Gereformeerde homiletiek door dr. T. Hoekstra wageningen z. J. 3e druk



Download 2.06 Mb.
Page1/29
Date09.11.2016
Size2.06 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29








GEREFORMEERDE HOMILETIEK

DOOR
DR. T. HOEKSTRA


WAGENINGEN

Z.J.
3e druk
Amsterdam TON BOLLAND

v/h H. A. van Bottenburg B.V.

1975

STICHTING DE GIHONBRON

MIDDELBURG

2006


INHOUD

INLEIDING
1. Naam en begrip

2. Encyclopedische plaats

3. Homiletiek en retorica

4. Homiletiek en psychologie

5. Geschiedenis van de homiletiek

6. Indeling


I. PRINCIPIEEL DEEL, blz. 86
7. De naam voor de bediening van het Woord

8. Het wezen

9. De hoofdinhoud

10. Het karakter

11. Het object

12. Het doel

13. Het subject
II. MATERIEEL DEEL
Stof voor de bediening van het Woord

14. Het wezen van de tekst

15. De tekstkeuze

16. De verklaring

17. De toepassing

18. Indeling der stoffen

19. Stoffen van bijzondere vorm
III. FORMEEL DEEL
21. Over de vorm in het algemeen

22. De methode

23. De bouw van de preek

24. De schets

25. Taal en stijl

26. De voordracht


Register van namen
Register van zaken
I. NAAM EN BEGRIP VAN DE HOMILETIEK
Prot. Real. Encycl. 2 en 3 Art. Homiletik; Encycl. of Religion and Ethics. Art. Preaching; Wetzer und Welte's Kirchenlexikon. Art. Homiletik; Suicerus Thesaur us Eccl. s. v.; F. Muller Jzn. Grieks woordenboek; G. A. F. Sickel. Grundriss einer christlichen Halieutik. 1829; R. Stier. Biblische Keryktik; 1844: Th. Christlieb. Homiletik. 1893; E. Chr. Achelis. Lehrbuch der prakt. Theologie II, 79. 1911; A. Kuyper. Encycl.2 III 487. A. M. Brouwer. Hoe te prediken voor Heiden en Mohammedaan? Meded. van­wege het Nederl. Zendelinggenootschap, 1913, pag. 295 seq.

Het woord homiletiek is eerst in de nieuwere tijd in ge­bruik gekomen. In de Middeleeuwen sprak men van ars praedicandi, ars praedicatoria, (b.v. Alanus van Rijssel, Heinrich von Langenstein, Joh. Reuchlin) of ars concionandi (Bonaventura). Erasmus gaf aan zijn homiletisch werk de titel de ratione concionandi. De homiletische handboeken kort na de Hervorming heten gewoonlijk ars, ratio of methodus concionandi (b.v. bij Lutherse homileten als Andreae, Hun­nius, Osiander, Hülsemann, en bij Gereformeerde homileten als Hyperius, Scultetus, Martinus, Hoornbeek, Gaussen). De naam retorica ecclesiastica of sacra vond ingang bij Gerefor­meerde homileten als Keckermann en Knibbe.


In de tweede helft van de zeventiende eeuw is voor dit theolo­gisch vak het woord homiletiek, voorlopig als adjectief, het eerst gebruikt door Lutherse theologen: S. Goebel. Metho­dologia homiletica, 1672; J. G. Baier. Compendium theolo­giae homileticae, 1677; J. Leyser. Cursus homileticus, 1701. Sindsdien is de naam homiletiek door de evangelische theologen die zich met de theorie van de prediking bezig hielden, vrij algemeen aanvaard. Rationalistische homileten van de achttiende en van de negentiende eeuw als Marezoll, Schott, Theere­min, Bassermann prefereerden de theorie der Beredsamkeit, maar hadden daarmede geen succes. Sickel maakte met zijn Halieutik geen opgang, en evenmin Stier met zijn Keryktik of Christlieb met de Marttretik.

In de laatste twee eeuwen verkreeg de naam homiletiek lang­zamerhand burgerrecht in Nederland. Van de Nederlandsen homileet F. A. Lampe was reeds in 1742 uitgegeven het Institu­tionis homileticae breviarium. De hoogleraren Doedes en Kuy­per kozen in hun Encyclopedie der heilige Godgeleerdheid voor homiletiek. Eveneens J. J. van Oosterzee in zijn Prakti­sche Theologie en P. Biesterveld in Het object der ambtelijke vakken. Het ten onzent veel gebruikte boek van A. Vinet over de theorie der prediking zag zowel in de Franse uitgave als in de Nederlandse vertaling onder de titel homiletiek het licht.

In de landen behorende tot het Engelse taalgebied komt het woord homiletiek zowel in substantief als in adjectiefvorm voor (Gowan. Homiletics, 1922; The Homiletical Review), maar veelal wordt een naam gekozen, die met prediken of preek in verband staat, b.v. A. Phelps. Theory of preaching, 1882; W. Boyd Carpenter. Lectures on Preaching, 1895; J. A. Broadus. The preparation and delivery of sermone8, 1905; Chr. R. Brown. The art of preaching, 1922.

Homiletiek is een adjectiefvorm (grieks: homeletiké scil. epistéme) afgeleid van het substantivum όμιλια. Volgens het woordenboek van Muller komt όμιλια van homilos, dat ont­staan is uit homo milos; o. ind. milati, hij komt samen, lat. miles, oorspronkelijk troupier, en vandaar de betekenis: menigte, saamgekomen mensen, strijdgewoel. Het woord όμιλια be­tekent in het gewone Grieks het samenzijn, de gemeenschap­pelijke omgang, vergadering; omdat de gemeenschappelijke omgang gepaard gaat met uitwisseling van gedachten, krijgt όμιλια de betekenis van gesprek. Homiletikos = gezellig, geschikt voor conversatie, en homiletikè teexen is de kunst om een gesprek te voeren. Het verbum homilein betekent: met elkander spreken.

In de betekenis van gesprek voeren komt het woord voor in het Nieuwe Testament 1 Kor. 15 : 33, de door Paulus aange­haalde versregel van Menander. En eveneens Lukas 24 : 14 en 15, waarvan de Emmaüsgangers wordt gesproken. In Hand. 24 : 26 wordt van Felix gezegd, dat hij herhaaldelijk met Paulus alzo sprak.

Eenmaal, Hand. 20 : 11, heeft homilein in het Nieuwe Testament de speciale betekenis van het verkondigen van het Woord van God in het midden der gemeente. De discipelen te Troas waren op de eerste dag der week samen gekomen om brood te bre­ken, d. i. het Heilig Avondmaal te vieren. Bij die gelegenheid strekte Paulus zijn rede uit tot middernacht. Nadat Eutychus, die uit het venster gevallen en dood opgenomen was, door Paulus was behandeld en het Heilig Avondmaal was gevierd, zette de apostel tot de morgen de verkondiging des Woords voort. Uit deze plaats blijkt, dat reeds in het Nieuwe Testament voor de bediening van het Woord op de dag des Heeren homilein wordt gebezigd.


Het kerkelijk spraakgebruik heeft zich hierbij aangesloten. Bij Justinus Martyr. Apol. I. 6.7 is όμιλια de toespraak, die door de voorganger in de vergadering der Christelijke ge­meente aan het uit de Heilige Schrift voorgelezen gedeelte wordt verbonden. Bij Chrysostomus, Basilius, Macarius, zijn όμιλια; sermones ad coetum habiti, en is homilein: publice populum docere (Suicerus). Wel komt later het onderscheid op tussen όμιλια, de eenvoudige toespraak bestaande in een parafrase van een tekst der Heilige Schrift, en logos, de naar de eisen van de retorica saamgestelde rede over een gedeelte van Gods Woord, maar όμιλια blijft toch zijn betekenis behouden als bediening van het Woord in de vergadering der christelijke gemeente. Het woord werd in het Westen tot homilia verlatijnst en bleef o.a. bewaard in de naam Homilia­rium, de tijdens Karel de Grote uitgegeven prekenbundel. Na de Hervorming werden όμιλια en homilein veelal gebruikt in de Latijnse vertaling concio en concionari.

Tegenwoor­dig verstaat men onder homilie gewoonlijk een eenvoudige parafrase van de tekst, in onderscheiding van de preek als een verklaring en toepassing van het Woord van God in de vorm ener rede, maar όμιλια is alle eeuwen door gebleven een naam voor de bediening van Gods Woord in de vergadering der gemeente.


De homiletiek is die theologische wetenschap, welke tot object heeft de bediening van het Woord in de vergadering der gemeente van Christus.

Zij is een wetenschap, scientia, geen ars. Zij dient wel de kunst en is voor de praktische uitoefening van het ambt van het hoogste belang, maar zij is toch meer dan een handleiding voor de praxis of een methodiek. Zij is een scientia en heeft in se waarde. Zij heeft tot object van onderzoek het ambt van de dienaar van het Woord, en speciaal die functie van het ambt, welke werkzaam is in de (Scazovia ..) te midden van de vergaderde gemeente des Heeren. Zij heeft gelijk heel de theologie de Heilige Schrift tot principium cogno­scendi en zij leidt uit dit principium af wat het wezen is van de bediening van het Woord, waaruit de bediening van het Woord haar stof put en naar welke methode de bediening van het Woord moet uitgeoefend worden.

Er valt alle nadruk op dat de homiletiek tot object heeft de bediening van het Woord in de vergadering der ge­meente van Jezus Christus. Deze dienst des Woords is onderscheiden van de prediking tot de heidenen en tot hen, die in de christelijke landen van het Evangelie zijn vervreemd. Onderscheiden ten opzichte van het object, daar de dienaar van het Woord in ambtelijke kwaliteit en tegelijk als een broeder onder de broederen zich tot de gemeente richt, maar in zending en evangelisatie het Woord brengt tot mensen, die hem geestelijk vreemd zijn en die zijn ambtelijk gezag en dat van 's Heeren Woord niet erkennen. Onderscheiden in d o e 1, wijl de dienst des Woords in de vergadering der ge­lovigen de volmaking der gemeente op het oog heeft, en de bearbeiding van heidenen en ongelovigen de bekering tot het christelijk geloof zich ten doel stelt. Onderscheiden in s t o f, niet wat de hoofdinhoud betreft, want beide prediken Christus, maar in dezen zin, dat de bediening van het Woord in de gemeente zich van het middelpunt des Evangelies uit naar de periferie wendt om het ganse leven van het Woord te doen doordringen, terwijl in zending en evangelisatie schier uitsluitend de centrale stukken der heilsleer gepredikt worden. Onderscheiden ten opzichte van de m e t h o d e, die bij beide in overeenstemming moet zijn met object en doel. Terecht wor­den dan ook in de ambtelijke theologie zendingstheorie en evan­gelistiek als zelfstandige vakken naast de homiletiek opgenomen.
De homiletiek is onderscheiden van de liturgiek.

De litur­giek heeft tot object de vormen van de eredienst. Deze worden onderscheiden in constante (welke in iedere eredienst terug­keren) en niet constante (welke zo nu en dan in de eredienst voorkomen) cultuselementen. De constante worden weer verdeeld in elementen a parte Dei (groetzegen, wet, abso­lutie, praelectio Scripturae, prediking, slotzegen) en elemen­ten a parte populi (votum, confessio peccatorum, geloofsbe­lijdenis, gebed, gezang, collecte). Van de elementen a parte Dei is de prediking het voornaamste element. De bediening van het Woord komt in de liturgiek alleen voor onder het gezichtspunt van cultuselement; er wordt onderzocht welke plaats zij in de constructie der elementen moet innemen en aan welke eisen, b.v. wat duur betreft, de prediking moet voldoen om een goede orde van de eredienst mogelijk te maken. Maar met wezen, stof en methode van de bediening van het Woord laat de liturgiek zich niet in. Kuyper heeft in Onze Eredienst1 mate­riaal opgenomen, dat niet in de liturgiek maar in de homiletiek thuis hoort.

De homiletiek is ook onderscheiden van de catechetiek. Het onderscheid bestaat niet hierin, gelijk Krieg2 meent, dat de catechese de heilsverkondiging is tot de onmondige gedoopte leden der gemeente en de „Kultusrede” de verkondiging tot „die mundige, zum Gottesdienst versammelte Gemeinde.” De consequentie uit deze onjuiste tegenstelling is, dat de preek niet geschikt is voor de onmondige leden der gemeente en dezen dus bij de bediening van het Woord in de vergadering van de ge­meente des Heeren niet behoeven tegenwoordig te zijn. Geheel ten onrechte. Immers tot de gemeente Gods behoren naar de Heilige Schrift ook de onmondigen, zij moeten in hare vergadering aanwezig zijn, ook tot hen richt zich de prediking. De cate­chese is echter het speciale onderwijs, dat door de dienaar van het Woord aan de onmondige leden der kerk gegeven wordt met het doel hen op te voeden tot mondige leden, die alle rechten als kerklid kunnen uitoefenen.
Na de omschrijving van het begrip homiletiek en de afbake­ning der grenzen van verwante vakken, is nog aan te geven, waarom voor dit theologisch vak de naam homiletiek te kiezen is. Hiervoor kunnen de volgende argumenten aangevoerd wor­den.


  • In de eerste plaats is deze naam van Griekse origine en ontstaat hierdoor een zekere congruentie met de namen van de andere vakken der ambtelijke theologie die bijna alle aan het Grieks zijn ontleend.

  • Ten tweede is deze naam afgeleid van een woord, dat in de Heilige Schrift gebruikt wordt voor de bediening van het Woord in de vergadering der gemeente.

  • Ten derde komt door dezen naam uit, dat er tussen de prediker en de gemeente een band is als tussen broeders van hetzelfde huis en de vergadering erkend wordt als die van een volk Gods.

  • Ten vierde is naar de historische opvatting in deze naam aangege­ven dat de prediking is een eenvoudige ontvouwing van de tekst, een popularis expositio.

Hiermede is echter geenszins gezegd, dat naast deze lichtzijden geen schaduwzijden zouden aan te wijzen zijn. Door de naam homiletiek zou de opvatting kunnen ontstaan alsof de bediening van het Woord uitsluitend of voornamelijk in de vorm van wat wij tegenwoordig een homilie noemen, zou moeten geschieden. En dit is toch geenszins het geval. De bediening van het Woord kan, gelijk later zal betoogd worden, in het gewaad van een homilie gekleed zijn, maar in de regel is ver te verkiezen de vorm van de samenhangende rede, de o r a t i o. Ook kan als een bezwaar aangevoerd worden, dat in de naam niet genoeg uitkomt het ambtelijk karakter van de dienst des Woords. Koos men b.v keryktiek (doch geheel los van de interpretatie van Stier), dan ware in die Naam uitgesproken, dat de dienaar is een heraut, een praedicator, die in Naam van Christus, zijn Zender, het Woord verkondigt.

Tegen de naam keryktiek kan met Christlieb niet aangevoerd worden dat hij alleen zou kunnen gelden voor de theorie van de prediking onder de heidenen, daar het Nieuwe Testament (cf 2 Tim. 4 : 2) en de patres (cf Suicerus s.v.) zulk een exclu­sieve betekenis van ene .. niet kennen. Dit wordt in de Heilige Schrift meestal gebruikt voor de verkondiging van het Evangelie tot hen die het nog niet hebben gehoord, maar een algemeen regel is hier niet. De naam keryktiek is dus niet a priori te verwerpen. Omdat echter in de laatste jaren voor dit vak zowel bij theologen van links als van rechts en ook in Roomse handboeken de naam homiletiek vrijwel algemeen wordt gebruikt en tegen dezen naam geen overwegende bezwaren kunnen worden ingebracht, daar hij aan de Heilige Schrift is ontleend en het begrip der prediking op goede wijze naar een bepaalde zijde aanduidt, is er alle reden de naam homile­tiek te behouden.

En dat te meer, wijl onderscheiden andere benamingen met beslistheid afgewezen moeten worden. De door sommige oudere Gereformeerden gebruikte naam r h e t o r i c a e c c 1 e s i a s t i c a of s a c r a is af te keuren omdat bij deze terminologie de homiletiek als een species van het genus retorica wordt opgevat, en als gevolg daarvan het bijzondere van haar object ont­kend en haar theologisch karakter aangetast wordt. Wie aan de Goddelijke oorsprong van het ambt gelooft, doet aan zodanige secularisatie niet mee. Die secularisatie heeft doorgewerkt en is consequent toegepast door de rationalisten, die het speciale van de homiletiek hebben geloochend, de predi­king als een species van de algemeen menselijke oratio hebben opgevat en de homiletiek onder de naam van ambtelijke, kansel of geestelijke welsprekendheid hebben behandeld.


De door Sickel voorgeslagen naam h a 1 i e u t ie k (van .., Lukas 5: 10), theorie van de geestelijke visvangst, moge misschien passend zijn voor een zendingstheorie, voor de homiletiek is hij ongeschikt. In het woord visvangst ligt opgesloten, dat in de mensenzee het net van het Evan­gelie moet uitgeworpen worden, om vele vissen te vangen en hen die tot dusver geen discipelen van Jezus waren tot de Heiland te brengen.
Omdat het in de homiletiek gaat om de theorie van de bediening van het Woord in de gemeente van Christus en niet om de methode van Evangelieverkondi­ging onder de heidenen, is de naam halieutiek onbruikbaar. Deze nomenclatuur gaat van de veronderstelling uit dat principieel de grenslijn tussen kerk en wereld is uitgewist.

Hoewel tegen de benaming k e r y k t i e k (van .., praedicare) geen overwegende bezwaren bestaan, moet deze naam terzijde gesteld worden, om de onjuiste voorstelling die Stier van het wezen en het object van het .. geeft. Volgens hem kan de prediking zich alleen richten tot de na­tuurlijken mens of tot de christen, voor zover hij nog natuurlijk mens is. „Selbst, wo lauter wirkliche Kinder Got­tes ermahnt wurden, nach ihrem Wissen zu tun, oder getröstet mit der Ermunterung, ihres Glaubens zu leben, wird doch nicht eigentlich das Kind Gottes ermahnt oder getröstet; sondern die in ihm noch übrige Trägheit und Verzagtheit. Folglich ist der, welchem gepredigt wird, im Grun­de immer der natürliche Mensch in seiner Blindheit und Sündigkeit”. 3


Deze redenering miskent niet alleen het karakter der prediking in de gemeente des Heeren, maar zij heft zich zelf op door innerlijke tegenstrijdigheid. Immers, wat in de christen natuurlijk en zondig is, is juist onvatbaar voor het Woord van God en keert zich er van af. De prediking dient om het beginsel van de nieuwe mens te versterken, is voedsel voor het hart dat leeft. En wanneer iemand voor het eerst door middel van de prediking tot bekering komt, dan is het niet de onbekeerde mens die het Woord van God hoort, maar de in beginsel tot horen geschikt gemaakte mens. Het zaad valt dan in een akker die door de Heilige Geest is toebereid. Eerst wanneer de Heilige Geest het hart opent, kan men acht nemen op het Woord dat van Godswege gepredikt wordt. Naar de Schrift gaat het dus feitelijk anders dan Stier voorstelt. Zijn „biblische” Keryktik is op dit punt unbiblisch.

Christlieb kan zich met de naam homiletiek niet vereni­gen, omdat in het woord homilia een aanwijzing ligt, dat de prediker tot de gemeente spreekt als tot gelovige broederen. Hij erkent, zonder er doekjes om te winden, dat de toestanden in de evangelische gemeenten in Duitsland van dien aard zijn, dat de eerlijkheid gebiedt niet meer te veronderstellen, dat de gemeente uit gelovigen bestaat. In sommige gemeenten wordt ongeloof, indifferentisme, ja atheïsme gevonden. De prediker moet niet alleen de gemeente in het geloof bouwen, maar ook tot het geloof wekken. Und wenn beides nötig ist, müssen wir dann nicht einen P r e d i g t b e g r i f f postu­lieren, in dem auch beides enthalten ist, der also lieber die Enge des brüderlichen hinaus liegt?4


Het gewenste preekbegrip wordt verkregen, wanneer in aansluiting aan het getuigenis van de apostelen, Hand. i : 8, de prediking wordt opgevat als een (Grieks marturein) aangaande Christus. Daarin ligt ook voor de dienaar een vermaning om een levend getuige van Christus te zijn. Men kan de naam homiletiek wel behouden, als het vak maar opgevat wordt in de zin van „Martyretik”.
Het verdient toejuiching, dat Christlieb de werkelijkheid van zijn kerk niet heeft verbloemd en de toestanden beschreven zoals ze zijn. Maar daarmee zijn de bezwaren tegen de mar­tyretiek nog niet uit de weg geruimd.

Ten eerste is de me­thode van Christlieb te verwerpen, om de theorie pasklaar te maken voor een kerkelijke praxis die met de Heilige Schrift in strijd is. Hoe slapper dan het leven, des te ruimer, vager en onbelijnder de leer. Een tegengestelde weg ware beter geweest, nl. om vast te stellen, hoe naar Gods Woord de kerk moet ingericht worden, en dan methodisch met alle kracht aan te sturen op reformatie der kerk in belijdenis en leven. De prediktheorie naar Gods Woord opgebouwd, klopt alleen op een kerk, waar de tucht op leer en leven wordt uitgeoefend. Zulk een gezuiverde kerk blijft in deze bedeling, aangezien niemand over het hart kan oordelen, onvolmaakt. Ook in de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus op aarde zijn hypocrieten. Altijd is er in deze bedeling kaf onder het koren. Daarom mag in de prediking het waarschuwend ele­ment niet ontbreken. Dit doet niets af aan het feit, dat wij in een gemeente, waar de tucht naar Gods Woord wordt ge­handhaafd, te doen hebben met een gemeente die in haar geheel, als totaliteit, een gemeente van de Heere Jezus Christus is, een gemeente van geroepene heiligen. Zo leert ons de Heilige Schrift. De prediking richt zich tot broeders en zusters in de Heere, de verkondiging van Gods Woord heeft de opbouw der gemeente ten doel. Tussen homiletiek enerzijds en zendingstheorie en evangelistiek anderzijds moet terdege onderscheiden worden.


Ten tweede wordt met Christlieb erkend, dat de dienaar van het Evangelie een levend geloof moet bezitten. Dit is naar de Heilige Schrift onafwijsbare eis. Daarmee is echter de prediker nog geen martus van Christus en is de voorslag om dit theologisch vak martyretiek te noemen, nog niet te aanvaarden. Immers, gelijk Kuyper in zijn Encyclopedie terecht betoogt,5 mag men zich voor deze nomenclatuur niet op de Heilige Schrift beroepen. De apostelen waren in geheel eni­gen zin martures, omdat zij oor en ooggetuigen zijn geweest van hetgeen de Heere Jezus gesproken en gedaan heeft. Alleen van de twaalven geldt: Hand. 1 : 8. Het getuigenis der apostelen is de band, die ons aan Jezus bindt. Door hun woord geloven wij in Christus, Joh. 17 : 20. Door de gemeenschap met hen hebben we ge­meenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus, 1 Joh. 1 : 13. Het Schriftuurlijk begrip marturein, dat van de apostelen geldt, is op de dienaren van het Woord van thans niet toepasselijk. Laat men het Schriftuurlijk begrip los en vat men marturein meer in de algemeen betekenis op, dat een prediker getuigt van hetgeen hij zelf in zijn geestelijk leven heeft ervaren, dan is ook die opvatting niet geschikt, om de naam martyretiek aanbevelenswaardig te maken. De dienaren van het Woord moeten zeer zeker mensen zijn met een levend geloof, maar zij hebben niet tot taak op de kansel getuigenis af te leggen van hun innerlijk geestelijk leven. Allerminst mogen zij hun religieuze ervaring als stofbron voor de pre­diking gebruiken. Zij zijn dienaren van het Woord, zij ontvangen de opdracht h e t Woord v a n Ch r i s t u s uit te leggen en toe te passen voor de gemeente. Het persoonlijk getuigenis blijve op de kansel achterwege. Om deze redenen.

2. ENCYCLOPEDISCHE PLAATS VAN DE HOMILETIEK
J. Hoornbeek. Theologia practica. Utrecht 1663; P. R. E. XIX Art. Praktische Theologie; W. Faber, Art. Homiletik in System. Christliche Religion. Kultur der Gegenwart. Teil I Abt. IV, 2, Berlin 19o9; P. Althaus. Die Prinzipien der deut­schen reformierten Dogmatik im Zeitalter der aristotelischen Scholastik. Leipzig. 1914. pag. 26 seq.; Achelis. Prakt. Theol. I3, pag. 2; J. I. Doedes. Encyclopedie der Christel. Theologie. Utrecht. 1876. pag. 203 seq.; A. Kuyper. Encyclopedie2 II 585, III 468; P. Biesterveld. Het object der ambtelijke vakken. Wageningen. 1902; P. A. E. Sillevis Smitt. De betekenis van het Gereformeerde beginsel voor de ambtelijke vakken. Amsterdam. 1912; J. Waterink. Plaats en methode van de ambtelijke vakken. Zutfen, 1923; A. van Veldhuizen. Praktische Godgeleerdheid, deel IV van Pro Mi­nisterio. Groningen. 1923.

Door vele theologen wordt de homiletiek gerekend te be­horen tot de praktische theologie.

De naam praktische theologie komt reeds in de Scholastiek voor. Thomas Aquinas meent, dat de theologie zowel spe­culatief als praktisch is, maar voornamelijk speculatief. In zijn Summa Theologica (I qu I art. IV) antwoordt hij op de vraag, of de theologie een praktische wetenschap is: unde licet in scientiis philosophicis alia sit speculativa et alia prac­tica, sacra tarnen doctrina comprehendit sub se utramque; Bicut et Deus eadem scientia se cognoscit, et ea quae facit. Magis tamen est speculativa quam practica: quia principalius agit de rebus divinis quam de actibus humanis.

Duns Scotus daarentegen houdt de theologie geheel voor een cognitio practica. De filosofie is speculatief, theore­tisch, de theologie is zuiver praktisch. Zij is meer een prudentia dan een scientia. Ergo ex primo subjecto sequitur tam con­formitas quam prioritas theologiae ad volitionem, et ita extensio ad praxim a qua extensione cognitio dicenda sit prac­tica.6 Het kennen in de theologie is een kennen met een zuiver praktisch doel.7


Deze controverse tussen Thomas en Duns Scotus is onder de ogen gezien door de Geref. theologen, in het bijzonder de Nederlandse, van de zeventiende eeuw. Hoornbeek noemt een wetenschap theoretisch quae solum speculari docet et scire.8 Hij acht de wetenschap praktisch quae non illud solum, sed quoque agere docet. Nu is de theologia een praktische wetenschap, want theologia nusquam solummodo speculatur. Theo­logia Deum nosse jubet et amare simul. Daarom acht Hoornbeek het gevoelen van Duns Scotus juist, die de theologie een praktische wetenschap noemt. De theologia practica leert ons hoe wij naar de waarheid Gods ons leven moeten inrichten. Hoornbeek zegt, dat de Vaderen van Dordrecht terecht de noodzakelijkheid er van hebben ingezien, dat de studenten in de theologie moesten onderwezen worden in de praktijk der godzaligheid. Ad quam rem optandum esset, ut in collegiis et academiis, adolescentum animi theologia practica imbueren­tur et de variis conscientiarum casibus instruerentur (Acta Synode van Dordrecht, 18de sessie).
Hoornbeek bedoelt met zijn nadruk leggen op de theologia practica hetzelfde wat Calvijn in de Institutie (I, 12, I) zegt: Cognitio Dei non sita est in frigida speculatione, sed secum trahit cultum ipsius. Kennis Gods, in de diepen rijken zin der Heilige Schrift, draagt in zich een praktisch element, zij is zaak van hoofd en hart en hand tezamen.
Eenzelfde opvatting heeft de Synopsis. Deze zegt in Disput. I 23 en 24: Non ergo theoria et praxis sunt in theologia dif­ferentiae oppositae: sed conditiones inter se ad vitam aeternam consequendam consociatae, suoque ordine collocatae. Nec theologia in nuda et inani consistit speculatione, sed in scientia practica, voluntatem omnesque cordis affectus efficaciter mo vente ad Deum colendum ac proximum diligendum.9

De Danziger theoloog Keckermann houdt de theologie voor een praktische wetenschap, maar vat deze uitdrukking in zulk een eenzijdige betekenis op, dat het ken-element in de theo­logie te sterk teruggedrongen wordt. Hij verdeelt de wetenschappen in theoretische en praktische. De praktische of operatieve worden weer onderscheiden in prudentiae en artes. De theologie is een der prudentiae en wordt aldus omschreven: theologia est prudentia religiosa ad salutem perveniendi.10 Zij heeft ten doel aan het praktisch handelen richting te geven. In dezelfde lijn ging ten onzent Amesius, die de theologie een doctrina Deo vivendi noemde.11

Volgens Maccovius is de theologia partim theoretica, partim practica, hetwelk hij dan nader aldus omschrijft: Theoretica disciplina est cum aliquid cognoscimus, eo tantum fine ut cognoscamus; practica cum cognoscimus, ut agamus. In het eerste deel worden behandeld quae cognoscenda, in het tweede quae agenda sunt.12 De praktische theologie wordt dan vrijwel identisch met ethiek.
Voetius onderscheidt tussen theologia practica in ruimere en in engere zin. In ruimeren zin genomen theologia practica notare potest omnem theologiam quaecumque secun­dum sacras literas aut ex iis traditur sive in commentariis ad scripturam, sive in locis communibus, et catechesibus; quia omnis theologia viatorum suo genere est disciplina practica, nec potest ulla eius pars rite ac plene tractari quae non practice tractetur, hoc est, applicate ad praxin resipiscentiae, fidei, spei, caritatis; seu ad usum consolationis aut ad hortationis. Wordt de theologia practica opgevat in engeren zin, dan rekent Voetius tot haar r ethiek, 2 ascetiek, 3 politica ecclesiastica, waaronder hij ook liturgiek, catechetiek en homiletiek opneemt. Partiti sumus posteriorem partem theologiae (quam practicam appellamus) in tres sectiones, quarum prima continebat theolo­giam moralem et casuisticam .. Secunda a s c e t i c a m h.e. exercitia pietatis seu praxin devotionis ... tertia politicam ecclesiastica m, ad nostram litur­giam Belgicam, constitutiones ecclesiasticas, et tit. de clavibus regni toelorum... Ad tertiam hanc sectionem reducimus etiam theologiam, quam alii vocant propheticam, seu theolo­giam practicam concionatariam.

In de Exercitia noemt Voetjus de homiletiek als een zelfstandig deel der practica naast ethiek, ascetiek en politia ecclesiastica.13 Bij de latere Geref. theologen vinden wij de opvatting van Voetius, meer of minder genuanceerd, terug.14


Met Schleiermacher breekt voor de „praktische theologie” een nieuwe periode aan. Schleiermacher kwam in oppositie tegen de speculatieve theologie van het rationalisme der achttiende eeuw, hij zocht voor de theologie een positief object en vond dit in het empirisch gegeven van het leven der vroomheid in de kerk. Hij onderscheidt de Theologie in philosophische, historische en praktische theologie, en deze laatste heeft tot taak „die aus de Ereignissen der Kirche entstandenen Gemüts­bewegungen in die Ordnung einer besonnenen Tätigkeit zu bringen”.15

Zij richt zich op de werkzaamheden der kerkelijke gemeenschap niet alleen de ambtelijke, maar alle handelen dat het kerkelijk Gemeinwesen in zijn ontwikkeling bevordert. Wir brauchen also nicht de Umfang der praktischen Theo­logie zu beschranken auf das was in der eigentlichen Amts­führung des Geistlichen liegt; es wird alles hineingehören was ein H a n d e 1 n in der Kirche und für die Kirche ist, ein solches wofür sich Regeln darstellen lassen.16


Het doel der „prak­tische Theologie” is dienovereenkomstig alle werkzaamheden van de kerkelijke gemeenschap in samenhang te brengen en tot klaarheid en bezonnenheid te verheffen. Ze is een techniek om het kerkelijk handelen te schragen en tot ontwikkeling te brengen. Ze wordt ingedeeld in:

I der Kirchendienst,

II das Kirchenregiment.

Onder I wordt behandeld: ten eerste, de cultus (theorie van de liturgie, het gezang, het gebed en de religieuze rede), ten tweede, die Geschafte des Geistlichen ausserhalb des Kultus.

Nitzsch17 is van Schleiermacher uitgegaan en heeft de praktische theologie omschreven als de theorie van de kerkelijke uitoefening van het christendom. De kerk zelf wordt als subject van de werkzaamheden opgevat en het ambtelijk ka­rakter der Tatigkeiten kan dus niet tot zijn recht komen. Deze lijn is voortgezet door Achelis18 die uit de drie eigenschappen welke naar het Apostolicum het wezen der kerk karakteri­seren nl. Einheitlichkeit, Heiligkeit und Allgemeinheit een indelingsprincipe weet af te leiden voor de verschillende vakken, die bij de praktische theologie plegen ondergebracht te worden. Hem is de praktische Theologie die Lehre von der Selbstbetatigung der Kirche zu ihrer selbst Erbauung.19

Ook Von der Goltz20 sluit zich hier bij aan en definieert de praktische theologie als die Lehre von der geordneten Betatigung der christlichen Geistesgaben in de geschichtlichen Lebensformen Kirchlicher Organisation zur Hervorbringung und Fórderung christlicher Persbnlichkeiten und zum Aufbau des Reiches Gottes. Het nieuwe is bij hem het nadruk leggen op het charisma, en het tot ontwikkeling brengen van die in de kerk aanwezige geestesgaven, maar overigens treedt hij in Schleier­machers spoor.

Julius Boehmer21 vertoont weer een enigszins andere nuance, maar ook voor hem is de „praktische Theologie” die Lehre von der Tatigkeit der Kirche.
De lijn van Schleier­macher is in verste consequentie doorgetrokken door F. Nieber­gall,22 die positie kiest tegenover de pastoraaltheologie van de oude orthodoxie, welke uit een door Christus onmiddellijk ingesteld ambt de rechtvaardiging van de geestelijken arbeid trachtte af te leiden. Terecht is er volgens Niebergall oppositie gekomen door Schleiermacher, en in Nitzsch, die de kerk het „aktuose Subjekt” noemde, ziet Niebergall een grote vooruitgang.

De democratische geest wint het van de aristocrati­sche en de geestelijk-wereldse wint het van de supernatu­rale geest. De praktische theologie heeft niet tot object het ambt, ook niet de kerk en haar werkzaamheden, maar de ge­meente zelf, die tot een bepaald doel moet opgevoed worden.


In het eerste deel van zijn Praktische Theologie worden ideaal en werkelijkheid van de empirische gemeente beschreven als Grundlage der Gemeinde-erziehung, het tweede deel is gewijd aan die Arbeit der Gemeinde-erziehung.

De verschillende takken van werkzaamheid (prediking, liturgie, catechese, ziels­zorg) worden niet deductief uit één principe afgeleid, maar komen in behandeling omdat het gemeentelijk leven van thans ons deze aanbiedt. In het radicale empirisme van Niebergall, dat orthodoxe Schleiermacherianen schuwen, wreekt zich de principiële fout van Schleiermacher, die voor de theologie zijn standpunt nam in het leven der vroomheid, en het uit het object (de bijzondere openbaring Gods) verlegde in de religieuze werkzaamheden van het subject.


Wanneer we na dit kort historisch aperçu de vraag stellen of het aanbeveling verdient de homiletiek een plaats in de „praktische” theologie aan te wijzen, moet het antwoord ont­kennend luiden.

Als bezwaar is in de eerste plaats aan te voeren, dat het adjectivum „praktisch” verbonden met het substantivum „theologie” in zo verschillende betekenissen is gebruikt, dat het encyclopedisch inzicht niet verhelderd maar vertroebeld wordt.

De theologie is in haar geheel door Hoornbeek, Voetius e. a. praktisch genoemd om daarmee te kennen te geven, dat zij niet als mere speculativa slechts thuis hoort in de scholen der wetenschap en dient om verstandelijke kennis aan te kweken, maar dat de wetenschappelijke theologie toegepast kan en moet worden in het praktische leven der christenen.

Dit standpunt der Geref. Vaderen, Calvijn voorop, is juist. In se is de theolo­gie een scientia en uiteraard theoretica. Zij is wetenschappelijke kennis van God. Die kennis staat echter niet los naast het leven, maar vindt in de praxis hare toepassing. De kennis moet met het leven in rapport staan, het doordringen en leiden. Een leer die los naast het leven komt te staan, verstart en verdort. Dit geldt in bijzondere mate van de wetenschap der kennis Gods. Onderscheiden vakken van de theologie als dogmatiek en exegese kunnen voor de onderwijzing van de eenvoudigenen tot opbloei van de godsvrucht aangewend worden en zijn uit dit oogpunt praktisch van aard.

Wil men nu in het bijzonder homiletiek, catechetiek, poime­niek enz. „praktische” theologie noemen, omdat deze vakken bij uitstek geschikt zijn om in de praktijk van het christelijk leven toegepast te worden, dan is deze voorslag niet goed te keuren. Reeds om deze reden, wijl genoemde vakken theore­tisch van aard zijn, niet minder dan b.v dogmatiek en canoniek, en zij niet voor de praxis des geestelijken levens van zo grote waarde zijn als bij oppervlakkige beschouwing schijnt. De homiletiek geeft voor het Deo vivere minder dan de dogmatiek, en de exegese is voor de praxis misschien van meer waarde dan de poimeniek. Maar er is nog een ander bezwaar. Werden deze vakken als bijzonder geschikt voor toepassing in de praxis „praktisch” genoemd, dan zou in de nomenclatuur dezer vakken niet uitkomen wat het object van dit onderdeel der theologie is. „praktisch” duidt toch alleen aan een wijze van behandeling, de toepassing van de kennis op de levenspraktijk, maar zegt niets over het object dat in deze vakken moet onderzocht worden.

Het gevaar is blijkens de geschiedenis niet denkbeeldig, dat deze vakken, opgevat als „praktisch”, het wetenschappe­lijk karakter verliezen en uit de Encyclopedie der theologische wetenschap verdwijnen.23


Derhalve is onder deze gezichts­hoek de term „praktische” theologie als aanduiding voor de ambtelijke theologie niet aanbevelenswaardig. Wil men te ken­nen geven dat de vakken der theologie in het algemeen aanwendbaar zijn op de praxis en de theologie in het leven haar toepassing moet vinden, dan gebruike men hiervoor liever de naam theologia a p p l i c a ta of a p p l i c a t i v a, een naam die in meerdere of in mindere mate op alle vakken der theolo­gische wetenschap van toepassing is.

Evenmin verdient de term „praktische” theologie aanbe­veling, wanneer de opvatting wordt gehuldigd dat aan dit onderdeel der theologische wetenschap als object wordt toegewezen het handelen, n2daretr, overeenkomstig de Heilige Schrift, van de religieuzethische gemeenschap die kerk heet. Maccovius rekent tot de praktische theologie dat, wat, naar de Heilige Schrift, moet gedaan worden, de agenda.

Voetius beschouwt de praktische theologie in engere zin ook als de theorie van het handelen op het terrein der kerk en neemt diensvolgens onder deze groep naast ethiek en ascetiek ook de politica ecclesiastica, waarin homiletiek en liturgiek een plaats vinden, op. Dit standpunt is uit encyclopedisch oogpunt niet juist. Afgezien van het feit dat het kerkrecht niet op de aan dit vak toekomende plaats komt te staan, is de juxtapositie van ethiek en homiletiek logisch zeer aanvechtbaar. Het wordt zo voorgesteld, dat het bij ethiek en bij ambtelijke theologie beide gaat om een handelen, agere. Dit nu is wat de ambtelijke theo­logie betreft, niet juist, tenzij men haar weer wil degraderen tot een methodiek. De ambtelijke theologie, die in het wezen en de werking van het ambt doordringt, is meer dan methodeleer.

Terecht hebben sommigen als bezwaar tegen de Duitse homiletiek van de 17de eeuw ingebracht, dat ze geheel was vermethodiekt. Homiletiek is meer dan theorie van een handelen. Laten we evenwel deze instantie een ogenblik buiten beschouwing en stellen we ons op het standpunt dat het in de ambtelijke theologie om een handelen gaat, dan blijkt bij enig nadenken terstond dat zedelijk handelen en ambtelijk handelen niet naast elkaar op één lijn staan. Zedelijk en ambte­lijk zijn twee begrippen, die tot geheel verschillende gebieden behoren en bij verschillende categorieën ondergebracht moeten worden, zodat ze niet in een divisio naast elkaar geplaatst mogen. De juxtapositie van zedelijk en ambtelijk handelen is logisch vals. De begrippen kruisen elkaar. Een ambtelijke handeling kan een ethische of een niet-ethische handeling zijn, en een zedelijke handeling kan ambtelijk of niet-ambtelijk zijn. Het gaat niet aan, tenzij men zich aan verdoezeling van begrippen wil schuldig maken, de objecten van ethiek en homiletiek onder één hoofdbegrip te subsumeren. Hieruit volgt dat de constructie van theologia practica als theorie van een kerkelijk handelen is af te wijzen.

Het getuigt van verhelderd encyclopedisch inzicht, wanneer Prof. Dr. A. Kuyper de ethiek onder de thetische vakken van de dogmatalogische groep opneemt, het kerkrecht in de ecclesialogische groep een plaats aanwijst, en homiletiek, catechetiek, poimeniek, enz. bij een eigen, zelf­standige groep onderbrengt.
Van meer ingrijpende aard zijn echter de bezwaren die tegen de „praktische Theologie” van Schleiermacher en zijn nazaat zowel van de rechter als van de linkergeneratie, zijn aan te voeren. De Gereformeerden van de zeventiende eeuw gingen met hun theologia practica principieel zuiver, de kritiek geldt alleen het encyclopedisch standpunt en betreft de wijze van groepering der vakken. De bezwaren tegen de Schleier­macherianen raken het principe.

Ongetwijfeld heeft Schleiermacher betekenis voor de vakken die onder „praktische theologie” een plaats kregen. Hij is het geweest, die tegenover de bleke rationaliserende en morali­serende theologie der achttiende eeuw voor deze vakken een eigen object gezocht en een zelfstandige plaats in het organisme der theologie gevindiceerd heeft. Schleiermacher heeft nieuwe banen geopend en tot de beoefening van dit onderdeel der theo­logische wetenschap een krachtige stoot gegeven. Maar deze erkentenis mag ons niet weerhouden zijn principieel standpunt te veroordelen.

Voor Schleiermacher is de theologie niet meer de wetenschap die tot voorwerp van onderzoek heeft God, zoals Hij zich in Zijn Woord openbaart. Hij heeft de Heilige Schrift als principium cognoscendi der theologie losgelaten en het leven der vroom­heid, gelijk dat in de kerk tot uiting komt, daarvoor in de plaats geschoven. Theologie is de theologie niet meer. Haar object is een empirisch gegeven, n.l. het gemeenschapsleven der vroomheid, en alles, wat hij tot nadere bepaling van dit gegeven nodig heeft, ontleent hij aan de filosofie. In de praktische theologie wordt de kennis van het object niet aan de Heilige Schrift ontleend maar geput uit het kerkelijk handelen, zoals zich dat in de ervaring aan ons voordoet. Daarmede is het absoluut geldend karakter aan dit deel der theologische wetenschap ontnomen. Het radicaal empirisme van Niebergall en Schian is de consequentie van Schleiermacher. Hieruit volgt dat de bewering van Achelis24 onjuist is wanneer hij de opvatting van Voetius in nauwe relatie brengt met die van Schleiermacher.

Er is enige verwantschap. Zowel Voetius als Schleiermacher kiezen het (Grieks) prattein in de kerkelijke gemeenschap tot object van de theologia practica. Maar er is tussen beiden een principieel verschil.25


Voetius heeft voor de theologica practica de Heilige Schrift tot principium cognoscendi, de Schrift zegt welke de agenda zijn. Schleiermacher gaat uit van de empirische data n.l. kerkelijke werkzaamheden; zijn theologie, ook zijn ,praktische theologie, is door en door subjectivistisch. Met Schleier­macher heeft de „praktische theologie” niet een schrede vooruit maar achteruit gedaan en aan hem is 't te wijten, dat de ont­wikkeling dezer theologie in Duitsland gedurende de negentiende eeuw grotendeels in verkeerde banen is geleid.

Voorts moet als bezwaar tegen de Schleiermacheriaansche praktische theologie ingebracht worden dat, wanneer de werk­zaamheden der empirische godsdienstige gemeenschap tot object genomen worden, dit object te weinig begrensd is. Immers tot de werkzaamheden der kerkelijke gemeenschap zijn niet alleen te rekenen de ambtelijke werkzaamheden in predi­king, catechese, huisbezoek, enz. maar evenzeer de zedelijke werkzaamheden, die door de religieuze subjecten verricht worden. Het wezenlijk onderscheid tussen ethiek enerzijds en homiletiek, catechetiek, poimeniek, enz. anderzijds wordt hier uit het oog verloren en de encyclopedische fout van de zeventiende eeuw niet hersteld. Schleiermacher neemt, van zijn standpunt volkomen consequent, ook het niet-ambtelijke handelen in de praktische theologie op.

Alle handelen, dat bevorderlijk is aan de ontwikkeling der kerk, heeft hier een plaats. Schleiermacher bespreekt aan het slot van zijn Praktische Theologie zelfs die Tätigkeit des akademischen Lehrers en die schriftstellerische Tätigkeit. Op deze wijze zouden economie en sociologie ook tot de theologie kunnen behoren; maar daaruit blijkt dan tevens, dat het object der praktische theologie van zijn speciaal karakter is beroofd.
Hier komt nog bij, dat indien, gelijk de Schleiermacheri­aanse theologie doet, de kerk als subject van het handelen wordt aangemerkt, het specifiek ambtelijke van deze werk­zaamheden verloren gaat. Wijl naar de Heilige Schrift (2 Kor. 5 : 20, Ef. 4 : 11) het ambt functioneert niet namens de kerk, maar namens Christus, maakt de Schleiermacheriaanse theo­logie zich schuldig aan terzijdestelling van het koningschap van Christus en verzwakking van de autoriteit van het ambt.

Zo is dan, zowel om het onjuist encyclopedisch inzicht als terwille van het onzuivere principiële standpunt der Schleiermacheriaanse school, de benaming „praktische theo­logie” niet te handhaven.


Het verdient de voorkeur de vakken van de vierde groep te kwalificeren als ambte1ijke theologie en ze onder deze naam een plaats te geven in de Encyclopedie.

  • Dit brengt al aanstonds het voordeel met zich mede, dat we van allerlei misverstand dat de naam praktische theologie aankleeft zijn verlost en we b.v geen gevaar meer lopen de ethiek in de Encyclopedie te plaatsen, waar zij niet hoort.

  • Ten tweede wordt door deze benaming aangeduid, wat het object van deze vakken is, nl. het A m b t. Niet de werkzaamheid der kerk, niet het charisma, maar het ambt moet het object van de vakken der vierde groep zijn. Het ambt is het door Christus in het aanzijn geroepen instituut om Zijn gemeente te ver­gaderen, te bouwen en tot volle wasdom te brengen. Het staat om zijn supra-natureel karakter zelfstandig naast de ob­jecten van de drie andere groepen nl. Heilige Schrift, dogma en kerk, Wie voor de vakken der vierde groep de werkzaamheid der kerk tot object neemt, geeft daarmede het zelfstandig karakter en het eigen object prijs en moet er toe komen ze encyclopedisch bij de ecclesialogische groep onder dak te brengen. Nu het ambt object dezer vakken is, vormen ze een zelfstandige groep in de theologische wetenschap. De taak dezer vakken is het wezen, de oorsprong en de werking van het ambt te onderzoeken.

  • Ten derde wordt nu de Heilige Schrift ten volle als principium cognoscendi der theologie erkend. Wat het ambt is en hoe het functioneren moet, wordt uit de Heilige Schrift afgeleid. Het standpunt van Schleiermacher, bij wie deze vakken een empirisch karakter dragen, is hier principieel overwonnen.

  • En ten vierde verkrijgen we een indeling der vakken, die alle kunstmatigheid (een chronisch gebrek bij de Schleiermacherianen) mist en zich om haar natuurlijkheid en eenvoud aanbeveelt. De man die tot dit verhelderd encyclopedisch inzicht het meest heeft meegewerkt is Dr. A. Kuyper geweest. De verdienste, die hij voor de ambtelijke theologie ten opzichte van het encyclopedisch standpunt heeft, is zeer groot.

Na deze beschouwing ligt het antwoord op de vraag, welke plaats aan de homiletiek in het raam der ambtelijke theologie toekomt, voor de hand. Het ambt, zoals de Heilige Schrift het ons doet kennen, wordt onderscheiden in het algemeen en het bijzondere ambt. Ieder christen is drager van het algemeen ambt. Christus, de Gezalfde, is gezalfd als Hoofd van het lichaam, dat de gemeente is. Ieder lid van het lichaam van Christus heeft de zalving van de Heilige en draagt het drievoudig ambt van profeet, priester en koning. Voor deze drie ambten moeten in het raam der theologische wetenschap drie vakken komen, die de theorie van deze algemeen ambten beschrijven. Op dit terrein is echter weinig gearbeid. Er ligt nog een geheel veld braak. Het algemeen ambt is bezig zich krachtig te ontwikkelen, maar de theologische bezinning houdt hiermede geen gelijken tred.


Naast het algemeen ambt heeft Christus het bijzondere ambt ingesteld, hetwelk in de buitengewone periode van de fundatie der christelijke kerk een extraordinair karakter droeg, maar in de latere periode van de opbouw der kerk allengs gewoon werd. Het gewone ambt heeft zich reeds binnen de Nieuw Testamentische periode vertakt in drie stengels, n.l. het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt, d. i. het ambt van dienaar van het Woord (didaskalos), opziener (Épiskopos) en diaken (diakonos).26

Om deze ambten concentreren zich nu in de Encyclopedie drie groepen van vakken, nl. de didasca­lische, de episcopale en de diaconale.


De vakken die tot de didascalische groep behoren (en dit geldt evenzeer voor de episcopale en de diaconale) zijn niet logisch uit het begrip didaskalos afgeleid, maar bij de functionering van het ambt naar de principia der Heilige Schrift langza­merhand aan de dag gekomen. Deductie en inductie gaan hier samen. Toen het didascalische ambt zich naar de Heilige Schrift ontwikkelde, werden vijf functies openbaar, en mitsdien zijn de didascalische vakken vijf in getal.

De didaskalos heeft ten eerste het Woord van God te bedienen in de vergadering der gelovigen;

ten tweede behoort tot zijn ambt de onmondige leden der kerk te onderwijzen in de heilsleer en ze door catechese op te leiden tot membra completa der kerk;

ten derde is hij de aangewezen persoon om als liturg in de eredienst de leiding te hebben;

ten vierde is het de taak van het didascalisch ambt om het Woord van God uit te dragen in de heidenwereld;

ten vijfde is het de roeping van de didaskalos het Evangelie te brengen tot hen die in de christenlanden van het Woord des Heeren zijn vervreemd. Evangelisatie behoort tot de taak van de dienaar van het Woord.


De ontwikkeling van deze functies in de lijn der Heilige Schrift heeft er toe geleid, dat een vijftal vakken is ontstaan, die de theorie van het ambt van de didaskalos met zijn vijf stengels beschrijven, nl. homiletiek, catechetiek, liturgiek, zendingstheorie en evangelistiek.

De homiletiek is dus de eerste van de didascalische groep der ambtelijke vakken.




Download 2.06 Mb.

Share with your friends:
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page