Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page12/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
#1226
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   29

II. MATERIEEL DEEL

14. DE STOF VOOR DE BEDIENING VAN HET WOORD.
J. Hoornbeek. De rat. concionandi. Sectio 3. Utrecht. 1672: F. I. Steinmeyer. Die Topik im Dienste van de Predigt. Berlin. 1874; C. Bindemann. Die Bedeutung des A. Testaments fi r die Christl. Predigt. Gutersloh. 1886; G. A. Smith. Modern criticism and the preaching of the Old Testament. 1901 ; E. Ch. Achelis. Praktische Theologie II3. 1911. pag. 155 seq.: C. Krieg. Homiletik. Freiburg. 1915. pag. 147 seq.: T. Hoekstra. Gereformeerde Prediking. Baarn. 1920; M. Reu. Homiletics. Chicago. 1922. pag. 247 seq.

Voor de redenaar, die te Athene of te Rome in de volksvergadering of voor de rechtbank het woord moest voeren, was het vinden van stof voor de redevoering een zaak van het hoogste belang. De quinque officia van de orator waren: inventio, dispositio, elocutio, memoria, pronuntiatio. Het eerste officium is in de Rhet. ad Heerennium I, 2 aldus omschreven: inventio est excogitatio rerum verarum aut verisimi­lium, quae causam probabilem reddant. Er was een of andere causa, en het werk van de redenaar bestond hierin, de „zaak” zó te behandelen, dat een aantal bewijsmiddelen werd bijge­bracht en de rechter tot de overtuiging kwam, dat de „zaak” door voldoende bewijzen werd gesteund. De redenaar was er dus op uit, de stof te vinden, waaruit hij bewijsmateriaal kon afleiden.

De orator in de cultuurwereld van de Antieken kon daartoe gebruik maken van de Topiek, de wetenschap van het vinden van de stof voor een redevoering. De naam topiek is ontleend aan een werk van Aristoteles, dat Ta topika heet. De analytiek is bij Aristoteles de wetenschap, welke in de weg van logische analyse tracht door te dringen tot de hoogste oordelen, die niet wederom uit nog hogere oordelen kunnen worden afgeleid. De dialectiek, die in dienst van de topiek staat, is de wetenschap, die uit het empirisch aanwezig materiaal de hoogste principia opzoekt en ordent. Deze wetenschap is volgens Aristoteles van groot belang voor de redenaar, omdat hij daardoor in staat gesteld wordt de voornaamste principia te kennen, het onderwerp, hem ter behandeling gegeven, onder bepaalde categorieën thuis te brengen en zich in zijn redenering niet in contradicties te verstrikken.

De Aristotelische topiek is voor de klassieke retoren Cicero en Quintilianus de aanleiding geweest om een wetenschap van de topiek op te bouwen, die in dienst staat van de retorica. Topiek is de wetenschap van de topoi of loci, d.i. van de plaatsen, waar de redenaar stof kan vinden. Loci zijn de ge­zichtspunten, waarnaar een onderwerp behandeld kan worden, of de plaatsen, waar de redenaar de gegevens voor zijn onderwerp kan vinden, of de argumenten, die hij nodig heeft om zijn doel te bereiken. Quintilianus omschrijft loci aldus: locos appello redes argumentorum, in quibus latent, ex quibus sunt petenda.180

In de Middeleeuwse handboeken van de dialectica werden meestal zeven loci genoemd n.l. quis, quid, cum quo, quotiens, cur, quomodo, quando. Wanneer een onderwerp naar deze zeven loci werd bewerkt, zou de redenaar in staat zijn de stof te vinden, die hij nodig had.

Sommige homileten uit de eeuw van de Reformatie, zowel van Lutherse als van Gereformeerde origine, hebben aan de topiek grote waarde toegekend. Melanchthon schreef een dialectiek en bleef in de Middeleeuwse scholastiek hangen.


Hyperius achtte het de moeite waard een zelfstandig werk Topica theologica (1561) te schrijven. In zijn De formandis concionibus sacris181 verdeelt hij de loci in algemene, die het geheel van de waarheid betreffen, en zulke, die argumenta voor een speciaal onderwerp aan de hand doen. De eerstgenoemde of loci c o m m u n e s, ontleend aan de theologie (2 Tim. 3 en Rom. 15), zijn vijf in getal: doctrina, redargutio, institutio, correctio, conso­latio.

Die van de tweede soort zijn van filosofische of theologische aard. Er wordt b.v. onderzocht quid est, en hiertoe behoren dan:

1 definitio nominis,

2 definitio rei,

3 genus,

4 species,

5 differentia specifica,

6 proprium. Enzo­voort.

Had Hyperius bij de uitwerking van zijn homiletiek zich nog sterker kunnen ontworstelen aan de scholastieke dialectica. dan zou zijn werk nog meer in overeenstemming geweest zijn met het principiële standpunt: concio est interpre­tatio popularis sacrae scripturae.

Gelukkig zijn vele Geref. homileten en predikers Hyperius in deze methode van stofver­zamelen niet gevolgd.


In de negentiende eeuw heeft Steinmeyer182 een poging ge­waagd, om in aansluiting aan Hyperius van de topiek iets bruikbaars te maken voor de homiletiek. Hoewel Steinmeyer over speciale punten goede dingen zegt (die even goed zonder enig verband met de topiek gezegd hadden kunnen worden) , is zijn poging niet geslaagd. Sachsse183 neemt de topiek in zijn homiletiek op, behandelt de indeling van de stoffen naar het ker­kelijk jaar onder de algemene, en de delen van de preek onder de bijzondere topiek. Wanneer, gelijk door Sachsse, de topiek in haar historische betekenis losgelaten wordt, is het beter ook het geraamte over boord te werpen, zoals Krauss184 doet, volgens wien de topiek niet meer als een zelfstandig onderdeel van de homiletiek te beschouwen is.

In de Gereformeerde homiletiek, die de preek opvat als bediening van het Woord, kan aan de topiek geen plaats gegeven worden,185 niet alleen niet in de vorm, die ze bij de oude retoren heeft, maar evenmin in het gewaad, dat homileten als Hyperius en Steinmeyer haar hebben aangetrokken.



En dit om de volgende redenen:

  • Ten eerste is in het principiële deel van de homiletiek gebleken, dat de stof voor de prediking alleen en uitsluitend uit de Heilige Schrift moet afgeleid worden. De preek is verklaring en toepassing van het Woord van God. Voor iedere preek is de tekst, welke gekozen werd, de bron voor de stof. De stof behoeft niet meer gezocht te worden, ze is er. Door nauwkeurige exegese van de tekst verkrijgen we de stof, die we behoeven. Daarom is de antieke topiek met de leer van de inventie er bij voor de homiletiek geheel overbodig.

  • Ten tweede, werkt ze schadelijk, omdat, bij aanwending van de kunstregelen van de topiek, het gevaar niet denkbeeldig is, dat gepreekt wordt over een onderwerp, waarbij een tekst gekozen is, in plaats van over de tekst, en aldus de prediking over „topics” of de mottoprediking in de hand gewerkt wordt.

  • Ten derde leidt de topiek onwillekeurig tot een dor schema­tisme. Dezelfde loci worden telkens weer aangewend en de frisheid van de tekst gaat verloren. Het eigene, speciale en bekoorlijke van de tekst wordt door de locileer bemanteld. De tekstgedachte wordt met schema's ingekapseld, in plaats van uitgelegd.

  • Ten vierde moet de antieke opvatting van de topiek afgewe­zen worden, als zouden de loci de zetels zijn voor de argumen­ten van de te bewijzen stelling. De dienaar van het Woord is geen retor, die alle mogelijke bewijzen tot staving van de in de tekst vervatte heilswaarheid opsporen moet. De Geref. homile­tiek belijdt de Goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift. Voor haar staat, evenals voor de gemeente, de waarheid van de tekst vast. Daarom kan er van een excogitatio rerum verisimilium en van een causam probabilem reddere geen sprake zijn.

  • Eindelijk kan beïnvloeding van de antieke topiek leiden tot dogmatistische of intellectualistische prediking, die de kansel met de katheder vereenzelvigt. Onder zulke scholastische dog­matistische prediking, die een lange, veelal droge bewijsvoering was voor een aan de Heilige Schrift ontleende stelling, hebben vorige geslachten gezucht. Zij verrationaliseert de religie, doet het gees­telijke leven verkouden en verstenen, en beantwoordt niet aan de eis, die aan een schriftuurlijke prediking gesteld moet worden.

Om deze redenen neemt de Gereformeerde homiletiek deze bij de retorica zo belangrijke topiek en inventieleer niet in zich op.
Zoals in het principiële deel is uiteengezet, wordt de stofvoor de preek geput uit de Heilige Schrift en uit haar alleen. De uitdrukking van Van Oosterzee,186 dat de stof zich moet a a n s l u i t e n aan een woord van de Heilige Schrift, is te zwak. Daar de prediking is actio sacra explicans Dei verbum et applicans ad aedificationem ecclesiae et ad gloriam Dei, kan de bron, waaruit de stof voor de preek vlieten zal, geen andere zijn dan de Heilige Schrift, die het Woord van God bevat, die het Woord van God is, Jes. 8 : 20, Lukas 16 : 19, 24 : 27, Hand. 20 : 27, 2 Tim. 3 : 16, 2 Petrus 1 : 19.

Hiermee is niet gezegd, dat de prediking niet anders zou mogen en moeten zijn, dan een aaneenrijgen van diverse Schriftuurplaatsen. Integendeel. De omschrijving van de preek als verklaring en toepassing van het Woord van God behoedt voor een dergelijke misvatting, onderstelt dat de uit de Heilige Schrift geputte preekstof door het bewustzijn van de prediker is heengegaan, en waarborgt, dat zij in verband gebracht wordt met het religieuze leven van de gemeente.

Het religieuze bewustzijn van de prediker, al of niet in identiteit met de gemeente, kan de bron voor de prediking niet zijn, en de prediker mag de stof voor de bediening van het Woord niet afleiden uit de religieuze ervaring van de gelovige gemeente.187 Zijn prediking zou anthropologisch zijn inplaats van theologisch, hij zou de christen prediken in plaats van de Christus. Wie de bijzondere openbaring in de Heilige Schrift op één lijn stelt met de religieuze ervaring van de christen, verwart inspiratie met illuminatie, ontneemt aan de Heilige Schrift het autoritatief karakter, dat ze naar haar eigen getuigenis draagt, verliest de objectieve norma om te beoordelen wat in de chris­telijke ervaring echt en niet echt is, en moet vervallen tot religieus subjectivisme en individualisme.188

Wie de stof voor de bediening van het Woord wil putten uit de religieuze ervaring, zou zelfs de centrale heilsfeiten van de geboorte des Heeren, zijn kruisiging, dood en opstanding, en de uitstorting van de Heilige Geest, als inhoud van de prediking verliezen, daar, naar de juiste opmerking van Bavinck, de christen de heilsfeiten niet ervaren kan.189

De Heilige Schrift is de enige bron voor de bediening van het Woord. Het Woord van God, in de Heilige Schrift geopenbaard, mag echter niet naast de prediker blijven staan, maar moet zijn bewustzijn geheel doordringen en door hem geestelijk ge­appercipieerd worden. Het Woord grijpe hem in eigen zieleleven zó aan, dat hij het niet meer kan loslaten. Het Woord gaat door hem niet als door een trechter heen; de dienaar van het Woord is geen brievenbesteller, die onkundig is van de inhoud van de brief, dien hij aan de geadresseerde overreikt; zelf moet hij de waarheid in zich opnemen en verwerken. Eerst wanneer de dienaar van het Woord het in de Schrift geopenbaarde Woord heeft opgegeten; Openb. 10 : 10, Ezech. 3 : 13, Jerem. 15 : 16, zal hij een goed uitdeler van de menigerlei genade Gods kunnen zijn.
Daar de Heilige Schrift de enige bron is voor de stof van de bediening van het Woord, kan geen ander geschrift, van welke waarde het ook moge zijn, hiervoor in aanmerking komen. Naar Gereformeerde confessie ontvangen wij de boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments alleen voor heilig en cano­niek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen.190 Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil Gods volkomen vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt.191 Reliqua scripta incerta, fallibilia, ad normam verbi divini examinanda.192

Omdat de Heilige Schrift alleen de bron is voor de prediking, mag geen tekst genomen worden uit de apocriefe boeken. De kerk mag ze wel lezen en daaruit onderwijzingen nemen voor zoveel als zij overeenkomen met de canonieke boeken, maar zij hebben zulk een kracht en vermogen niet, dat men door enige getuigenis van deze enig stuk des geloofs of van de chris­telijke religie zou kunnen bevestigen.193 De apocriefe boeken zijn niet Gods Woord, en alzo geen bron voor de stof van een prediking, die niets anders dan bediening des Goddelijken Woords wil zijn.


Evenmin mag de traditie of de kerkelijke liturgie als bron van de stof voor de bediening van het Woord gelden. De Roomse homileet Krieg erkent, dat de Heilige Schrift is das Grundbuch fur de Geistlichen i berhaupt und fur de Homileten im beson­deren,194 maar noemt daarnaast de liturgie als tweede bron. De prediker moet diere zweite „heilige Schrift” oder „litur­gische Bibel” nachst van de Offenbarungsurkunde als bevorzugte Quelle seines Amtes ansehen und verwerten.

Daartegenover merken we met de Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. VII, op, dat men gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, ge­lijkstellen mag met de Goddelijke Schrifturen. Alleen de Heilige Schrift is in geheel enigen zin het Woord van God, en zij alleen heeft absolute zeggenschap over de consciënties. De prediking komt tot de gemeente met Goddelijk gezag, de Heere spreekt tot haar door des dienaars mond. Van hem geldt: Wie u hoort, hoort Mij! Trouwens, de gemeente moet een Woord van God hebben, waaraan zij zich in nood en dood kan vastklemmen. En die rots van het eeuwig blijvende Woord van God heeft zij in de Heilige Schrift en in de Heilige Schrift alleen.


Bron voor de stof van de bediening des Woord is Scriptura, sola et Scriptura tota. De ganse Heilige Schrift, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, is stofbron voor de prediking. Het is nodig er nadruk op te leggen, dat het Oude Testament in dezelfde mate en op dezelfde wijze stof geeft voor de bediening van het Woord als het Nieuwe Testament. Onderscheiden theo­logen en homileten van de kritische school beschouwen het Oude Testament als een boek van lagere rang dan het Nieuwe Testament en vinden grote gedeelten ongeschikt voor de pre­diking. In de Lutherse kerk werd het voorbeeld van de stichter, die veel uit het Oude Testament preekte, niet gevolgd; de perikopensystemen schakelden het Oude Testament bij de tekstkeuze grotendeels uit.195

Schleiermacher voelde niet veel voor het Oude Testament, heeft er zelden uit gepreekt, en was van oordeel, dat men zich beperken moest tot de Messiaanse teksten, die door Jezus en de apostelen werden aangehaald.196

De critische theologen van de linkerzijde hechten weinig waarde aan het Oude Testament,197 en zelfs mannen van de rechter fractie laten zich op ongunstige wijze over de Oud Testamen­tische Schrift uit. Achelis wil over de psalmen en de historische stoffen laten preken, maar is tegelijk van oordeel, dat er in het Oude Testament ethische geboden zijn die de christelijke ethiek weerspreken. „Es hat eine Menge unchristlicher und widerchristlicher Anschauungen”.198

De Gereformeerden hebben over het algemeen aan het Oude Testament grote waarde voor de prediking toegekend. Zwingli en Calvijn hebben gehele boeken des Ouden Testaments doorgepreekt en de Gereformeerde homileten van de zeventiende eeuw behandelden het Oude Testament voor de bediening van het Woord als gelijkwaardig naast het Nieuwe. En terecht. De Heilige Schrift is een organisme, dat uit twee geledingen bestaat, welke niet van elkaar losgemaakt mogen worden. Het Nieuwe Testa­ment is zonder het Oude niet denkbaar, het Oude is de grondslag en de voorbereiding van het Nieuwe. In beide Testamenten is het dezelfde genaderijke God, die zich openbaart; de JHVH van het Oude Testament is dezelfde als de Vader, Die we door Jezus Christus in het Nieuwe Testament leren kennen. De dwaling van Marcion, dat de God van de Joden een andere God is dan Hij, die zich in het Nieuwe Testament openbaart, is in latere eeuwen wel telkens herhaald, maar met de inhoud zowel van de Oud-Testamentische als van de Nieuw-Testamentische Schrift in strijd.199 Daar de ganse Heilige Schrift het Woord van God is, moet het Oude Testament evenzeer als het Nieuwe bron voor de stof voor de bediening van het Woord zijn.


Bij de behandeling van de Oud Testamentische stoffen dient de prediker, meer nog dan bij de Nieuw Testamentische in het oog te houden, dat hij de tekst verklaren moet in overeenstemming met het verband, waarin deze voorkomt, en in aansluiting aan het niveau, dat de openbaring Gods in een bepaalden tijd had bereikt. Zowel in de historie als in de pro­fetie is een ontwikkeling van de Godsopenbaring. God laat zijn openbaring groeien. Er is een h i s t o r i a revelationis. Na de uitlegging van de woorden in het verband, waarin ze voorkomen, is te onderzoeken, welke betekenis de tekst heeft voor heel de geschiedenis van de openbaring en voor de tegenwoor­dige tijd. De woorden en daden Gods onder het Oude Tes­tament bevatten dikwijls meer dan de Godsmannen, die de auctores secundarii van de Heilige Schrift zijn, er zelf in hebben gezien. De prediker moet daarom eerst in de tweede plaats, maar dan ook in volle mate, het Nieuw Testamentisch licht op een Oud Testamentische tekst laten vallen. Dan ziet hij de diepe be­tekenis voor de kerk aller eeuwen. „Prediken uit het Oude Testament” wil volstrekt niet zeggen: „Oud Testamentisch prediken”. De Oude Bedeling is voorbij en niemand mag zichzelf of anderen terugplaatsen op een standpunt, dat naar Gods bestel voor altijd tot het verleden behoort. Een preek over een Oud Testamentische tekst is geoordeeld, wanneer ze ook maar iets specifiek Oud Testamentisch aan zich heeft, d.w.z. iets, dat speciaal tot de Oude Bedeling behoort; m.a.w. wanneer ze niet ten volle staat op de hoogte van de Nieuw Testamentische heilsopenbaring.200
Het inzicht in de eenheid van Oud en Nieuw Testament wordt niet verkregen door allegorische verklaring van de Oud Testamentische geschiedenis. Historie is nu eenmaal iets anders dan allegorie. Wanneer de heilsgeschie­denis van het Oude Testaments een typisch symbolisch karakter draagt of een enkele maal de historie tegelijk als allegorie dienst doet, mag de prediker bij de verklaring niet verder gaan dan de Schrift zelf aangeeft, om alle willekeur te vermijden en geen inlegger in plaats van een uitlegger te zijn. De eenheid van Oud- en Nieuw Testament ligt in de Auteur, in God, die zich zowel onder de Oude als onder de Nieuwe Bedeling openbaart, en in de inhoud, die zich om de Heiland van de wereld concentreert.

Er is onderscheid. De heilsbedeling is onder het Oude Testament voorbereidend, neemt in verband met de cultus dikwijls een uitwendig karakter aan, is in hoofdzaak beperkt binnen de nationale grenzen van Israël, terwijl onder het Nieuwe Testament het beloofde heil in vervulling gaat, in zijn kern en wezen te voorschijn komt en tot alle volken wordt uitge­breid.201

Maar in wezen is het één genadeverbond, zijn het dezelfde weldaden, en is Christus ook onder het Oude Testa­ment de éne Middelaar Gods en van de mensen.

„Ook al kan de prediker weinig antwoorden op de vraag, hoeveel de oude vromen van de Christus geweten hebben. en in hoeverre ze de blik des geloofs bewust op Hem hebben gericht, toch mag hij hieraan geen twijfel laten, dat ook zij slechts door die éne Middelaar zalig zijn geworden. Hij late steeds meer uitkomen, dat de Oud-Testamentische historie één geheel is, wortelend in de moederbelofte van het paradijs en uitlopend op het Kindeke in de kribbe, en dat van het beeld van de toekomst, waarvan de zieners en zangers gewagen, en waarop de typen duiden, ten slotte alle gestalten zich groeperen rondom de groten Koning uit Davids huis, tegelijk de Man van smarten. die onze krankheden op zich genomen heeft en onze smarten heeft gedragen”.202

„Zijn [d. i. Christus'] beeld te tekenen en Hem aan de komende geslachten te doen kennen, ziedaar de heerlijkheid des Ouden Testaments”.203

15. HET WEZEN VAN DE TEKST
A. Vinet. Homiletiek2. ed. E. Moll. Tiel. 1875. pag. 84 seq.; F. L. Steinmeyer. Homiletik. Leipzig. 1901. pag. 53 seq.; E. Chr. Achelis. Lehrb. d. prakt. theol. II3. Leipzig. 1911. pag. 178; T. H. Pattison. The making of the sermon. Philadelphia. 1902. pag. 19 seq.; D. J. Burrell. The Sermon. Its construction and delivery. NewYork 1913. pag. 25 seq.; A. Phelps. The theory of preaching. NewYork. 1918. pag. 44 seq.; M. Reu. Homiletics. 1922. pag. 289 seq.; P. Wurster. Text und Predigt. Stuttgart. 1921.

Het gedeelte van de Heilige Schrift, dat in de preek wordt ver­klaard en toegepast, heet de t e k s t. Tekst, textus (van texere, weven) is een samenhangend geheel, een gedachtecomplex dat een eenheid vormt, waarvan het een deel met het andere is samen geweven. Voorts duidt textus aan de samenhangenden inhoud zonder enige nadere omschrijving, het oorspronkelijke in schrift gestelde woord. Zo wordt b.v. de tekst van een verdrag onderscheiden van de uitlegging, die aan de tekst van het verdrag wordt gegeven. Reeds bij de Latijnse patres wordt de Heilige Schrift textus of contextus sater genoemd, ter onderscheiding van de homilie, tractatus, commentarius, enz. die zich bij dien tekst aansluiten. Tekst is het, door de samenhang een eenheid vormend, gedeelte van de Heilige Schrift, hetwelk het onderwerp vormt van de preek.

Enkele homileten als Vinet204 en Claus Harms205 maken bezwaar tegen het verplicht gebruik van een tekst. Zij zijn van oordeel, dat de prediker zonder tekstdwang uit de frissche, diepe bron van de Heilige Schrift de wateren des levens moet kunnen opscheppen. Hij moet zich vrij kunnen ontplooien en niet genood­zaakt zijn zich te houden binnen het kader van een tekst. Vinet meent, dat het gebruik van een tekst niet wezenlijk tot de kan­selrede behoort. Wat een preek christelijk maakt, dat is niet het gebruik van een tekst, maar des predikers geest. Een preek kan christelijk, stichtelijk, leerzaam wezen, zonder binnen de gren­zen ener Schriftuurplaats besloten te zijn. Er is dikwijls een soort van strijd tussen de tekst en het onderwerp. Om zulk een strijd te voorkomen, zijn twee dingen nodig:

Vooreerst, dat elke tekst een onderwerp in zich bevat; en ten andere, dat men zeker is voor elk onderwerp een tekst te vinden. Het een noch het ander gaat altijd door. Er zullen zich aan de prediker onderwerpen voordoen, waarvoor geen bijbelplaats behoeft te worden gezocht. De ervaring van het geestelijke leven doet „den tekst” aan de hand. Het gebruik van geïsoleerde teksten, gevoegd bij de noodzakelijkheid om nooit zonder tekst te prediken, heeft in zijn gestrengheid en in zijn absolutisme iets vals, iets slaafs, iets dat de ruimte bekrimpt, de gedachte beperkt, en de persoonlijkheid van de prediker aan banden legt.



Tegen deze opvatting van Vinet is het volgende aan te voe­ren.

  • Ten eerste treedt hier in de consequenties aan het licht, hoe onzuiver het standpunt van Vinet, principieel genomen, is. Hij beschouwt de homiletiek als een species van het genus retorica, behandelt de tekst onder de inventio en maakt zo de tekst aan het onderwerp ondergeschikt. Zonder onderwerp is geen rede bestaanbaar, maar de tekst kan men ontberen. Wanneer een preek niets meer is dan een religieuze rede of kanselrede, kan de redenaar even goed zijn stof ontlenen aan het „boek” van de natuur als aan het „boek” van de inwendige ervaring en is het boek van de Heilige Schrift niet noodzakelijk. Maar hij mist dan het recht zulk een rede een verkondigen van het Woord van God in de gemeente van Christus te noemen.

  • Ten tweede moet toegestemd, dat een „kanselrede” christelijk en stich­telijk kan wezen, zonder binnen de grenzen van een Schrif­tuurplaats besloten te zijn. Alleen maar: christelijkheid en stichtelijkheid zijn niet de criteria, om te beoordelen wat een preek is. De preek is bediening van het Woord van God en dit Woord van God is besloten in de Heilige Schrift. Wie het Woord van God bedienen wil, kan niet anders dan een tekst van de Heilige Schrift, die het Woord van God is, verklaren en toepassen. De prediker mag niet uit zijn christelijke geest prediken of naar eigen inzicht Schriftgedachten combineren, daar dan zijn individualiteit vrij spel heeft, het subjectivisme de toon aangeeft en de gemeente des Heeren niet met het zuivere brood van het Woord van God wordt gevoed.

  • Ten derde is slechts op het principieel valse standpunt van Vinet een strijd tussen onderwerp en tekst mogelijk. Wanneer de preek niet wordt opgevat als godsdienstige redevoering maar als bediening van het Woord van God, is de hoofdgedachte van de tekst het onderwerp van de preek, en kan er van een tegenstelling tussen onderwerp en tekst geen sprake zijn. Vinet beweert., dat niet elke tekst een onderwerp in zich bevat. Deze opmerking zou alleen juist zijn, indien van de verkeerde onderstelling werd uitgegaan, dat een tekst identisch zou wezen met een vers van de Heilige Schrift. De bewering dat elk vers van de Heilige Schrift naar de gangbare versindeling een onderwerp biedt voor een preek, zal wel niemand voor zijn rekening willen nemen. Zodra men echter de verkeerde identificering van tekst en vers van een hoofdstuk loslaat en aanneemt, dat de tekst onafhan­kelijk is van het aantal verzen, en zowel uit een half vers als uit twintig verzen kan bestaan, is alle bezwaar vervallen. Elke tekst, die goed gekozen is, bevat een onderwerp. Het omge­keerde is ook waar: voor elk onderwerp, dat in de vergadering van de gemeente des Heeren ter sprake kan komen, is in de Heilige Schrift een tekst te vinden. Gods Woord is zeer wijd. Het is op ieder terrein een lamp voor de voet en een licht voor het pad. Het Woord van God maakt ons wijs tot zaligheid en bevat alles wat we nodig hebben te weten, om in het genot van de enigen troost te leven en te sterven. Wie de Schriften weet, dwaalt niet, Matth. 22 : 29. Buiten haar hebben we voor de kennis van God en Jezus Christus niets nodig. Terecht heeft de Reformatie de sufficientia van de Heilige Schrift beleden. De pre­diker, wiens geest gedrenkt is met de wateren van de Heilige Schrift, heeft eer „onderwerpen” te veel dan te weinig, en komt tot de ervaring, dat er geen terrein van het leven is, waarvoor Gods Woord niet de beginselen aangeeft. Alleen onbekendheid of onvoldoende bekendheid met de Schriften kan doen zeggen, dat er onderwerpen zijn, waarvoor geen Schriftuurplaats te vinden is.

  • Ten vierde brengt de subjectivistische opvatting van Vinet het grote gevaar met zich mede, dat de prediker de christen in plaats van de Christus predikt, eigen, altoos eenzijdige, levenservaring als objectieven maatstaf aan de ge­meente voorhoudt en een heerser over de zielen wordt in stede van een minister verbi divini.

Voor een rechte bediening van het Woord in de vergadering van de gemeente des Heeren is een tekst onmisbaar, en wel om de volgende redenen:

a. Uit principieel oogpunt. De mening van Bur­rell dat the use of the text is purely conventional, is niet juist.206 Een preek is geen toespraak over een godsdienstig onderwerp, geen voordracht over Bijbelse waarheden, maar een toepasselijke verklaring van het Woord van God, welk Woord alleen geboden wordt in de Heilige Schrift. Daarom moet een ge­deelte van die Heilige Schrift tot tekst genomen en in verband met het geheel van de Schrift voor de gemeente des Heeren ontwikkeld worden. Het subject komt geheel op de achtergrond en de Heilige Schrift zelf moet in haar majesteit tot de gemeente spreken. De dienaar van het Woord is maar een hulpmiddel om de Schrift te doen verstaan.

b. Om historische redenen. In de synagoge werd iedere sabbat een gedeelte van de Oud Testamentische Schrift voorgelezen en de lezing des Woords werd gewoonlijk door een toespraak gevolgd. De Heere Jezus heeft zich bij dit ge­bruik aangesloten, toen hij in de synagoge te Nazareth optrad, Lukas 4 : 17, seq. De Nieuw Testamentische Brieven werden in de pas gestichte gemeenten gelezen en aan de lezing werd de vermaning verbonden, Coll. 4 : 16, 1 Tim. 4 : 13, Openb. 1 : 3. In de oude christelijke kerk werd, naar de mededeling van Justinus Martyr (Apol. 1 cap. 67), de gewoonte overgenomen om de Heilige Schrift in de vergadering van de gelovigen te lezen en over de gelezen tekst te prediken. Dit gebruik heeft zich in de Middeleeuwen gehandhaafd, hoewel het in de periode van verbastering voorkwam, dat over een plaats bij de patres of zelfs over een woord van Aristoteles werd „gepreekt”. Luther en Calvijn hebben zich bij de eeuwenoude traditie aangesloten. Het prediken over een tekst is, behalve bij enkele radicalen van de kritische school, in zwang gebleven tot de tegenwoordige tijd toe, ook in die kerken, welke de belijdenis van de Reformatie hebben losgelaten. Zelfs Niebergall, hoewel naar zijn oordeel predigen nicht mehr ist Schrift auslegen und anwenden. sondern helfen und bereichern mit Hilfe van de Schrift,207 wil op historische en psychologische gronden de tekst niet laten vallen.

c. Om p r a c t i s c h e motieven.208 Door de geregelde uitlegging van teksten wordt de kennis van de inhoud van de Heilige Schrift bij de gemeente des Heeren vermeerderd; vooral wanneer minder bekende Schriftgedeelten stof voor de prediking zijn, zal de kennis van het Woord van God toenemen en verhelderen. De prediker zal langer fris blijven, want de Heilige Schrift is een onuitputtelijke stofbron voor de prediking; bij tekstloze preken is er bestendig gevaar, dat hij dezelfde gedachtereek­sen herhaalt en uitgepreekt raakt. Door de verklaring van een tekst zal de dienaar de Woords niet zo spoedig op de klip stranden zichzelf te prediken of persoonlijke meningen als Woord van God aan het volk te verkondigen.

Indien nu gebondenheid aan een tekst uit de Heilige Schrift voorwaarde is voor rechte bediening van het Woord, is het dan wel geoorloofd over de Heidelbergse Catechismus te preken? Of zijn de preken over de Catechismus eigenlijk geen p r e k e n? Is de prediking over de Catechismus wel bediening van het Woord?

Hierop zij geantwoord, dat, hoewel voor onze Gereformeerde vade­ren in de zestiende en zeventiende eeuw het onderscheid tussen de Catechismusverklaring in de middag-godsdienstoefening en de catechisatie nog niet duidelijk was en de functies van de homileet en de catecheet in het ambt van de dienaar van het Woord theoretisch noch praktisch tot de juiste begrenzing waren gekomen, de verklaring van de Catechismus in de namiddaggodsdienstoefening zonder twijfel als een predikatie werd opgevat.209

Hier hielden de vaderen het rechte spoor; immers een godsdienstoefening, een vergadering van de gelovigen in de naam des Heeren kan zonder bediening van het Woord niet bestaan, daar de preek het voornaamste cultische element is.

Het verdient echter geen aanbeveling, gelijk Martinus en Knibbe doen, de conciones te verdelen in textuales et cate­cheticae. Immers, is de concio catechetica niet gegrond op en afgeleid uit plaatsen van de Heilige Schrift, dan is ze geen concio; ont­leent ze haar stof wel aan Schriftuurplaatsen, dan is ze evenzeer een concio textualis en vervalt de indeling. Ook de cate­chismuspreek, zal ze inderdaad preek zijn, is verklaring en toepassing van het Woord van God, ons in de Heilige Schrift gegeven.
Er is onderscheid. In de regel is de preek in de morgengodsdienstoefening een verklaring en toepassing van een tekst, die gevormd wordt door een groter of kleiner samenhangend gedeelte van een hoofdstuk van de Heilige Schrift, terwijl de heilsleer, in de Catechismus vervat, een korte samenvatting is ván de hoofdinhoud van onderscheiden plaatsen van de Schrift, wier inhoud tot een geheel is samengevoegd. De formulering van het uit de Schrift getrokken dogma is geschied door de kerk zelve, die in de Catechismus, als haar belijdenisschrift, publiek uitspreekt, wat de waarheid is naar het Woord van God. Het is niet iedere dienaar van het Woord geoorloofd uit onderscheiden plaatsen van de Schrift een bepaald punt van de leer af te leiden, het zelfstandig te formuleren, en dit door hem persoonlijk gefor­muleerde dogma voor de leer van de kerk naar Gods Woord te doen doorgaan. Maar de kerk, aan wie de leiding van de Heilige Geest be­loofd is, heeft dit recht wel. Haar in het symbool geformuleerde dogma heeft kerkelijk gezag en de leden van de gemeente verklaren bij het afleggen van de belijdenis, dat ze de confessie van de kerk in overeenstemming achten met de Heilige Schrift.

Toch wordt in de bediening van het Woord, die de Catechis­mus verklaart, niet de Catechismus, maar het Woord van God gepredikt. Volkomen juist is de formulering van art. 68 van de kerkorde, dat de dienaars in de namiddagse predikatiën de somma van de christelijke leer, in de Catechismus vervat, kortelijk zullen uitleggen. Terecht antwoordt Hoorn. beek op de vraag of ook uit de Catechismus gepreekt zal worden: non ex catechismo, ut scripto canonico; verum ille laudabiliter etiam explicatur, probatur, pro concione tractatur; s e d ex s c r i p t u r a.210


Ter wille van dit beginsel hebben oudere Geref. homileten b.v. Amesius,211 Martinus,212 Knibbe,213 Saldenus,214 er prijs op gesteld, dat aan het voorlezen van een Zondagsafdeling van de Catechismus, het voorlezen van een tekst zou voorafgaan.

Amesius wil daarenboven uitgelezen Schriftuurplaatsen, die als grond voor de onderwijzing uit de Catechismus dienst doen, laten verklaren, om dan te komen tot de Catechismus, die als lering uit de Heilige Schrift getrokken is. Het ging hier om „de ere van de Schrift”, om „de kracht van de gepredikte waarheid”, maar ook om „gevaar voor aanstoot”.

De Libertijnen en Re­monstranten bestreden het preken uit de Catechismus en voerden als argument aan, dat op deze wijze aan de Catechis­mus, een menselijk geschrift, dezelfde eerbied werd betoond en dezelfde autoriteit verleend als aan het Woord van God in de Heilige Schriftuur. Daarom hebben sommige homileten de dienaren van het Woord aanbevolen één of meer Schriftuurplaatsen vóór de Catechismus te lezen als grondslag voor de bediening van het Woord. Behalve in Zeeland hebben de meeste kerken in de zeventiende eeuw het lezen van een tekst van de Schrift vóór de praelectie van de Zondagsafdeling van de Catechismus ingevoerd. In de vroegere Chr. Geref. kerk bestond deze ge­woonte eveneens, en hoewel dit gebruik in de Geref. kerken in Nederland thans vrijwel uitgesleten is, kan men toch in enkele kerken des namiddags na het voorlezen van een Schriftuurplaats nog horen: op deze en meer andere plaatsen van Gods Woord is de waarheid gegrond, die we beschreven vinden in de Hei­delbergse Catechismus, zondag zoveel.
De gewoonte, vóór de praelectie van de Catechismus een Schriftuurplaats te lezen, zou uit liturgisch gezichts­punt wel verdedigd kunnen worden. Door de voorlezing van

een woord van de Heilige Schrift vóór de predikatie komt uit, dat thans begint de bediening van het Woord. Uit h o m i l e t i s c h oogpunt is het lezen van een tekst vóór de Catechismusafdeling overbodig. De bezwaren van de tegenstanders van de Gereformeerde religie kan men door het invoeren van dergelijke maatregelen niet voorkomen. Het is voldoende te verwijzen naar de publieke con­fessie van de kerk, welke in art. VII verklaart, dat men gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen mag met de Goddelijke Schrifturen.

Laat de kerk deze belijdenis, ook ten opzichte van haar eigen confessionele geschriften, getrouwelijk handhaven! Daarbij komt, dat, wanneer ook maar de voor­naamste bewijsplaatsen zullen genoemd worden, voor de meeste Zondagsafdelingen van de Catechismus een tamelijk groot getal teksten moet voorgelezen. Een plaats of onderscheiden plaatsen na lezing ongebruikt te laten, gelijk vroeger veelal ge­schiedde, is homiletisch niet te verdedigen, en komt de ere van de Heilige Schrift te na, die in geen geval als ornament dienst mag doen. Daarom is de voorlezing van een tekst vóór de praelectie van de Catechismus niet noodzakelijk en is het zelfs beter haar weg te laten. Mits dan bij de verklaring van de Zondags­afdeling duidelijk uitkome, dat niet de Catechismus, maar de 1 e e r, in de Catechismus vervat, wordt verklaard, en het Woord van God, in de Heilige Schrift geopenbaard, bediend wordt aan de gemeente des Heeren. Daartoe moet de zin van de woorden van het Heidelberger Leerboek verklaard en de betekenis aangewezen, maar dient in de preek verder te worden aangetoond, dat het in de Catechismus voorgedragen dogma rust op bepaalde plaatsen van de Heilige Schrift, welke dan kortelijk verklaard en toegepast worden. Zo is de Catechismuspreek in haar wezen een concio textualis.

Hoornbeek met zijn fijn discretievermogen heeft helder ingezien, dat wij niet preken ex Catechismo maar ex Scriptura. Beknopte exegese van bewijsplaatsen van de Schrift is eis van goede prediking over de Catechismus. Wanneer voor de praelectio Scripturae een gedeelte van de Heilige Schrift geko­zen wordt, dat de voornaamste loca probantia voor de Zon­dagsafdeling bevat, en deze praelectio Scripturae de rechte plaats verkrijgt in de cultus, die zij naar goede liturgische beschouwing moet hebben, zodat ze een onderdeel vormt van de dienst des Woords in de eredienst, en dus onmiddellijk voorafgaat aan de voorlezing van de Catechismus, is tegelijk aan bovengenoemde liturgische eis beantwoord. De voorlezing van afzonderlijke Schriftuurplaatsen vóór de lezing van de Catechismus is dan zowel uit homiletisch als uit litur­gisch oogpunt overbodig.


Niet ieder willekeurig gekozen gedeelte van de Heilige Schrift kan tekst voor de prediking zijn. De prediker mag slechts een zodanig gedeelte van de Heilige Schrift tot tekst nemen, dat zijn verkla­ring en toepassing inderdaad is een bedienen van het Woord G o d s. De ganse Heilige Schrift is formaliter het Woord van God, maar niet iedere volzin in de Heilige Schrift is materialiter Woord van God. Er staan in de historische en poëtische gedeelten van de Schrift woorden van mensen, die niet normatief zijn of kunnen zijn; zelfs worden woorden van duivelen aangehaald. Daarom is er terecht onderscheid gemaakt tussen auctoritas normae en auctoritas historiae.215 Woorden van de Heere Jezus of de woorden, die door de profeten en apostelen onder leiding van de Heilige Geest gesproken zijn, hebben Goddelijke auto­riteit en kunnen het onderwerp van de preek vormen. Die nor­matieve autoriteit mist de historie, welke in de Heilige Schrift wordt verhaald. De geschiedenis leert ons wel wat gebeurd is, maar niet wat naar de eis van Gods gebod gebeuren m o e t. Het Sein is met het Sollen niet identisch. De geschiedkundige gedeelten van de Heilige Schrift hebben historisch gezag; wat verhaald wordt, is inderdaad zo gebeurd, zoals de Schrift het ons mededeelt. Nu kan en moet de historie, welke de Heilige Schrift geeft, onderwerp van de preek zijn, evenwel alleen onder deze conditie, dat de woorden en daden van de mensen getoetst wor­den aan die gedeelten van de Heilige Schrift, welke normatief gezag hebben, en bij het licht van die gedeelten van de Heilige Schrift onderzocht wordt, welke betekenis een bepaalde geschiedenis in het geheel van de Godsopenbaring heeft. Indien de woorden en daden van de handelende personen gekeurd worden aan de doorgaanden regel des geloofs of analogia fidei, is de historie van de gemeente tot lering, vermaning en vertroosting.

Niet alle woorden, door de vrienden van Job of door Job zelf gesproken, hebben nor­matief gezag voor leer en leven. Niet elk vers van het boek Job is materieel een Woord van God. Een uitspraak van Jobs vrienden, die niet overeenkomt met de doorgaande leer van de Schrift, kan, op zichzelf genomen, niet tekst voor de preek zijn. Een his­torisch gedeelte van de Heilige Schrift, dat b.v. een zonde van een man Gods (Elia, Petrus) verhaalt, is geschikt voor tekst, wanneer men zulk een gedeelte maar bestraalt met het licht, dat norma­tieve gedeelten van de Heilige Schrift op deze geschiedenis doen vallen en aanwijst wat God ons in die geschiedenis te zeggen heeft. Want al wat geschreven is, is tot onze lering te voren geschreven. Een onderdeel van Israëls ceremoniële dienst kan stof zijn voor de bediening van het Woord, mits zulk een Oud Testamentisch instituut beschouwd wordt in verband met het organisme van heel de Schrift en de vervulling onder het Nieuwe Testament aangewezen, b.v. Numeri 19 in verband met Hebr. 9 : 13 en 14.


Afkeurenswaardig is een woord van de Heilige Schrift tot tekst te nemen, hetwelk op zichzelf, los van het verband, een onwaar­heid is. Kiest een prediker tot tekst: „gij zult als God wezen” (Gen. 3 : 5 m) of „Daar is geen God” (Ps. 14 : 2 m), dan blijkt uit de tekst zelf niet, dat we hier met een woord van Sa­tan en dat van een dwaas te doen hebben. De prediker zal allicht door de kortheid en de vreemdsoortigheid van zijn tekst de opmerkzaamheid trekken, hij zal de woorden bij de ontvou­wing in de preek wel overeenkomstig het tekstverband verklaren, maar het tekstwoord op zichzelf is niet een Woord van God en met de norma in strijd. Kiest hij Gen. 3 : 4 en 5 of Ps. 14 : 2, dan is het bezwaar vervallen, daar in deze verzen de leugenwoorden als woorden van Satan en die van een dwaas worden gekwalificeerd, en deze kwalificering is een Woord van God.
Het is een miskennen van de prediking als bediening van het Woord, wanneer een tekst gebruikt en aangewend wordt in een betekenis, die niet strookt met het verband, ja, zelfs tegengesteld is aan de betekenis, welke de woorden in de Heilige Schrift hebben. Reeds Hoornbeek waarschuwde: ne dicis causa textus legatur solum.

Het is ontoelaatbaar bij de ingebruikneming van een nieuw kerkorgel in de eredienst te preken over Job 21: 12b: zij verblijden zich op het geluid des orgels,216 omdat dit door Job gezegd wordt van de goddelozen, die tot God zeggen: wijk van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust.

En niet minder ongeoorloofd is een voorberei­dingspreek te houden over Matth. 26 : 22 slot: Ben ik het, Heere?217 Dit woord werd de zwakken zielen voorgehouden, die niet wisten of ze wel tot het Avondmaal mochten komen; zij moesten deze vraag in hun gebed de Heere dag aan dag voorhouden, en om antwoord smeken of ze met vrijmoedig­heid tot de dis des Heeren mochten gaan. Naar het verband van Matth. 26 is de betekenis: ben ik het, Heere, die u verraden zal? Zulk mottopreken is in strijd met het ambt van de dienaar van het Woord, en met de waarheid, die één van de hoofdkenmerken van de bediening van het Woord is. Goedpraten mag men zulk bedrijf nimmer. Nor dare the text become merely a motto or title of the serrnon or serve as point of departure from which the preacher advances to the elaboration of his own ideas, the springboard for a plunge into the depths or shallows of his own thought.

De homileet mag niet tot eis stellen, dat de tekst belangrijk zal zijn of veel stof bevatten.218


Niet alle gedeelten van de Heilige Schrift zijn even belangrijk. De ge­schiedenis van het kruislijden des Heeren is belangrijker dan de opsomming van de pleisterplaatsen van de Israëlieten in de woestijn, Num. 33. Toch kan over dit laatste hoofdstuk worden gepreekt bij het licht van Psalm 56 : 9 e.a., daar het diepe gedachten over de kruisweg van Gods volk bevat, al verwerpen we met aversie de allegorische speculaties en fantasieën die G. D. Krummacher zijn gemeente voorzette. Elk hoofdstuk van de Heilige Schrift is belangrijk, wanneer het gezien wordt in verband met het organisme van de Schrift, en is „copiosus”, zo de homileet er maar de rechte visie op heeft. Dat een schijnbaar niet belangrijke tekst inderdaad een belangrijke inhoud kan hebben, toont b.v. de preek van Dr J. G. Geelker­ken219 over 1 Kon. 22:4.9 en 50, de geschiedenis van Josafats gebroken schepen, bezien onder het aspect van het apostolisch woord: trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen.
Wat de omvang van het Schriftgedeelte betreft, dat tot tekst gekozen wordt, Hoornbeek220 heeft aangeraden, het juiste midden te houden en de twee uitersten te vermijden: ne sumatur nimis brevis ne ostentare velle ingenium videatur, nisi is vel copia sua vel difficultate sua concionatorem ab illa suspicione statim liberet; neque etiam nimis longus sit, ne vel tempus lucrari velle, et singula, quae non minus emphatica, atque observari quoque mererentur, tractare vel noluisse vel non potuisse videatur.

De tekst mag niet te kort zijn, daar de prediker licht in de verzoeking komt zijn gedachten in de tekst in te leggen in plaats van het Woord uit te leggen. De zeer korte tekst is nog een rudiment uit de tijd, toen de mottoprediking haar slachtoffers maakte. Blijkt de dienaar van het Woord bij het bewerken van de tekst, dat hij geen stof genoeg heeft, zo voege hij één of meer verzen aan de tekst toe. Hij neme nooit zijn toevlucht tot kunstmiddelen als de allegorie, om daardoor gedachten aan de tekst te ontwringen, die de tekst niet geven kan, omdat hij ze niet heeft. Het is evenmin geoorloofd de tekst te doen bestaan uit één begrip, één woord. Een tekst moet altijd zijn een gedachte, een uitspraak, een mededeling, d.i. een verbinding van begrippen. Preken over het woord „Welgelukzalig” is zonder homiletische knoeierij niet mogelijk.


Een lange tekst is in het algemeen niet aan te raden, wijl het bij een grote perikoop vaak uiterst moeilijk is de hoofdge­dachte te vinden en aan te geven, op welke wijze de andere ideeën met de hoofdgedachte in betrekking staan. Zowel de prediker als de hoorders zijn in gevaar door de bomen het bos niet te zien. De hoorders kunnen, omdat de geschiktheid tot opnemen in het menselijk bewustzijn beperkt is, een groot aantal gedachten in kort bestek niet goed appercipieren. Daarbij komt nog, dat slechts een deel van de tekst kan worden verklaard en belangrijke onderdelen onbesproken blijven. Het is niet aanbevelenswaardig te preken over Jes. 1 of Rom. 8.
De vraag of men twee of drie plaatsen uit hetzelfde caput, uit hetzelfde boek, of uit verschillende boeken mag verbinden tot een tekst, moet in het algemeen ontkennend beantwoord worden.

  • Vooreerst brengt de prediker zich zelf in verzoeking door mooie combinaties te willen schitteren. Daardoor komt de individualiteit van de prediker op de voorgrond, terwijl het toch zijn streven moet zijn, als vriend des bruidegoms op de achtergrond te blijven en de Christus Gods in het volle licht te plaatsen, Joh. 3 : 29.

  • Ten tweede loopt hij gevaar te combineren wat niet te combineren is en een valse synthese te treffen. De homileet blijve altijd dienaar van het Woord en verbinde niet wat God in zijn Woord gescheiden heeft.

Een enkele maal is het combineren van twee verschillende Schriftuurplaatsen tot een tekst niet ongeoorloofd te achten, wanneer b.v. een profetie uit het Oude Testament en haar vervulling in het Nieuwe Testament samengevoegd worden, of wanneer twee Schriftuurplaatsen, die schijnbaar tegenstrijdig zijn (b.v. Rom. 3 : 28 en Jac. 2 : 24), blijken in harmonie te staan, of wanneer twee plaatsen elkander aanvullen en geen andere plaats te vinden is die dezelfde gedachte uitdrukt. Wie bij het maken van preken diep overtuigd is van zijn onder­worpenheid aan het Woord van God, zal met combineren van Schriftuurplaatsen ten hoogste voorzichtig zijn.


Ten slotte moet de eis gesteld, dat het gedeelte van de Heilige Schrift, hetwelk tot tekst gekozen wordt, een samenhangend geheel is en een eenheid vormt.221

Short or long, the text must represent a unity, zegt Reu terecht.222 De eenheid van de tekst is niet alleen nodig met het oog op de formulering van het thema en de geschiktheid van de preek om door de hoorder geappercipieerd te worden, maar de eenheid en samenhang in de tekst wordt vooral geëist door de eerbied, die de predi­ker aan het Woord van God verschuldigd is. De Schrift is een orga­nisme dat zijn geledingen heeft, en die geledingen heeft de dienaar van het Woord te eerbiedigen. De prediker moet, als de huisvader, ook in dit opzicht het Woord van de waarheid recht snijden. Wie de lectio continua volgt en een boek van de Heilige Schrift in vervolgstoffen doorpreekt, mag niet willekeurig eindigen, waar hij wil, en midden in een gedachtegang de preek besluiten, omdat de tijd verstreken is. Zulk een wijze van doen is een gevolg van onvoldoende voorbereiding en van gering besef van de schuchterheid, welke elke dienaar van het Woord tegenover de Heilige Schrift past.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page