Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk


HET KARAKTER VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD



Download 2.06 Mb.
Page10/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   29

10. HET KARAKTER VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD
Cremer-Kögel. Wörterbuch der N. T. Gracitat s.v. diakonia; P. R. E. XV. Art. Predigt; Achelis. Lehrbuch der Prakt. Theol. II. 79; H. Bavinck. Geref. Dogmatiek IV2 377 seq.: P. A. E. Sillevis Smitt. De organisatie van de christelijke kerk in de apostolischen tijd. Iglo; M. Reu. Homiletics, pag. 66 seq; P. A. E. Sillevis Smitt. Ambt en persoonlijkheid. 1917.

De bediening van het Woord In de vergadering der gemeente draagt een a m b t e 1 ij k karakter. Zij komt tot de gemeente met Goddelijk gezag. De dienaar spreekt het Woord in de naam des Heeren.

De profeten van het Oude Testament waren er van overtuigd, dat de Heere in en door hen sprak, 2 Sam. 23 : 2, Jes. 1 : 1 en 2, Jer. 1 : 1 en 2. Zij waren door de Heere geroepen, verkon­digden door drijving des Geestes het Woord des Heeren en eisten voor dat Woord volstrekte gehoorzaamheid op.

Christus Jezus heeft de apostelen geroepen, hun zijn Woord gegeven, Joh. 17 : 14, en ze uitgezonden om in zijn naam het Evangelie te prediken, Lukas 9 : 1, Joh. 20 : 21. Paulus is door de Heere Christus in de bediening gesteld, de uitdeling van het Evangelie is hem toebetrouwd, en wee hem, wanneer hij het Evan­gelie niet verkondigt, 1 Tim. 1 : 12, 1 Kor. 9 : 17, Tit. 1 : 3.

Naast de apostelen heeft de verhoogde Christus tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus, gegeven profeten, evangelisten, herders en leraars, Eféze 4 : 11 en 12, 1 Kor. 12 : 28. De Heilige Geest heeft de ouderlingen gesteld tot opzieners om de gemeente Gods te weiden, Hand. 20:28.

Deze mannen worden genoemd: Kol. 1 : 17, 2 Kor. 6 : 4, 11 : 15, 1 Thess. 3 : 2; Rom. 1 : Fil. i : 1, Til. I : 1, Openb. 1 : 1; 1 Kor. 4 : 1; Rom. 15 : 16; 1 Kor. 3 : 9. Hun werk is: 1 Kor. 4 : 1; zij zijn 1 Kor. 9 : 13; Ef. 3 : 7, Col. 1 : 23.

Christus de Koning zendt Zijn dienaren als gezanten in Zijn Naam, Matth. 10 : 40, Markus 9 : 37, Joh. 13 : 20, en geeft hun een opdracht, die zij getrouw moeten nakomen. Van Christus wege bidden zij de gemeente: laat u met God verzoenen, 2 Kor.

5 : 19.


Voor de leer die de dienaren van Christus in Naam des Heeren verkondigen, vragen zij de gehoorzaamheid des geloofs. Paulus wijst daarop vooral in de Galatenbrief. Indien iemand, al ware het een engel uit de hemel, een ander Evangelie verkon­digt, dan hetgeen Paulus verkondigd heeft, anathema sit! Gal. 1 : 8. De leden der gemeente moeten hun voorgangers erkennen, hun gehoorzaam en onderdanig zijn en ere geven, r Thess. 5 : 12, 1 Tim. 5 : 17, Hebr. 13 : 17.
De gegevens der Heilige Schrift die betrekking hebben op het ambtelijk karakter van de bediening, zijn op uitnemende wijze verwerkt door Calvijn en de Gereformeerde theologen. In hun oppositie tegen Rome, dat het bisschoppelijk ambt beschouwde als de voortzetting van het apostolaat, een afzonderlijke stand van ambtsdragers creëerde, afgescheiden van en met macht over het volk, en tot die stand inlijfde door het sacrament der ordening, die een character indelibilis droeg, hebben de Refor­matoren nadruk gelegd op het ambt aller gelovigen. Luther heeft echter dit algemeen ambt eenzijdig opgevat en het karakter van het bijzondere ambt miskend. Volgens Luther is aan de gemeente toebetrouwd het Woord van God te prediken. de sacramenten te bedienen en absolutie te geven.139 Elk Christen heeft het recht in zijn kring deze ambtelijke functies uit te oefe­nen. Het bijzondere ambt predikt het Woord en bedient de sacramenten ex mandato ecclesiae ad ecclesiam. De ambtelijke evangelieverkondiging is verkondiging van het Woord van God aan de kerk namens de kerk. Ter wille van de goede orde wordt de verkondiging des Woords aan één bepaald persoon opge­dragen, die zijn mandaat ontvangt van de kerk. In dezelfde geest spreken de Lutherse godgeleerden.140
De Gereformeerden hebben in hun ambtsleer het best vertolkt, wat de Heilige Schrift aangaande het karakter van het bijzondere ambt leert. Zij hebben enerzijds de Roomse hiërarchie en de hypertrofie van het ambt bestreden, ander­zijds de Lutherse opvatting ter zijde gesteld, omdat zij inzagen dat het ambt niet is een instelling van de kerk, maar van Christus, en de ambtsdrager niet in de naam van de kerk, maar in de naam van Christus zijn ambtelijke functies verricht. Calvijn wijst er in zijn Institutie op, dat Christus zijn gemeente door de ambtsdragers als zijn organen bestuurt en door hunnen mond tot haar spreekt.141 De dienaren van het Woord zijn legati Christi. Deze gedachte wordt uitgewerkt in de Gereformeerde Confessies, b.v. in de Confessio Belgica en de Confessio Helvetica posterior. De Gereformeerde kerk belijdt in art. 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Wij geloven, dat deze ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke poli­tie, die ons onze Heere heeft geleerd in zijn Woord; namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn om Gods Woord te pre­diken en de sacramenten te bedienen, dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met de herders te zijn als de raad der kerk.

In art. 18 van de tweede Helvetische Confessie de ministris ecclesiae ipsorumque institutione et officiis wordt gezegd:

Proinde spectandi sunt ministri, non ut ministri duntaxat per se, sed sicut ministri Dei, utpote per quos Deus salutem hominum operatur. .. proinde potestas ecclesiastica ministrorum ecclesiae et functio illa, qua ministri ecclesiam Dei gubernant quidem, verum omnia in ecclesia sic faciunt, quem­admodum verbo suo praescripsit Dominus: quae cum facta sunt, fideles tamquam ab ipso Domino facta reputant.142

Dezelfde gedachte treffen we aan in de formulieren ter bevestiging van ambtsdragers143 en bij de Gereformeerde theologen.144

Ba­vinck zegt aan het slot van zijn beschouwing over de regering der kerk: ,,Vanuit de hemel regeert Christus Zijn gemeente op aarde door zijn Woord en Zijn Geest, door Zijn profetische, priesterlijke en Koninklijke werkzaamheid. Deze drie ambten zet Hij op aarde voort, niet uitsluitend maar toch ook door middel van de ambten, die Hij ingesteld heeft. Door het leraarsambt onderwijst Hij, door het ouderlingenambt leidt Hij, door het diakenambt verzorgt Hij zijn kudde; en door alle drie bewijst Hij zich te zijn onze hoogste profeet, onze eeuwige koning en onze barmhartige hogepriester.145
Aangezien nu het ambt het van Christus aan zijn kerk gegeven instituut is, om in Zijn Naam de gemeente te planten, te verzorgen en te volmaken, is de bediening van het Woord door de dienaar van het Woord in de vergadering der gelovigen een a m b t e 1 ij k e verkondiging van het Evangelie. De bediening van het Woord in de gemeente des Heeren is onderscheiden van stichtelijke toespraken, die door een particulier kerklid worden gehouden. Het kan nuttig zijn, dat leden der gemeente, met bijzondere charismata door de Koning der kerk versierd, in particuliere kring het Woord van God uitleggen en op stichte­lijke wijze toepassen. In tijden van verdrukking der kerk of wanneer het getal dienaren van het Woord gering is, verrichten zodanige broeders soms hulpdienst en houden „oefeningen” in de vergadering der gelovigen.146

Aan hen, die door de hogeschool geëxamineerd en door een kerkelijke vergadering toegelaten zijn, om te staan naar het ambt van dienaar van het Woord, wordt vergund in de kerken proposities te houden. Maar dergelijke stichtelijke toespraken in religieuze samenkomsten, of de hulpdiensten, waarvan de kerk in haar officiele samenkomsten bij tijd en wijle gebruik maakt, zijn wezenlijk onderscheiden van de ambtelijke verkondiging des Woords door de dienaar van het Woord. Treedt de dienaar in de ver­gadering der gemeente op, dan predikt hij het Evangelie in Christus' Naam, naar Zijn opdracht. Hij heeft een boodschap van zijn Zender. Hij is een gezant van de Koning, die des Ko­nings woord aan de onderdanen overbrengt. Het is alsof Chris­tus zelf ons door hem toespreekt en bidt, I Thess. 2 : 13.147


Deze ambtelijke bediening van het Woord wordt in de Heidel­bergse Catechismus omschreven als het bedienen van de eersten sleutel des hemelrijks. In vr. 84 wordt gevraagd: Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten? Het antwoord luidt: Alzo, dat achtervolgende het bevel van Christus allen en een iegelijk gelovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls zij de beloftenis des heiligen Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om de verdiensten van Christus wille, vergeven zijn; daaren­tegen allen ongelovigen en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeren, vol­gens welk getuigenis des Evangelies God beide in dit en in het toekomende leven oordelen wil.

Deze verklaring van de Catechismus is in overeenstemming met de Heilige Schrift. De Heere Jezus heeft, Matth. 16 : 19, aan Petrus beloofd (doosoo), dat hij zou ontvangen de sleutelen van het koninkrijk der hemelen. Aan Petrus wordt toegezegd, dat hij oikonomos zal zijn van het koninkrijk der hemelen, d.i. von dem auf Erden zu grondenden und gegrundeten Reich Gottes und Christi.148

Wat hij binden zal op de aarde zal in de hemel gebonden wezen, en wat hij ontbinden zal op de aarde zal in de hemel ontbonden wezen. Met de woorden binden en ontbinden wordt bedoeld de verkondiging in Jezus' Naam van de leer des Evange­lies en de handhaving van de tucht in het midden der ge­meente tot vergiffenis van de boetvaardigen en tot verwijdering van de onboetvaardigen.149

Binden en ontbinden door de prediking wil zeggen: de verkondiging in Jezus' naam van de vergeving der zonden aan een ieder die waarlijk gelooft, en van de toorn Gods aan hen, die zich niet van harte bekeren.



Deze belofte van de sleutelmacht wordt in Matth. 18 : 18 uitge­breid tot al de apostelen, en hun daadwerkelijk geschonken na de opstanding des Heeren, Joh. 20 : 23. In de naam van Jezus moet gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, Lukas 24 : 47. Er is geen sprake van, dat hier een ambtelijke macht zou bedoeld zijn, waardoor een dienaar des Evangelies aan een bepaald persoon factisch de zonden zou kunnen kwijtschelden. Mensen kunnen over elkanders hart niet oordelen en niemand kan de zonden vergeven dan God alleen. Met deze sleutelmacht is bedoeld en kan niet anders bedoeld zijn dan een objectieve, conditionele (op conditie van geloof en bekering) vergeving der zonden. Maar als zodanig is ze dan ook van de grootste betekenis. In de ambtelijke bediening van het Woord is een publieke, objectieve absolutie en retentie.150 De sleutelmacht, aan de apostelen geschonken, is ook gegeven aan de herders en leraars, die het werk van de apostelen voortzetten en in Christus' Naam arbeiden in de leer. Zij openen en sluiten in naam van de Koning het koninkrijk der hemelen in de bediening van het Woord, komen met een boodschap van Christus tot de gemeente en zeggen de rechtvaardigen dat het hun wel zal gaan, maar de goddelozen dat het hun kwalijk zal gaan, Jes. 3 : 10 en 11. Naar dit getuigenis zal God in het gericht oordelen. Hij zal wraak doen over allen, die het Evan­gelie van Jezus Christus ongehoorzaam zijn, in de dag wanneer Christus gekomen zal zijn om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en wonderbaar te worden in allen die geloven, 2 Thess. 1 : 8-10.
Bij deze schriftuurlijke opvatting van het ambtelijk karakter van de bediening van het Woord gevoelen we de volle kracht van de uitdrukking, die herhaaldelijk bij de Gereformeerde theologen voorkomt, dat het ambt geen magisterium, maar een m i n i s t e r i u m is. De prediker is een verbi divini m i n i s t e r, geheel onderworpen aan het Woord. Hij mag niet anders doen dan het Woord van zijn Zender vertolken, hij heeft slechts diens Woord te verklaren en toe te passen, hij mag het niet vermengen met vruchten van eigen brein, hoe schoon die ook mogen schijnen, hij mag het Woord niet aanvullen of corrigeren. Alleen het Woord van God, alleen het Evangelie van Christus heeft gezag over de consciënties der mensen.
Het is daarom met het karakter van de bediening van het Woord in strijd, een tekst der Schrift uit zijn verband te rukken en aan de woorden der Heilige Schrift een zin te geven, die ze naar gezonde exegese niet hebben kunnen en die dus ingaat tegen de intentio Spiritus Sancti. Filosofische speculaties, al zijn ze nog zo interessant en afkomstig van een diepzinnig Christenwijsgeer, horen op de kansel niet thuis. Evenmin theolo­goumena, om dan deze private theologische opinies met het gezag van Christus' woord te dekken. Het ambtelijk karakter van de bediening van het Woord stelt de prediker enge grenzen. Hij moet de overtuiging hebben, dat alles wat hij zegt, geput is uit des Heeren Woord en hij niet anders is dan een spiegel, die het licht der Heilige Schrift reflecteert.
Hieruit volgt, dat de dienaar van het Woord de volle overtuiging moet hebben, dat de uitlegging van de tekst, dien hij voordraagt, de juiste is en in overeenstemming met deanalogia fidei. Is hij subjectief niet verzekerd van de juistheid der exegese van een bepaalden tekst, dan mag hij over dezen tekst niet preken. Hij kieze een ander Schriftgedeelte en wachte onder gebed op meer licht. Er zijn in de Heilige Schrift gedeelten, die zwaar zijn om te verstaan, 2 Petrus 3 : 16, en de prediker die in de Schriften nog niet zeer bedreven is, verbeide met verklaring van de zware plaatsen de tijd, dat hij meer geoefend zal zijn. De dienaar van het Woord moet er ten volle van verzekerd zijn: ik breng het Woord van God. Aan de klem van deze eis is, gezien het ambtelijk karakter der prediking als een openen en toeslui­ten van het koninkrijk der hemelen in de Naam des Heeren, niet te ontkomen.

Het geestelijk indringen in dit heilig karakter van de dienst des Woords is geschikt de ootmoed te wekken, die de Heere zo gaarne bij Zijn dienaren ziet, Lukas 22 : 23-27. Wie zich in volle zin dienaar weet, wijkt in de prediking terug, opdat Christus en Zijn Woord naar voren komen. Zulk een prediker treedt niet op om zijn gaven te laten schitteren, maar maakt Christus groot in de ogen zijns volks. Zijn levensdevies is het woord van de Dooper: Hij moet wassen, maar ik minder worden, Joh. 3 : 30.


Van het ambtelijk karakter der prediking moet de dienaar van het Woord ten opzichte van eigen persoon overtuigd zijn, d.i. hij moet krachtig ambtsbewustzijn hebben.151 Bij profeten van het Oude Testament als Mozes, Elia, Jeremia was dit ambtsbewust­zijn in sterke mate aanwezig.152 Paulus was er zeker van, dat hij een geroepene van Jezus Christus was, Gal. 1 : 1; als in de tegenwoordigheid Gods sprak hij het Woord van God in Christus, 2 Kor. 2 : 1 7. De dienaar van het Woord, al is hij niet onmiddellijk door Christus zelf, maar middellijk, door de gemeente, geroe­pen, moet Paulus' woord uit 1 Kor. 9 : 16 tot het zijn kunnen maken: indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem. In de aanwezigheid der charismata, in de lust om de Heere in het ambt te dienen, in de roeping door de gemeente, heeft hij het bewijs, dat hij door God tot deze dienst geroepen is, 1 Tim. 4 : 14.153

Wie met vele nieuwere theologen, als Schian,154 aan de dienaar van het Woord het ambt ontneemt en de didaskalos een beroep laat uitoefenen evenals een dagloner, zodat ook voor beiden dezelfde be­roepsethiek geldt, kan, ondanks alle mooie woorden, een ambts­bewustzijn in geen enkel opzicht handhaven.


De prediking des Woords, die het ambtelijk karakter in waarheid draagt, komt tot de gemeente met absolute, met God­delijke autoriteit. De gemeente heeft zijn woord, dat het woord van Christus is, aan te nemen en te geloven. Wie zijn woord verwerpt, verwerpt niet de prediker, maar Hem, die hem gezonden heeft. Paulus dankt zijn God, dat de Thessalonicen­zen, als zij het woord der prediking Gods ontvangen hebben, het aangenomen hebben niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, 1 Thess. 2 : 13. De predikers die het ganse Woord van God in de naam des Heeren verkondigen, zijn een reuk des doods ten dode dengenen die verloren gaan, maar een reuk des levens ten leven dengenen die zalig worden. Naar het getuigenis van de bediening van het Woord in de gemeente zal de Heere in dit en in het toekomende leven oordelen.

11. HET OBJECT VAN DE BEDIENING VAN HET WOORD
J. J. van Oosterzee. Prakt. Theol. I. pag. 214; J. van Andel. Pastorale Brieven. Kampen. 1907; A. van Veldhuizen. Prak­tische Godgeleerdh. in Pro Ministerio. Groningen. 1923. pag. 25 seq.: H. H. Kuyper. Hamabdil. Van de heiligheid van het genadeverbond. Amsterdam. 19o7; A. Kuyper. Onze Ere­dienst. Kampen. 1911. pag. 322 seq.

Met het object van de bediening van het Woord is hier niet be­doeld het objectum cuius of datgene waarover de bediening van het Woord handelt, maar het objectum cui, d.i. degenen, tot wie de bediening van het Woord zich richt.

Object van de missieprediking zijn zij, die buiten het gekerstende deel der mensheid leven, tot wie de heilsboodschap nog nimmer kwam. Object van de evangelisatie zijn zij, die in onze gekerstende maatschappij zich van het christendom hebben vervreemd. Object van de bediening van het Woord, gelijk deze boven in haar wezen en karakter is omschreven, zijn zij die behoren tot de gemeente van het nieuwe Verbond en leden zijn van de kerk van Christus. De bediening van het Woord geschiedt in de vergadering der gelovigen.

De gemeente die samenkomt tot de bediening van het Woord, is geen toevallig samengestroomde schare, geen hoop gemengd , volk, maar de gemeente van Christus, die haar God in de onderlinge samenkomsten ontmoet. Zij wordt met heerlijke namen in de Heilige Schrift genoemd. Zij is een gemeente van geheiligden in Christus Jezus, van geroepen heiligen, 1 Kor. 1 : 2, Ef. 1 : 1, Fil. 1 : 1, zij is een gemeente van gelovigen, van broeders, 2 Kor. 13 : 11, Gal. 6 : 1, Ef. 6 : 10, Pil. 4 : 1, Col. 1 : 2, 1 Thess. 2 : 1, enz. Zij is Gods akkerwerk, Gods gebouw, 1 Kor. 3 : 9; de tempel Gods, 1 Kor. 3 : 17; het lichaam van Christus, waarvan iedere gelovige een lid is, 1 Kor. 12 : 27. Hoewel in de gemeente van Korinthe een er­gerlijke vorm van hoererij voorkwam, 1 Kor. 5 : 1, en scheu­ringen en ketterijen onder hen waren, 1 Kor. 11 : 18 en 19, en de apostel Paulus de Corinthiërs daarover ernstig vermaant, 1 Kor. 5 : 6 seq, 1 Kor. 11 : 20 seq, is zij toch in haar geheel een gemeente van gelovigen en broeders in de Heere Jezus Christus. De gemeente, waarin het Woord van God heerschappij heeft, is ondanks alle gebreken en zwakheden, die in de individuele leden gevonden mogen worden, ondanks onge­loof en zonde, die bij enkelen nog de overhand mogen hebben, in haar geheel beschouwd, e e n g e m e e n t e des H e e r e n. Zo zegt het de Schrift en aan haar hebben we ons te houden. Daarom heeft de dienaar van het Woord zijn prediking voor de gemeente te beginnen met een aanspraak als deze: Geliefden in onzen Heere Jezus Christus. En moet in heel zijn prediking uitkomen, dat aan een gemeente van heiligen en geroepenen het Woord van God wordt bediend. Hij spreekt tot het volk Gods, waarmede hij één is in geloof. Zijn woord is met kracht, omdat hij appelleert aan het geloof en de liefde van de leden van Christus' lichaam. Zijn prediking draagt tevens het karakter van het intieme, omdat zij is een toespraak tot de broeders en zusters, die met hem eenzelfde dierbaar geloof deelachtig zijn.

De Heilige Schrift leert, dat uit deze generale beschouwing niet de conclusie mag getrokken worden, dat ieder lid der gemeente, hoofd voor hoofd, in der waarheid een kind Gods is. De Heilige Schrift herinnert er ons aan en de ervaring getuigt het, dat in de meest zuivere kerk, waar de tucht over leer en leven naar Gods Woord wordt gehandhaafd, kaf onder het koren is. Het ge­nadeverbond naar zijn uitwendige zijde en de verkiezing zijn niet identisch. In de kerk des Heeren van het Oude Testament, waar het genadeverbond een nationaal en in het algemeen een preparatoir karakter droeg, was niet alles Israel dat Israel heette. De profeten riepen het afkerige volk toe weder te keren tot de Heere, Jer. 3 : 12, 14 en vele andere plaatsen. De vaderen waren allen onder de wolk en zijn door de zee doorgegaan, waren allen in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee, hebben allen dezelfde geestelijke spijze gegeten en dezelfde geestelijken drank gedronken, maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, 1 Kor. 10 : 1-5. Zij zijn ongehoorzaam geweest en hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Hebr. 3 : 18 en 19. Het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben, Hebr. 4 : 2.

De prediking van Jezus stuitte bij velen af op een on­bekeerlijk hart. Hij verweet de steden, in dewelke zijn krachten meest geschied waren, omdat zij zich niet bekeerd hadden, Matth. 11 : 20; Hij klaagde vol deernis over de stad Jeruzalem, die niet heeft willen horen, Matth. 23 : 37, Lukas 13 : 34, en weende over haar, Lukas 19 : 41, 42.

De gemeente van het Nieuwe Testament heeft de beperkingen der Oude Bedeling afgelegd. Hoewel haar groter genade en rijker gave van de Heilige Geest is geschonken, achten de apostelen het toch nodig haar te vermanen, het Woord van God gehoorzaam te zijn en in de zonde van de gemeente van het Oude Testament niet te vallen. Wat met Israel geschied is, geschiedde ons ten voorbeeld; laat ons Christus niet verzoeken of murmureren, al deze dingen zijn beschreven tot waarschuwing van ons; die meent te staan, zie toe dat hij niet valle, 1 Kor. 10 : 6-12. De Hebreeën worden vermaand toe te zien, dat niet te eniger tijd in iemand van hen zij een boos ongelovig hart om af te wijken van de levenden God, Hebr. 3 : 12 en 13 ; 2 : 3 ; hoeden we er ons voor, dat niet iemand van u zou blijken te laat gekomen te zijn. Hebr. 4 : 1, want het oordeel over hen, die tegen zoveel licht zondigen, zal zwaar wezen, Hebr. 10 : 26-29; 12 : 16, 17.



In een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten, en sommige ter ere, maar sommige ter onere, 2 Tim. 2 : 20. Nog valt het zaad des Woords niet alleen in goede aarde, maar ook bij de weg, op steenachtige plaatsen, of in de doornen, Matth. 13, Lukas 8.

Al is het overeenkomstig de aard der christelijke liefde van ieder lid der gemeente, zolang het enigszins mogelijk is, het beste te oordelen, het feit is onweersprekelijk, dat er ook onder het volk van God in het Nieuwe Verbond zijn, die niet naar Gods stem horen, Ps. 81 : 12. De Springader des levenden waters verlaten en zichzelve bakken uithouwen, gebrokene bakken die geen water houden, Jer. 2 : 13. Er zijn in de gemeente hy­pocrieten, die een schijn van godsvrucht geven, maar met het hart de Heere niet vrezen. Er zijn oppervlakkigen, die zich met de uitwendige vorm van godsdienst tevreden stellen maar bij wie het ware geloof niet wordt gevonden. Er zijn gevoelige naturen, wier gemoed bij het aanhoren van een ernstige waarschuwing of een liefelijke evangelieprediking uit het evenwicht geraakt, maar die aan de wereldse begeerlijkheden de grootste plaats geven in het hart. Er zijn er, die bewust van de weg des Heeren afwijken, die de samenkomsten der gemeente ongeregeld bezoeken en bij wie langzamerhand, soms om het motief van de herderlijke bearbeiding bevrijd te zijn, het plan rijpt zich van de kerk des Heeren los te maken.


Ten opzichte van alle dezen heeft de dienaar van het Woord een roeping. Ook tot hen moet het Woord gebracht worden.155 Hun moet aangewezen worden, hoe zwaar de zonde is, wanneer een kind des Verbonds zijn God verlaat, Ps. 89 : 31-33. Tot hen gaan aanhoudend waarschuwingen uit. In de bediening van het Woord worden zij op tedere, vaderlijke wijze vermaand om weder te keren. Tot hen in het bijzonder komt de bede: wij bidden u van Christus wege, laat u met God verzoenen, 2 Kor. 5 : 20. De prediking der bekering is alzo in de gemeente des Heeren noodzakelijk.
De gemeente des Heeren is een rijk gespecialiseerd object voor de bediening van het Woord. In de gemeente zijn mannen en vrou­wen; volwassenen, adolescenten en kinderen; ontwikkelden en eenvoudigen; patroons, bedrijfsleiders, arbeiders; mensen, die intellectuelen arbeid verrichten, en die met de handen hun brood verdienen; vertegenwoordigers van de meest uiteenlopende beroepen; religieuze typen in grote verscheidenheid, die, hoewel één in belijdenis, toch op verschillende punten zeer uiteenlopende opinies hebben. De bediening van het Woord moet met deze variëteiten in het object terdege rekening houden. Dit punt zal in het hoofdstuk over de Toepassing nader aan de orde komen.

Daar de leden der gemeente in veel meer opzichten één dan van elkander onderscheiden zijn, is het niet raadzaam naar de schakeringen in het object de preken in te delen en onderscheidingen te treffen als: jeugdpreken, hofpreken, soldaten­preken, academie-preken, boerenpreken, arbeiderspreken, élitepreken, armenpreken, dorpspreken, stadspreken, enz.

Zowel uit principieel als uit praktisch oogpunt zijn afzon­derlijke jeugdpreken af te keuren.156 Naardien de Heere de God is van de gelovigen en van hun zaad, en de heilsbeloften zowel de volwassenen als hunnen kinderen toekomen, Hand. 2 : 39, behoren de jeugdigen in de samenkomsten der gemeente aanwezig te zijn. Zij vormen een onderdeel van het object, tot hetwelk de bediening van het Woord komt. De apostelen richten zich in hun brieven, die in de samenkomsten der gemeente werden voorgelezen, tot de kinderen en de jongelingen, Ef. 6 : 1; Coll. 3 : 20; 1 Petrus 5 : 5, I Joh. 2 : 13, waaruit afge­leid mag worden, dat dezen in de vergadering der gemeente tegenwoordig waren, Hand. 20 : 9. Jozef en Maria namen de twaalfjarige Jezus op het Paasfeest mede naar de tempel, Lukas 2 : 42. De prediking moet zowel ten formele als ten materiele zó ingericht worden, dat de jeugdigen in de weg des Heeren onderwezen en gebouwd worden in het geloof. De vatbaarheid van jonge mensen voor de invloed van het Woord van God is soms zeer groot, 1 Sam. 1 : 24. 2 Tim. 3 : 15.
Het is niet aan te bevelen een aparte kinderkerk of jeugdgodsdienstoefeningen te organiseren en jeugdpreken te houden. Door het in het leven roepen van zulk een instituut scheidt men wat God de Heere heeft samengevoegd. Ouders en kinde­ren worden op het terrein der genade door God bij elkander geplaatst. De Heere is de God van de gelovigen èn van hun zaad. Daarom behoren de families, ouders en kinderen samen, voor des Heeren aangezicht in de publieke samenkomst der ge­meente te verschijnen, waar Woord en sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus. Daar wil de Heere wonen en schenkt Hij in bijzondere mate Zijn zegen. Ook om praktische redenen is het niet gewenst afzonderlijke godsdienstoefeningen voor de jeugd te houden. De jonge mensen worden daardoor vervreemd van de publieke eredienst, en het gevaar is groot, dat de leeftijd, waarop de jeugdigen naar de officiële samenkomsten gaan, al later wordt gesteld, en de vatbaarheid om een „gewone” preek te appercipiëren al geringer wordt. Werpt men tegen, dat in de jeugdkerk meer bevattelijk kan gepreekt en vragen behandeld kunnen worden, die de belangstelling van jonge mensen hebben, dan zij daarop geant­woord, dat de bediening van het Woord in de samenkomsten der gelovigen in dezelfde mate bevattelijk kan zijn en eveneens de onderwerpen behandelen, die voor de jeugd van belang zijn. Het ligt er maar aan, hoe de bediening van het Woord wordt inge­richt. De huidige praxis van sommige dienaren schijnt het nodig te maken er nadruk op te leggen, dat in de openbare godsdienstoefeningen ook adolescenten en kinderen tegenwoordig zijn.

Houdt de dienaar van het Woord dit voldoende in het oog, dan schenkt de gewone bediening van het Woord alle voordelen die een z.g. jeugdkerk mocht bieden en mist zij alle nadelen, die aan een dergelijk instituut verbonden zijn.

Soldatenpreken zijn bij gelovige soldaten, die in het leger de naam van Christus belijden, niet gewild. Het is voor onze soldaten in de mobilisatietijd, die zich alle werkdagen in oorlogvoering moesten oefenen, niet bepaald aangenaam geweest. bijna eiken Zondag een preek over de hoofdman Cornelius of over de geestelijke wapenrusting uit Ef. 6 te moeten horen. Zij verlangden voor de veldgodsdienst-oefeningen een „gewone” preek.
Over de dorpspreek is in de laatste jaren herhaaldelijk geschreven. Sommigen ten onzent verstaan onder een dorpspreek een lange exegetische, van dogma's doorgroeide, verhandeling, waarin elk woord van de tekst uitgeplozen wordt, opgesteld in een zware lange zinnenstijl met vele archaïsmen, voorgedragen op galmende toon. Een stadspreek zou zich hierdoor kenmerken, dat ze kort is, dogmatisch niet diep gaat, op exegese weinig let, mooie gedachten geeft, gesteld is in lichten, bloemrijke stijl, en voorgedragen naar de eisen van esthetica.

Anderen verstaan onder dorpspreken zulke, die geschikt zijn voor de landelijke bevolking. Prof Uckeley157 zegt, dat elke preek een aarde-reuk moet geven van de bodem, waar ze gemaakt is, de prediker moet studie maken van de religieuze psychologie der dorpelingen, die voor het grootste deel boeren zijn, en in aansluiting aan hun psychisch leven het woord der openbaring brengen. De predikant moet kunstenaar zijn en voelen dat hij een kunstenaar is. De boerenpsyche kenmerkt zich volgens hem door bangheid voor God en tegelijk door geduld en vertrouwen op God. De boer heeft een zwak zondebesef en in verband daarmee geen juist begrip van de genade. In zijn leven staat het individuele op de achtergrond, het Gruppenhafte domineert. De boer is conservatief en houdt in kleding, taal, zeden en gebruiken aan het historisch gewordene vast. Naar het beroep, de omgeving, de zeden der dorpe­lingen moet zich tekstkeuze en tekstbehandeling richten.

Nu moet ongetwijfeld de bediening van het Woord op zulk een wijze geschieden, dat zij, door gebruik te maken van de resultaten der religieuze en volkspsychologie, aansluiting tracht te vinden bij de psyche van degenen, die in de eredienst samenko­men. Het is evenwel niet in overeenstemming met het wezen der prediking de dorpspreek als een apart genre te beschouwen en zowel de inhoud van de preek als de keuze van de te behan­delen stof te doen bepalen door enkele caracteristica der hoorders. Men loopt dan gevaar de preekstof te ontlenen aan de religio subjectiva in plaats van aan de religio objectiva, de mens te prediken in plaats van Christus, te verkondigen een Evangelie naar de mens en in strijd te komen met het wezen van de prediking als verklaring en toepassing van het Woord van God.

Uckeley erkent zelf dat Hesselbacher geen tekstverklaring geeft. Frenssen biedt die trouwens evenmin. Daarbij komt dat, wanneer de tekstkeuze uitsluitend bepaald wordt door enige quali­teiten van de gemeenteleden, het de prediker niet mogelijk is, gelijk Paulus van zichzelf kon verklaren, de vollen raad Gods te verkondigen, Hand. 20 : 27. Verder is een bezwaar, dat hoe meer een prediker kunstenaar wordt en het religieuze leven van zijn Landleute aesthetisch darstellt, hij al minder de trekken van een dienaar van Christus vertoont. Waarom vindt Uckeley de preken van Frenssen zo mooi? Es ist echte Heimatkunst, die er ubt; er versteht es vortrefflich zu gestalten, lebendig zu machen, auszumalen.158


Wanneer dit de hoogste lof is die aan een preek kan worden toegekend, is ze als bediening van het Woord geoordeeld. Eindelijk zij aangevoerd, dat hetgeen de christenen van elk beroep, van eiken stand en van elke woonplaats gemeen hebben, veel meer en veel gewichtiger is dan hetgeen hen van elkander onderscheidt. Ongetwijfeld heeft elke preek een locale en temporele kleur. Het is echter verkeerd haar af te stemmen op een bepaalde categorie hoorders. In een dorpskerk zijn niet enkel boeren, en al hadden alle leden der kerk in de maatschappij een en hetzelfde beroep, dan zou dit toch weinig invloed kunnen hebben op de inhoud van de prediking. Immers, de bewoners van de stad en van het dorp, de gefortuneerde en de armen, de intellectuelen en de eenvoudige zijn allen zondaars voor God, hebben allen behoefte aan de éénen Christus, worden allen zalig door het geloof, dat bij alle kinderen Gods in zijn wezen één is.

De variatie in het object is ten opzichte van de inhoud van de bediening van het Woord en de tekstkeuze niet van die betekenis te achten, dat zij een indeling der preken naar dit gezichtspunt zou wettigen.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page