. 66 geeft, de evangeliën bedoeld. Na de voorlezing van de Schrift hield de leider van de vergadering een toespraak, waarin op betrachting van het Woord van God in de levenspraktijk werd aangedrongen.

Deze lezing van de Schrift was een lectio continua. Voor elke dag van samenkomst was nog niet een bepaalde afdeling aangewezen. Wel werden door de kerk bepalingen gemaakt aangaande hetgeen gelezen mocht worden. Zo besloten de kerkvergaderingen van Laodicea, 36o, en van Hippo, 393, dat het in de openbare eredienst slechts geoorloofd zou zijn de canonieke boeken voor te lezen.


In de derde eeuw vormde zich in het Oosten de gewoonte op de dagen, waarop de kerk de heilsfeiten van het sterven en de opstanding des Heeren mitsgaders van de uitstorting van de Heilige Geest herdacht, gedeelten van de Schrift te lezen, die op die feiten betrekking hebben. In de vastentijd werd Job gelezen.225 In het Westen ontstond eveneens een feestcyclus. Tertullianus.226

deelt mede, dat zowel het Oude als het Nieuwe Testament gelezen werd en de keuze verband hield met het kerkelijk jaar. Ten tijde van Augustinus was de lectio voor de gedenkdagen van het lijden, de dood en de opstanding des Heeren bepaald, maar overigens was de voorganger tamelijk vrij in de keuze van de Schriftgedeelten, die hij wilde voorlezen en uitleggen.227

Sedert ongeveer de vijfde eeuw werd in verschillende kerken vastgesteld, welke gedeelten uit het Epistel en uit het Evangelie op Zon- en feestdagen zouden gelezen worden. Zulk een verza­meling van Schriftgedeelten of perikopen (perikopé, Abschnitt) , tot liturgisch gebruik bestemd, werd genoemd 1 e c t i o n a t r i u m of comes (misschien is de laatste naam gebruikt, omdat het lectionarium de priester bij de dienst vergezelde). Het boek, dat het lectionarium bevatte, was de l i b e r comicus.

Verscheidenheid van lectionaria bleef in het Westen bestaan tot Karel de Grote, die op weinige uitzonderingen na voor heel zijn gebied het lectionarium van Rome invoerde. In zijn Capitulare van 797 beval hij: ut unusquisque presbyter mis­sam celebraret ordine romano.228

Het is heel moeilijk de oorsprong van de Karolingischen comes na te gaan en er bestaat geen zekerheid of, en zo ja, in hoeverre deze comes aan dien van Hieronymus is ontleend.229

Karel de Grote, die niet van halve maatregelen hield, deed nog meer. Hij liet het lectionarium van een door Paulus Diaconus opgesteld h o m i l i a r i u m vergezeld gaan, d.i. een bundel van de kerkvaders overgenomen preken over de in het lectionarium aangewezen perikopen. Deze preken moesten door de predikanten uit het Latijn in de landstaal overgezet en voor de schare gehouden worden. Karel was een volks­pedagoog met grote ideeën. Hij heeft door zijn homiliarium een werkzaam aandeel gehad in de kerstening van de Westerse volken in de Middeleeuwen.

Het lectionarium uit Karels tijd is later door de Roomse kerk herhaaldelijk gewijzigd en uitgebreid, en vastgesteld op het concilie van Trente. Het wordt thans schier overal in de Roomse kerk gebruikt. Aan iedere priester is voorgeschreven, welk gedeelte uit het Epistel en uit het Evangelie hij iedere dag bij de misbediening heeft te lezen. Daar de mis een sacraments­en geen predikdienst is, is praelectio van het Epistel en van het Evangelie voldoende en is de bediening van het Woord geen integrerend bestanddeel van de Roomse cultus.
Luther is met zijn reformatie van de eredienst ten halve blijven staan en heeft ten opzichte van het perikopenstelsel aan de pedagogische methode de voorkeur gegeven. Omdat het volk voorliefde had voor de perikopen en de meeste predi­kanten niet in staat waren een tekst uit de Heilige Schrift zelf­standig te kiezen en in een preek te verklaren, heeft Luther de perikopen laten bestaan. Tegen het in de Roomse kerk vigerende perikopenstelsel had hij grote bezwaren; sommige teksten toch waren gekozen in verband met de Roomse cere­moniën.230

Daarom heeft hij zich bij de keuze van de Schriftgedeelten meer bij het Karolingische systeem dan bij het Roomse lectionarium aangesloten. De invloed van Rome is echter nog zó sterk geweest, dat sommige Zondagen, b.v. tussen Pasen en Pinksteren (als Invocavit, Oculi, etc.) in de Lutherse kerk de naam bleven behouden, dien zij bij Rome gekregen hadden naar het beginwoord van de psalm in de introitus van de mis.


De reformator van Wittenberg koos dus voor een verbeterd perikopenstelsel. Het is echter niet om principiële redenen. maar uitsluitend om praktische motieven, dat hij aan de perikopen de voorkeur gaf. Wilde iemand de boeken van de evangelisten achter elkaar doorpreken en dus, zoals Zwingli en Calvijn deden, de lectio continua invoeren, Luther had daartegen allerminst bezwaar. Zijn gevoelen in dezen heeft hij dui­delijk beschreven in het hoofdstuk Von dem Gottisdienst in de Deutsche Messe van 1526.

Weyl alles Gottis diensts das grossist und furnempst stuck ist. Gottis wort predigen und lesen, halten wyrs mit dem predigen und lesen also. Des heyligen tags oder Sontags lassen wyr bleiben die gewonlichen Epistel und Evangelia, und haben drey predigt. Frue umb funffe odder sechse singet man etliche psalmen, als zur metten. Darnach predigt man die Epistel des tages, aller meyst umb des gesindes willen, das sie auch versorget werden und Gottis wort horen, ob sie ia ynn andern predigeten nicht sein kunde. Darnach eyn antiphon und das Te deum laudamus oder Benedictus umb einander, mit eynem Vater unser, Collecten (gebeden), und Benedicamus domino. Unter van de Messe umb acht oder neune predigt man das Euangelion, das die zeyt gibt durchs iar. (perikopensysteem) Nach mittage unter van de vesper, für de Magnificat, predigt man das alte testament, ordentlich nach eynander. Das wyr aber die Episteln and Euangelia nach van de zeyt des iars geteylet, wie bis her gewonet, halten, Iet die ursach, Wyr wissen nichts sonderlichs ynn sokher weyse zu taddeln. So ists mit Wittemberg so gethan zu diser zeyt, das viel da sind, die predigen lernen sollen an de orren, da solche teylung van de Episteln und Euangelia noch geht und villeycht bleybt. Weyl man deun mag de selbigen damit niitze seyn und dienen, on unser nachteil, lassen wyrs so geschehen. damit wyr aber nicht die taddeln wollen. so die gantzen bucher van de Euangelisten fur sich nemen. Hie mit achten wyr habe van de leye predigt und lere genug. wer aber mehr begerd. van de findet auff andere tage gnug.

Nemlich des Montags und Dinstags frue geschihet eyne deudsche lection, von de zehen geboten. vom glauben und vater unser, von van de tauffe und sacrament, das disc zween tage de Catcchismen erhalten und stereken ynn seym rechten verstand. Des Mitwochens frue, aber ein deudsche lection, dazu ist van de Euangelist Mattheus gantz geordenet, das van de tag sol seyn eygen seyn. weyl es ja zumal eyn feyner Euangelist ist fut die gemeyne zu lesen und die gute predigt Christi auff dem berge gethan. heschreyht, nnd fast zu ubung van de liebe und guten werck helt. Aber de Euangelisten Johannes, welcher zu mal gewaltiglich de glauben letet, hat auch seynen eygen tag. De Sonnabent nach mittage unter van de vesper, das wyr also zween Euangelisten van teglicher ubung halten. van de dornstag, freytag, frue morgens, haben die teglichen wochen lection ynn de Episteln van de Aposteln und was mehr ist ym neuen testament. Hie mit sind lection und predigt gnug bestellet, dat Gottis wort ym schwang zu halten, on was noch sind lection ynn van de hohen schulen fur die gelerten." Deutsche Messe. Liturgische Tezte, ed. H. Lietzmann. Bonn 1909, pag. 7 en 8.
Postillen werden door vele predikanten trouw gebruikt. Al moet toegestemd, dat er in dezen overgangstijd iets voor te zeggen viel, de predikanten liever een goede preek van Luther te laten houden, dan een slechte van zich zelf, de historie heeft geleerd, dat door het Kirchenpostillensysteem bij velen de traagheid in de hand gewerkt, de zelfwerkzaamheid belem­merd en de originaliteit in het preken gedoofd werd.

In de Lutherse kerk is gedurende de zestiende eeuw bijna overal de perikopendwang ingevoerd: elke predikant van de landskerk was verplicht over de door de kerkelijke overheid voor iedere Zon- en feestdag vastgestelde tekst te preken; hetzelfde perikopensysteem werd jaar in jaar uit gehandhaafd en van afwisseling was geen sprake. De perikopendwang heeft in de Lutherse kerk funest gewerkt. Predikanten, die niet al te ijverig waren, hielden ieder jaar op dezelfde Zondag dezelfde preek; en zij die aan dit sleurwerk niet wilden meedoen, waren genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot de methoden. Men mag - en terecht - van de methoden zoveel kwaad zeggen als men wil, maar het was toch de enige manier om fris te blijven.

Carpzovius dacht er honderd uit, zodat de predikant voor heel zijn leven klaar was. Van de methodeleer werd echter de tekst de dupe: hij werd zoolang gewrongen en geknepen, tot hij zijn oorspronkelijke vorm geheel had ver­loren. Spitsvondigheid kwam in de plaats van exegese. De prediker moest de kunst verstaan eigen gedachten in de tekst te leggen. De prediking was geen bediening van het Woord meer.

Tegen de perikopendwang heeft het Piëtisme zich verzet. Spener noemde het perikopenstelsel ein druckendes Joch, ein Bann van de Kirche.231 Spener was echter niet in staat de kerk van het juk te verlossen.


Uit geheel ander motief hebben de Rationalisten van de 18e eeuw de perikopendwang bestreden. De predikanten mochten niet gebonden wezen, maar moesten hun vrijheid kunnen handhaven. Ook werden perikopen om de inhoud afgekeurd; men wilde meer teksten met ethische inhoud. Bij moralische prediking hoorde een moralische tekst. De oppositie van de Rationalisten heeft meer uitgewerkt dan die van de Piëtisten; sommige landskerken hebben nieuwe perikopenstelsels ingevoerd.

In de negentiende eeuw is de perikopendwang bij de lands­kerken in Duitsland aanmerkelijk verzacht, maar principieel genomen is de toestand weinig veranderd. De prediker heeft in de Lutherse kerken volle vrijheid voor preken op werkdagen de teksten te kiezen, die hij wenscht, maar in vele kerken moet op Zon en feestdagen gepreekt worden over teksten, die door de kerkelijke overheid zijn voorgeschreven. Daar soms twee of drie perikopensystemen elkaar afwisselen, behoeft de predikant niet ieder jaar dezelfde tekst te nemen. De geünieerde kerken hebben meestal de perikoop voor de praelectio scripturae vastgesteld, maar zijn minder streng ten opzichte van de preektekst. Verschillende perikopensystemen kunnen afwisselend gebruikt worden, in enkele kerken heeft de predi­kant zelfs het recht om de drie jaar zelfstandig een keuze te doen.


De kerken van de Reformatie van Gereformeerde origine hebben op weinige uitzonderingen na, het perikopenstelsel afge­schaft.232 Enkele homileten hebben een poging gewaagd het traditionele perikopenstelsel te herzien. Olevianus, Zepperus en Textor schreven zelfs perikopenpreken,233 maar de kerkelijke vergaderingen toonden weinig liefde voor het perikopensysteem, zelfs niet voor een editio correcta. Perikopendwang is in de kerken van Gereformeerd type nooit geweest.
In navolging van homileten van de oude christelijke kerk behandelden sommige Gereformeerde predikers successief gehele boeken van de Heilige Schrift in de gemeente. Dit had tot vrucht, dat het volk onderwezen werd in de Schriften, wat zeer nodig was, want de onkunde was groot.

Zwingli begon 1 Jan. 1519 te preken over Mattheus, en toen hij dit evangelie had doorgepreekt, ging hij op dezelfde wijze te werk met Handelingen, 1 Timothéüs, Galaten, enz. Ook Bullinger volgde in de prediking de lectio continua.

Calvijn preekte gewoonlijk eveneens over vervolgstoffen. Zelfs op de feestdagen week hij daarvan niet af. Toen Calvijn Deuteronomium in vervolgstoffen behandelde, ging hij op de eersten Kerstdag daarmee door en preekte op 25 December 1555 over Deut. 21 : 10-14.

In de strijd met Westphal, predi­kant te Hamburg, heeft Calvijn enkele argumenten genoemd, waarvan W. Caspari zegt, dat ze in hoofdzaak alles bevatten, wat tegen de oude perikopen kan ingebracht worden.234 In de Secunda defensio piae et orthodoxae de sacramentis fidei contra Joachim Westphali calumnias (1556)235 zegt Calvijn ten

eerste, en dit is een argument tegen de perikopen in het algemeen, dat de oude kerk deze gewoonte niet had: satis ex omnibus veterum scriptorum homiliis constat, Scripturae libros uno contextu ad plebem fuisse expositos. Ten tweede zijn de tegen­woordige perikopen zeer onoordeelkundig samengesteld: quas f sc. sectiones] tamen inepte nulloque iudicio factas esse lectio coarguit. Ten derde, en hier ziet ge een glimlach spelen om Calvijns mond, houdt men aan het oude perikopenstelsel zo krampachtig vast, omdat de gemakzucht van de predikanten er door bevorderd wordt en de beurs van de schrijvers van de perikopenpreken er bij gebaat is: ne quis tamen putet Westphalum de nihilo excandescere, monitos esse volo lectores, de postillis esse sollicitum!

A Lasco te Londen sloot zich bij de Calvijnsche praxis aan.236

De Gereformeerde kerken in Schotland, Hongarije en Nederland hebben de perikopen niet overgenomen. De nationale synodes van de zestiende eeuw hebben de kerken geadviseerd ge­hele Bijbelboeken in volgorde te verklaren. 's Gravenhage, 1586, liet het in de vrijheid van de kerken of men de Zondagsche evangeliën of perikopen wilde gebruiken.
De meeste Nederlandse Gereformeerde homileten volgen Calvijn en Hyperius, die de tekstkeuze niet naar een perikopensysteem willen inrichten.

Martinus is van oordeel dat voor textus ordinarii in aanmerking kunnen komen fragmenta illa festiva et Dominicalia Evangeliorum et Epistolarum, ut vocant, passim adhuc ex veteri more usitata. Hij neemt in dit opzicht onder de Gereformeerde homileten hier te lande een tamelijk eenzame positie in.

Knibbe spreekt van de gewoonte, bij enkele kerken in zwang, om naar het oude perikopenstelsel te preken: qui mos adhuc apud Pontificios, Lutheranos et alios reformatos in quibusdam locis (p r o h d o 1 o r) obtinet.237

De kerkorde van Dordrecht spreekt over de perikopen niet meer. 238


Voetius geeft de raad een geheel boek van de Schrift of een caput te behandelen en acht het gebruik van een perikopenstelsel niet goed: .... consultum videtur, et in bene consti­tutis ecclesiis nostris observatum, ut integri libri, aut saltem integra capita continuato ordine explicentur. Dominicalibus textibus perpetuo in ordinem recurrentibus se et alios alligare, minus commodum videtur. 239

Ook Amesius voert tegen het perikopenstelsel verschillende gronden aan 5).

In de loop van de jaren zijn in Nederland en ook in andere landen bij de kerken van Gereformeerde origine de perikopen geheel „afgesteld” en is de vrije tekstkeuze door de dienaar van het Woord gewoonte geworden. Mede daardoor heeft het volk zijn Bijbel leren kennen en heeft de prediking aan Schriftuurlijkheid en degelijkheid gewonnen.

De waarderende woorden, die Achelis aan de Gereformeerden wijdt, zijn naar waarheid gesproken. “Es ist nicht zu leugnen, dass wir de Verfall van de Predigt und die formale Ki nstelei van de Homiletik des 17. Jahrhunderts zu einem guten Teil van de Gebundenheit van de Predigt an die Perikopen zuzuschreiben haben; ebenso die Entwohnung van de lutherischen Gemeinden vom privaten Bibel­gebrauch. Die reformierte Kirche hat nie Perikopenzwang gekannt; die reformierte Predigt und Homiletik ist daher auch nie zu solcher Versandung heruntergekommen, und das private Bibellesen ist in de reformierten Gemeinden nie ausser fleissiger Uebung gewesen.“ Achelis. l.e. II.3 pag. 182.


Het overgrote deel van de Gereformeerde homileten heeft terecht ingezien, dat een goede bediening van het Woord in de vergaderde gemeente des Heeren het gebruik van een perikopen­stelsel uitsluit.

Er is wel op gewezen, dat door het preken over vastgestelde perikopen de eenheid van de kerk tot uitdrukking komt: iedere Zondag wordt in alle kerken van dezelfde denominatie hetzelfde Woord van God verkondigd. Dit voordeel is echter eer een nadeel, daar de grote variëteit van de gemeenten variëteit in tekstkeuze eist. Voorts wordt aangevoerd, dat de gemeente van te voren weet, over welken tekst gepreekt zal worden en zij zich op een doelmatige wijze voor de bediening van het Woord kan voorbereiden. Ook verliest de predikant geen tijd met het zoe­ken van een tekst; daar de stof gegeven is, kan hij allen tijd gebruiken om zich voor de prediking te prepareren.

Deze praktische argumenten hebben echter weinig waarde, wanneer we daarmede vergelijken de motieven, die tegen een perikopen­systeem kunnen worden ingebracht.
Ten eerste brengt het ambt van de dienaar van het Woord met zich mede, dat hij zelfstandig in de naam des Heeren het Woord bedient en naar eigen keuze die stoffen behandelt en die teksten kiest, welke naar zijn oordeel voor de gemeente, die hij dient, het meest geschikt zijn. Hem is de bediening van het Woord in haar ganse omvang toebetrouwd, 1 Kor. 9 : 17, 1 Tim. 1 : 12.

Hiertegen kan niet aangevoerd worden, dat de Gereformeerde kerken in Nederland de dienaar van het Woord verplichten in de namiddaggodsdienstoefeningen de Catechismus te behande­len. Dit is wel een inperking en, blijkens de historie van de kerken, een doelmatige inperking van zijn vrijheid, wat het onderwerp van de bediening van het Woord in de tweede godsdienstoefening betreft. Maar in de keuze van de teksten, die hij ter behandeling van het in de Catechismus geformuleerde dogma wil bijbren­gen, staat hij geheel vrij. De uitlegging van de somma van de leer, in de Catechismus vervat, is bediening van het Woord en moet als zodanig in het teken van verklaring en toepassing van Schriftgedeelten staan.

Omdat aan de predikant de bediening van het Woord is toever­trouwd en hij geen mandataris is van de gemeente maar van Christus, kan hem door geen kerkelijke vergadering, noch door de kerkenraad noch door de classis noch door de synode, dwingend voorgeschreven worden, over welke teksten hij zal hebben te prediken. Tekstkeuze is het onvervreemdbaar recht van de dienaar van het Woord. De kerkelijke, vergaderingen zouden met het kiezen en voorschrijven van teksten haar bevoegd­heid te buiten gaan en ingrijpen in het ambtswerk, dat de dienaar van het Woord door de Koning van de kerk is opgedragen. De ouderlingen moeten toezicht houden op de leer, maar het initiatief van tekstkeuze gaat van hen niet uit.240
Het is gewenscht, dat de dienaar van het Woord voor tekstkeuze in sommige gevallen de kerkenraad raadpleegt. Hyperius beveelt dit aan241 en de kerkorde van Dordrecht, 1574, wijst ook in die richting.242

Een wijs dienaar van het Woord zal gaarne ter harte nemen de opmerkingen over tekstkeuze, die de kerkenraad in het belang van de gemeente maakt. Zelfs kan in bepaalde gevallen een verzoek van een lid van de gemeente over een aangewezen tekst te prediken de keuze beïnvloeden. Augustinus verhaalt bij zijn verklaring van Psalm 34, 36 en 119: se iussum esse a fratribus et collegis eos Psalmos interpretari.243

Met dergelijke raadgevingen en verzoeken zal de dienaar van het Woord rekening houden, maar de beslissing blijft bij hém.

Wanneer in een en dezelfde kerk twee of meer dienaren werk­zaam zijn, is het terwille van de orde, die in Gods kerk moet heersen, nodig, dat zij in betrekking tot de tekstkeuze overleg plegen, zodat het deel van de gemeente, dat naar goede ge­woonte steeds in hetzelfde gebouw samenkomt, niet enkele Zondagen achtereen over dezelfde tekst hoort prediken. Met name moet vóór het begin van de „lijdensweken” en voor de gedenkdagen van de grote heilsfeiten vastgesteld worden, in welke orde de stoffen zullen worden behandeld. Dergelijke praktische maatregelen gaan echter alle uit van het beginsel. dat de keuze van de tekst berust bij hem, die arbeidt in de leer.


Ten tweede is het bezwaarlijk bij gebruik van een perikopen­stelsel te voldoen aan de eis, dat de prediker verkondigen zal al de raad Gods, Hand. 20 : 27. Worden ieder jaar dezelfde teksten voor de gemeente uitgelegd en toegepast, dan is het niet mogelijk haar het ganse Woord van God in al zijn breedte en diepte te doen kennen. Er blijft, tot schade van de gemeente, een groot deel van de akker des Woords braak liggen. De weg is afgesneden, dat over gedeelten, die voor het geestelijk leven van de gemeente en voor de opklaring van haar kennis van het hoogste belang zijn, in de morgengodsdienstoefening wordt gepredikt. De dienaar van het Woord, die de vollen raad Gods wil verkondigen en de rijkdom van de Schriften ontsluiten, voelt de band van het perikopenstelsel als een keten, die hem in zijn vrijheid belemmert. De bediening van het Woord wordt bij een perikopensysteem arm. Smend noemt de perikopen­dwang terecht „ein teilweises Bibelverbot”.244
Ten derde gelden tegen de traditionele perikopen, die de Hervormers voor zich hadden, de bezwaren die Calvijn in zijn strijd tegen Westphal heeft opgesomd. Deze perikopenrij is inderdaad op onoordeelkundige wijze samengesteld. Zij bevat bijna geen teksten uit het Oude Testament en is spaarzaam met plaatsen uit de Brieven. Eenzijdig worden de perikopen uit de Evangeliën en de Handelingen genomen. Luther bracht enige wijzigingen aan, en ging in hoofdzaak tot de teksten van de Karolingischen comes terug, maar tot een principiële reformatie kwam het in dezen bij hem niet. Het zette een nieuwen lap op een oud kleed.

Doch onderstel eens, dat een perikopenstelsel werd uitgedacht, dat bevrijd was van al de gebreken die het oude aankleefden, dan zou, ten vierde, zulk een systeem niet in de kerk des Heeren ingevoerd mogen worden, omdat geen enkel perikopenstelsel rekening houden kan met de speciale toestanden, die in een ganse kerkengroep kunnen voorkomen. Tijden van benau­wing van de kerk, vervolging, epidemieën, droogte, overstroming en dergelijke rampen vragen van de dienst des Woords bijzondere teksten. Ook kan met de noden van iedere plaatselijke gemeente op natuurlijk en geestelijk gebied niet gerekend wor­den. De Heere Jezus en de apostelen predikten tot iedere groep van mensen op een eigen wijze en de dienaar van het Woord heeft hen hierin na te volgen, door zijn teksten te kiezen in verband met de behoeften van de gemeente, in wier midden hij arbeidt.


Nog om een andere reden is het, ten vijfde, niet goed ieder jaar of om de twee of drie jaar dezelfde serie teksten te laten terugkeren. Behalve dat de gemeente niet voldoende thuis raakt in de Schriften en niet genoegzaam gebouwd wordt in het geloof, bestaat er gevaar, dat de prediker in verzoeking komt over dezelfde tekst telkens dezelfde preek te houden, hetgeen hem een belemmering is in de ontplooiing zijner gaven en niet tot stichting bijdraagt van hen, die niet onder de vergeetachtige hoorders geteld kunnen worden. De prediker, die over dezelfde perikoop ieder jaar een nieuwe preek houden wil, wordt er haast toe gedreven de tekst op het Procustesbed te leggen en er uit te trekken wat er niet in zit. Hij neemt zijn toevlucht tot een of andere methodeleer, gelijk de homileten van de Lutherse orthodoxie in de zeventiende eeuw, en komt tot een preekwijze, die met bediening van het Woord weinig meer gemeen heeft. De ervaring heeft geleerd, dat sommige predikers tenslotte aan de perikoop een motto ontleenden en de tekst verder lieten liggen. De prediker sluit dan met zijn tekst de overeenkomst: si tu non tangis me, ego non tangam te, naar het scherpe maar rake woord van Voetius.245
En eindelijk is het perikopensysteem een middel om de indivi­dualiteit van de prediker op onbetamelijke wijze te onderdrukken. Ongetwijfeld moeten de bijzondere begaafdheid en homile­tische vaardigheid van de prediker zo weinig mogelijk naar voren komen. Maar het ambt doodt toch de persoonlijkheid niet. Integendeel, het ambt moet aan alle charisma recht laten wedervaren.246 Een prediker die door de leiding des Geestes een helder inzicht kreeg in een gedeelte van Gods Woord of door studie de grote Godsgedachten, die in een boek van de Schrift geopenbaard worden, nauwkeurig leerde kennen, mag van die studie en van het verhelderd inzicht de gemeente des Heeren doen genieten. Menig lid van de gemeente gedenkt met dankbaar­heid de onderwijzing, vermaning en vertroosting ontvangen uit een serie preken over een boek van de Schrift, waarvan de dienaar van het Woord diepgaande studie had gemaakt. Bij de perikopenmethode komen de bijzondere gaven niet tot haar recht en wordt de individualiteit in haar ontplooiing tegengehouden ten koste van een rijke bediening van het Woord.
Om deze redenen is het volgen van een perikopenstelsel bij de tekstkeuze af te keuren. Hiermede is ook het pleit beslist ten opzichte van een perikopenstelsel bij de praelectio scripturae. Daar laatstgenoemde praelectio behoort tot de dienst des Woords en het te kiezen Schriftgedeelte in zakelijk verband moet staan met de tekst van de predikatie, is de keuze van dit Schriftgedeelte het werk van de dienaar van het Woord.

Het is het recht en tevens de plicht van de dienaar van het Woord de tekst te kiezen. Tot de rechte bediening van het Woord hoort, dat hij weet wat hij doet, en, door goede motieven geleid, een bepaald gedeelte van de Schrift ter behandeling uitkiest. Hij mag de keuze van de tekst niet laten afhangen van invallende gedachten.247

Enkele predikers achtten die tekst de besten, die hun bij het beklimmen van de kansel of zelfs op de preekstoel voor de geest kwam, zij beschouwden dien als hun van God gegeven, en meenden zich op het woord van de Heiland te kunnen beroepen, die aan zijn discipelen beloofde in de ure dat ze het nodig hadden, hun te zullen geven wat ze behoefden (Markus 13 : 11, Lukas 12 : 11, 12).

Tegen dit gevoelen is op te merken, dat het beroep op deze teksten niet opgaat, wijl de Heere hier tot zijn jongeren zegt, dat, wanneer ze overgeleverd worden en zich voor de rechter verantwoorden moeten, zij niet bezorgd moeten zijn, wat ze spreken zullen, want het zal hun gegeven worden van de Heilige Geest; op eventuele tekstkeuze is dit woord allerminst toepas­selijk. Dit op zien komen spelen is met de hogen ernst van de bediening van het Woord in lijnrechten strijd en heeft ten ge­volge dat de heilige bediening zonder de noodzakelijke voorbe­reiding wordt uitgeoefend. Het o r a r e et 1 a b o r a r e is voor de dienaar van het Woord de enige weg. Als hij biddend zijn werk verricht, zal hij ondervinden, dat ook bij de tekstkeuze de hand des vlijtigen zal gezegend worden en God een Hoorder van de gebeden is. De apostel Paulus heeft van te voren bedacht, wat hij aan de gemeente van Korinthe zal verkondigen, I Kor. 2 : 2, 3 : 2, en evenzo is de dienaar van het Woord geroepen na nauwgezet overleg de teksten te kiezen, die hij aan de gemeente voorhouden zal. Ook in dit opzicht moet uitkomen, dat we hebben een logikè latreia, Rom. 12 : 1.

Het beste middel om teksten te vinden is geregeld de Heilige Schrift te bestuderen. Hyperius zegt, dat de theoloog moet versare biblia sacra manu nocturna diurnaque eaque sibi quam familiarissima facere. Hij heeft dan embarras du choix en ziet daarbij door de studie van het verband het eigenaardige coloriet van de tekst. Van Andel spreekt in zijn Vademecum Pastorale deze wijze woorden: „Dat men naar een tekst zoeken moet, is juist geen gunstig teken. Het brengt onder verdenking, dat men van de bestudering van de Schrift weinig werk maakt. Want als men tot regel stelt om de heilige boeken door te werken, allernaast die welke bij de „vaste spijzen” te vergelijken zijn, dan zal men telkens op zijn weg een tekst ontmoeten, die ons dermate aangrijpt, dat wij ons gedrongen gevoelen om er uit te prediken. Zo behoort het trouwens te wezen; de predikstoel moet niet naar de tekst, maar de tekst naar de predikstoel drij­ven. De moeite om een tekst te vinden, heeft men dubbel ver­diend; want wie geregeld de Schrift bestudeert, is eer „met” dan „om” teksten verlegen".248

Het is de prediker aan te raden de tekst vroeg te kiezen en in de regel 's Maandags te weten, waarover hij op de aanstaanden Zondag zal prediken. Dit brengt tevens het voordeel mee, dat hij rustig de tekst kan bestuderen en aan de meditatio voldoenden tijd besteden. Om een juiste orde in de tekstkeuze te hebben is het goed enkele weken van te voren voor zichzelf een serie teksten vast te stellen, waarover gedurende enige Zondagen gepreekt zal worden, hoewel hij ook hier het „est modus in rebus” betrachten moet, en niet drie maanden of een half jaar te voren de teksten (met thema en verdeling er bij!) per circu­laire aan de gemeenteleden medelen. Daardoor snijdt hij zich zelf de weg af om gelegenheidsteksten te kiezen of een correctie in de tekstkeuze aan te brengen, die bij nader inzien beslist nodig was.


Voor een goede tekstkeuze houde de dienaar van het Woord rekening met onderscheiden factoren.

  • Ten eerste worde de tekstkeuze zó ingericht, dat de dienaar van het Woord verkondigt al de raad Gods tot onze zaligheid en geen stukken achterhoudt, die in het centrum van de heilsopen­baring liggen. Hij predike zowel over de verkiezende liefde Gods als over de gehoorzaamheid van Christus en het werk des Heiligen Geestes in onze harten. Naast de prediking over de onmisbaarheid van de Goddelijke genade mag die van de noodzakelijk­heid van de heiligmaking niet ontbreken. „Hij kieze niet alleen zulke [teksten], die ons zeggen wat God voor ons is of wat zijn Geest in ons werkt, al worden deze het meest begeerd. Ook zulke neme hij die ons tot naastenliefde en tot broederliefde roepen, waarbij men de ernstige fout vermijde, om beide te vereenzelvigen, gelijk veelvuldig gedaan wordt”. „De prediking van de halven raad Gods kan slechts een krank leven wekken”.249 Wanneer de dienaar van het Woord enigen tijd zijn gemeente heeft gediend, zal hij de overtuiging moeten hebben, dat de tekstkeuze ten doel had de vollen rijkdom van de Godsopenbaring aan de gemeente voor te stellen. Zó alleen kan hij met Paulus getuigen, dat hij vrij is van haar bloed, Hand. 20 : 26, 27.

  • Ten tweede moet men zowel teksten uit het Oude als uit het Nieuwe Testament nemen. Het is overdreven te eisen, dat Oud en Nieuw Testament om de week afwisselen of ieder jaar een evenredig getal uit het Oude en uit het Nieuwe Testament zal moeten behandeld zijn; dat legt de keuze te veel aan banden. Maar eenzijdigheid moet vermeden. En daarom niet bijna uitsluitend teksten uit het Evangelie of uit de Brieven. Zowel historie als psalmodie en profetie bieden rijke stof voor de bediening van het Woord.

  • Ten derde zal de dienaar van het Woord bij de tekstkeuze zich richten naar het object van de bediening van het Woord, n.l. de gemeente des Heeren. Hij zal rekening houden met het peil van kennis, waarop de gemeente staat en geen teksten kiezen, welker inhoud zij in het algemeen niet in zich kan opnemen. Het is niet verstandig in een als vrucht van evangelisatiearbeid gestichte gemeente, wier kennis tot de elementaire heilswaarhe­den is beperkt, zware didactische stoffen te behandelen. Voetius, een tegenstander van het perikopenstelsel, heeft er geen bezwaar tegen in een gemeente, die pas tot reformatie kwam uit het pausdom, in de eersten tijd over de perikopen te preken terwille van de zwakheid van de gemeente. Kinderkens moeten met melk gevoed. Voorts zal de tekstkeuze enigermate in verband staan met het religieus aspect, dat een gemeente vertoont. De ene gemeente houdt meer van exegetische, de andere meer van mystieke preken. De dienaar van het Woord zal wijs doen, zich in de eersten tijd ten opzichte van de tekstkeuze bij de religieuze psyche aan te sluiten, om alzoo het vertrouwen van de gemeente te winnen, en haar dan tot het juiste milieu te voeren. Het is aanbevelenswaardig zo nu en dan te preken over een tekst, die op bijzondere toestanden past, welke in een bepaalde ge­meente voorkomen b.v. volkszonden, rampen, epidemieën, treffende sterfgevallen, enz. Nooit mag echter een tekst gekozen worden, die ten doel heeft één enkel persoon om zijn zonde te castigeren. De bediening van het Woord in de vergaderde gemeente is onderscheiden van de herderlijke verzorging van de enkele.

  • Ten vierde is de persoonlijkheid van de prediker een niet uit te schakelen factor. Wie van een boek van de Heilige Schrift bijzondere studie heeft gemaakt, late de gemeente de rijpe vruchten smaken. Een tekst kan door zijn schoonheid en rijkdom de prediker zó aangrijpen, dat deze hem geen ogenblik weer loslaat; hij moet er over preken. Hij wachte zich er voor, door persoon­lijke voorliefde zijn keuze te laten beheersen en altijd stoffen te nemen die hem individueel aangenaam zijn of wier behande­ling hem de minste moeite kost. Het is niet goed, de gemeente schier uitsluitend met onderwijzende èf vermanende óf vertroos­tende stoffen te voeden. Een jong prediker kieze niet te moeilijke teksten en hebbe geduld tot hij meer geestelijke ervaring en dieper inzicht in de Heilige Schrift verkrijgt. De raad van Knibbe is niet te versmaden: sumat studiosus in initio textus faciliores.250

  • Ten vijfde moet de tekst zo nu en dan gekozen worden in verband met bepaalde gelegenheden als; oud en nieuwjaar, biddag en dankdag voor het gewas, boete en dankdagen, bevestiging van ambtsdragers, viering van het Avondmaal, enz.

Wat de orde en de samenhang van de teksten betreft, verdient het aanbeveling zich te houden aan de gang van het kerkelijk jaar.

Het is niet gewenst, al hebben Zwingli en Calvijn hierin het voorbeeld gegeven, gehele boeken van de Heilige Schrift in vervolgstoffen te behandelen. In de tijd van de Reformatie was deze gedragslijn gemotiveerd. De onkunde was bij de meesten zeer groot en het was nodig de gemeente dagelijks van de kansel in de Heilige Schrift te onderwijzen. Calvijn predikte bijna iedere dag en begon vandaag, waar hij gisteren geëindigd was.251 Op die manier leerde het volk de inhoud van de Schrift kennen.

In de tegenwoordige tijd is in doorsnee het peil van kennis bij de leden van de gemeente hoger. Ieder heeft een Bijbel in huis en sommigen onderzoeken de Heilige Schrift aan de hand van de kant­tekeningen of van een praktisch commentaar. Uit dit oogpunt is het dus overbodig een boek van de Heilige Schrift in vervolgstoffen te behandelen. Voorts is er het nadeel aan verbonden, dat te weinig rekening gehouden wordt met de geestelijke noden van de gemeente en zij geen teksten hoort verklaren, die zij voor haar geestelijken wasdom zozeer behoeft. Meestal is er bij vervolgstoffen weinig afwisseling, zodat de prediking enigs­zins monotoon wordt. Wie op achtereenvolgende Zondagen Genesis wil „doorpreken”, heeft op zijn minst drie jaren nodig. De kennis van de gemeente wordt dan wel verrijkt, maar zij krijgt eenzijdige voeding. Wie Genesis in één jaar wil behan­delen en iedere Zondag over een geheel hoofdstuk preken, valt óf in de Scylla óf in de Charybdis. Of de preken worden veel te lang, wat niet doelmatig is, daar de gemeente door ver­moeidheid haar belangstelling verliest, óf een enkele gedachte wordt, met terzijdestelling van de rest van het hoofdstuk, scherp geaccentueerd, wat licht leidt tot mottoprediking. De geschiedenis van de prediking heeft geleerd, dat successieve behan­deling van een geheel boek, in 't algemeen genomen, niet is aan te raden.252

Deze bezwaren gelden niet tegen de keuze van één of meer hoofdstukken van de Schrift253.

De successieve behandeling van enige in de Heilige Schrift op elkander volgende perikopen biedt het voordeel, dat de kennis van de gemeente van vaak onbekende en toch zeer leerrijke Schriftgedeelten wordt vermeerderd, en ongezocht een samenhang komt tussen enige op elkaar vol­gende predikatiën, en tot stichting van de gemeente dikwijls onderwerpen aan de orde worden gesteld, waarover de dienaar van het Woord, los van het verband van de vervolgstoffen, allicht niet zou preken, omdat de schijn gewekt zou worden, dat de pre­diker daarmede bijzondere personen op het oog had, b.v. bij teksten als Jac. 2 : 1-9; 1 Petrus 3 : 1-6, 7.

In de weekgods­dienstoefeningen die op sommige plaatsen ‘s winters gehouden worden, kunnen vervolgstoffen aan de orde komen, hetzij doorlopende prediking over een gedeelte van de Heilige Schrift b.v. Jesaja 40 seq., de brief aan de Filippenzen, Jacobus, t Petrus, hetzij stoffen, die zich om belangrijke figuren in de Godsopenbaring concentreren, b.v. Abraham, Izak, Jacob, Elia, Elisa, Daniël, Petrus, Paulus, enz.

De vervolgstoffen op de Zondagen moeten echter niet lang achtereen genomen worden. Een te lange serie doet de belangstelling gaandeweg tanen. Spurgeon verhaalt van een prediker, die over het boek Job begon te preken voor 800 mensen; toen hij het laatste hoofdstuk van zijn serie Job-preken had bereikt waren er nog 8 hoorders over.254

Twee maanden achtereen vervolgstoffen schijnt wel het maximum te zijn, dat een prediker geven moet. Het is aan te raden deze vervolgstoffen in te voegen in de gang van het kerkelijk jaar.
Het kerkelijk jaar is geen instelling van de Heere Christus of van de apostelen, maar is langzamerhand in de kerk ontstaan en het resultaat van een proces. Reeds vroeg heeft de kerk des Heeren er behoefte aan gevoeld, ieder jaar op bepaalde dagen de centrale heilsfeiten te herdenken.

In de tweede eeuw255 werd op Pasen de opstanding des Heeren herdacht, en het concilie van Nicea, 325, heeft de datum vastgelegd en bepaald dat op de eersten Zondag na volle maan na de intrede van de lente Pasen zou gevierd worden, aan welk besluit heel de christe­lijke kerk zich gehouden heeft tot de huidige dag toe'. In verband met Pasen werd Pinksteren zeven weken later gevierd.

In de vierde eeuw werd zowel in het Oosten als in het Westen de viering van de geboorte des Heilands op de 25ste Decem­ber gesteld. Nu heeft de Roomse kerk van al die gedenkdagen feest dagen gemaakt en in verband met de heiligenverering het aantal verbazend uitgebreid.

Het is volkomen begrijpelijk, dat de reformatoren tegen de feestdagen in verzet kwamen. Farel en Viret hebben in Genève de feestdagen afgeschaft en Calvijn sloot zich daarbij van harte aan. In Schotland werden door de invloed van John Knox de feestdagen niet gevierd en de Presbyteriaanse kerken in Engeland en Amerika stonden er meestal vrij koel tegenover. De kerken in Nederland keerden zich aanvankelijk tegen de feestdagen.

De synode van Dordrecht, 1574, besloot „dat men met de Sondach alleen tevreden syn sal. Dan salmen de ghewoon­licke materie vander gheboorte Christi Sondaechs voor de Christdach inder Kercke handelen, ende het volk vande af­doeninghe deses feestdachs vermanen, ende oock vander selue materie op de Christdach prediken, soo hij valt op een predickdach. Men sal oock op Paesch ende Pinxterdach vander Verrijsenisse Christi ende seijndinghe van de Heilige Geest leren mueghen, t'welck inde vrijheijt van de Dienaren staen sal”.
Waarschijnlijk tengevolge van maatregelen, die de overheid nam, zijn de latere synoden „in het stuk des feestdags” langzamerhand wat toegeeflijker geworden,256 zodat ten leste die van Dordrecht, 1618-19, bepaalde in art. 67: De Gemeenten sullen onderhouden beneffens de Sondagh, oock de Christdag, Paesschen ende Pincxteren, met de navolghenden dagh: ende dewijl in de meeste steden ende Provintien van Nederlandt, daerenboven noch ghehouden worden, de dach van de Besnijdinghe ende Hemelvaert Christi, sullen de Dienaars overal, daer dit noch int ghebruyck niet en is, bij de Overheden arbeyden, datse sick met de andere moghen congformeren.

De thans bij de Gereformeerde kerken in Nederland gangbare redactie van art. 67 van de kerkorde luidt: „De gemeenten zullen onderhouden, benevens de Zondag, ook de Kerstdag, Pasen, Pinksteren en Hemelvaartsdag. De onderhouding van tweede feestdagen wordt in de vrijheid van de kerken gelaten.” Deze dagen zijn voor de Gereformeerde kerken geen feestdagen in de eigenlijken zin des woords, maar gedenkdagen, waarop de gemeente des Heeren de centrale heilsfeiten tot voorwerp van haar Godvruchtige overdenking heeft. De instelling dezer dagen is goed en van geestelijke waarde , voor de kerk van Christus. Maar feestdagen zijn ze niet, dat is de dag des Heeren alleen.


Nu de kerkorde in art. 67 de bekende bepaling heeft gemaakt en in de Gereformeerde kerken thans overal de drie voornaamste gedenkdagen worden gevierd, verdient het aanbeveling de preekstoffen hiermede enigermate in verband te brengen en bij de tekstkeuze de orde van het kerkelijk jaar te volgen. De ge­meente hoort dan ieder jaar prediken over de centrale heilsfei­ten en de daarmede samenhangende stoffen, hetwelk voor de groei van haar geestelijk leven van grote betekenis is. Daarbij komt nog een motief. Bij de enorme splitsing die de christelijke kerk te zien geeft, doet het weldadig aan, dat van Kerstmis tot Pinksteren heel de Christenheid des Zondags leeft in dezelfde gedachtesfeer. Zo is dus het kerkelijk jaar een uitnemende leidraad voor tekstkeuze.

Het kerkelijk jaar is te verdelen in twee semesters; het eerste semester, waarin de gedenkdagen vallen, loopt van December tot Mei, het tweede semester van Juni tot November. Het eerste semester begint de eersten Zondag in December. Tot Kerstmis zijn adventstoffen aan de orde. Na Kerstmis tot het begin van de lijdensweken stoffen uit de evangeliën, van Pasen tot Pinksteren teksten, die het werk van de verhoogden Christus beschrijven. Na Pinksteren, omstreeks Juni, begint het tweede semester, waarin de dienaar van het Woord in de tekstkeuze geheel vrij is. De orde van het kerkelijk jaar biedt het voordeel, dat in de keuze van de stoffen van het eerste semester enigermate de katholiciteit van de kerk tot uitdrukking komt, terwijl de volstrekte vrijheid van keuze in het tweede semester aan de indivi­dualiteit van de dienaar gelegenheid geeft zich ten volle te ontplooien, en alz o de gemeente des Heeren het ganse jaar door met die spijze des Woords te voeden, welke ze voor de bloei van haar geestelijk leven behoeft.

Thans volgen enkele aanwijzingen voor tekstkeuze in het eerste en in het tweede semester, benevens voor gelegenheids­stoffen.257
HET EERSTE SEMESTER.



Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page