Engels derde graad tso Boekhouden-Informatica handel Informaticabeheer



Download 0.51 Mb.
Page6/12
Date09.11.2016
Size0.51 Mb.
#1223
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

Leerinhouden

Om de leerplandoelstellingen te realiseren kan je een oordeelkundige keuze maken uit verschillende tekstsoorten en uiteenlopende onderwerpen. De opsomming die volgt is enkel oriënterend en niet exhaustief.

Invulformulieren en vragenlijsten

  • voorgedrukte formulieren voor inlichtingen;

  • deelnameformulieren voor een wedstrijd, een talenkamp;

  • aanvraagformulieren voor een verblijf, een uitwisseling;

  • formulieren voor persoonsgegevens;

  • enquêtes.

Mededelingen

  • berichten waarin je vermeldt dat je iets zoekt, iets wil ruilen;

  • notities bij boodschappen die je moet doorgeven;

  • afspraken;

  • huishoudelijke reglementen.

Brieven en e-mail

  • om te reageren op een aankondiging of een mededeling;

  • om iemand uit te nodigen of te antwoorden op een uitnodiging;

  • om inlichtingen in te winnen of een reservering vast te leggen;

  • om kaarten te bestellen;

  • om een probleem voor te leggen, raad te vragen of te geven;

  • om een afspraak te maken.

(U) Een verslag over een eigen ervaring, een situatie, een gebeurtenis.

  • Courante bedrijfscommunicatie

Beperkte zakelijke (elektronische) brieven

  • brief met vraag om inlichtingen, offerte, catalogus;

  • begeleidende brief bij het versturen van documentatie, factuur;

  • (U) rappel, klachtenbrief;

Mededelingen, boodschappen, berichten aan klanten en bezoekers

Boekhouden-informatica

Notities nemen tijdens een telefoongesprek; namen, adressen, technische letterwoorden, Engelse cijfers correct noteren; overzichtelijk noteren van korte nuttige informatie uit een rapport, …





Handel

Notities nemen tijdens een telefoongesprek; namen, adressen, technische letterwoorden, Engelse cijfers noteren; overzichtelijk noteren van korte nuttige informatie uit een rapport, …


Courante bedrijfscorrespondentie voeren door standaardteksten aan te passen en boodschappen en klachten die rechtstreeks of telefonisch geformuleerd worden, te noteren.



Informaticabeheer

Notities nemen tijdens een telefoongesprek; namen, adressen, technische letterwoorden, Engelse cijfers noteren; overzichtelijk noteren van korte nuttige informatie uit een rapport, …



        1. Pedagogisch-didactische wenken

3.1.5.3.1 Hoe pakken we een schrijfopdracht aan?

De schrijfopdrachten in het TSO zijn op de eerste plaats functioneel: een brief, een e-mail, een formulier, een mededeling.

Drie fasen zijn belangrijk:


  1. Het voorbereiden van de schrijftaak. Het schrijven bouwen we geleidelijk op:

  • vertrekken van een model en daarvan een analyse maken

  • invullen van model met gaten of op basis van een stramien (framework)

  • zelfstandige productie op basis van een context.

In functie van het eigenlijke schrijven stellen de leerlingen zich twee vragen:

  • wat is de bedoeling van de tekst en

  • voor wie schrijf ik deze tekst?

Het antwoord op deze twee vragen is beslissend voor het taalregister en schept een context die het makkelijker maakt de inhoud te bepalen en te structureren.

    1. Bij het schrijven zelf concentreren de leerlingen zich vooral op het helder overbrengen van de informatie, op het uitdrukken van hun ideeën.

    2. Feedback en opnieuw schrijven: de leerlingen herschrijven de tekst op basis van opmerkingen van de leerkracht, van medeleerlingen, of op basis van hun eigen kritische evaluatie aan de hand van een checklist van punten waaraan het schrijfproduct moet beantwoorden.

3.1.5.3.2 Welke varianten kunnen deze functionele schrijfopdrachten aannemen?

      1. Hertaalactiviteiten:

Vertalen veronderstelt een grote mate van taalbeheersing. Van leerlingen kunnen we die beheersing niet echt verwachten. Bovendien wordt de leerling precies door de confrontatie met de moedertaal vaak op een dwaalspoor gezet. Vertaalopdrachten vermijden we dus best. Zinvoller is het de leerlingen te vragen een in het Nederlands geformuleerde boodschap in het Engels te verwoorden, in een situationele en communicatieve context. Daarbij gaat het om de weergave van de boodschap. Eén beoogde formulering in het Engels kan geen correctiesleutel zijn omdat het een open opdracht is. Het gaat ook niet om een letterlijke omzetting in het Engels. De taak mag geen opeenstapeling van moeilijkheden bevatten.

Maar er zijn ook de hertaaloefeningen. Oefeningen ter ondersteuning van de spreek- en schrijfvaardigheid: hertalen betekent hier dat leerlingen een tekst omzetten van het ene register naar het andere of van de ene tekstsoort naar de andere.

Enkele voorbeelden:


  • een formele brief om toeristische informatie in te winnen hertalen naar een informele brief aan een vriend;

  • een telefoongesprekje omzetten in een memo, waarbij de leerlingen eventueel kunnen beschikken over de transcriptie van het gesprek;

  • een langere krantentekst herschrijven tot een mededeling of een oproep, bv. naar aanleiding van een artikel over weekendongevallen;

  • een dialoog omzetten tot een verslag.

        1. Opdrachten n.a.v. een literaire tekst:

Literaire teksten (een kortverhaal, een anekdote, een lied) bieden kansen tot schitterende schrijfopdrachten met oog voor de eindtermen. Enkele voorbeelden ter illustratie:

  • een brief naar een van de personages waarin verwondering of ongenoegen, enz. over de gang van zaken wordt uitgedrukt;

  • een opsporingsbericht naar een van de personages;

  • een aangifteformulier van een verloren voorwerp uit het boek.

  1. Uitbreiding:

  • Samenvattingen:
    Ze sluiten aan bij het structureren van gelezen teksten. Structuurschema’s van teksten met een informatief karakter kunnen bv. verwoord worden in gebonden teksten, met aandacht voor de structuurmarkeerders. Bij verhalende teksten kan je de wh-questions als uitgangspunt nemen.

  • Verslagen/rapporten:
    De leerlingen schrijven eenvoudig verslag of rapport bv. rapport uitbrengen van de aanpassingen voor een bepaald programma; bv. een verslag met de conclusies n.a.v. een werkbezoek.

  • PowerPoint-presentaties:
    PowerPoint-presentaties zijn feitelijk oefeningen bij uitstek in kernachtig formuleren en structureren.

3.1.5.3.3 Welke leeractiviteiten ondersteunen deelaspecten van schrijfvaardigheid?

Dictees, in- of aanvuloefeningen en formuleringsoefeningen kunnen ondersteunend zijn voor het leerproces, maar ze zijn geen eigenlijke schrijfopdrachten.



Het dictee kan verschillende vormen aannemen, onder meer 18:

  • het voorbereide dictee: de leraar overloopt de modeltekst samen met de leerlingen en wijst op spellingsproblemen. Een leerling die veel schrijffouten maakt, heeft vaak niet goed leren kijken en leest ongeconcentreerd over de moeilijkheden heen.

  • het invuldictee: het gaat hier om een gerichte schrijfoefening; je kunt de aandacht toespitsen op moeilijke woorden (bv. dubbele medeklinkers, accenten) of op morfologische aspecten (bv. full/beautiful).

In- of aanvuloefeningen: vooral de Cloze oefening waarin systematisch ‘gaps’ (bijv. elk zevende woord) of gerichte ‘gaps’ bv. alle topicspecifieke woorden of alle werkwoorden, worden weggelaten.

Formuleringsoefeningen: dit soort oefeningen gaat van het samenvoegen van afzonderlijke woorden tot correcte zinnen tot oefeningen waarbij de aandacht uitgaat naar het logisch structureren van zinnen d.m.v. de juiste verbindingswoorden (connectors).

3.1.5.3.4 Hoe functioneel is inschakeling van ICT voor schrijfonderwijs?

In de leerplandoelstellingen is het gebruik van ICT uitdrukkelijk opgenomen.

Een tekstverwerkingsprogramma kan schrijfoefeningen sterk ondersteunen: teksten verkorten, kleuren, corrigeren, schema’s aankleden, ...

E-mail, discussiefora en chatten hebben ook voor het Engels hun eigen variatie aan schrijfconventies en schrijfregisters, waarmee we leerlingen vertrouwd maken. Uitgebreidere correspondentie met Engelstalige leerlingen via een uitwisselingsproject e.d. is warm aanbevolen.

Elektronische bronnen (synoniemenwoordenboeken, thesaura, voorbeeldteksten rond een schrijfthema) zijn beslist ook nuttig.

3.1.5.3.5 Wat is een goede schrijfopdracht?

Een goede schrijfopdracht vertrekt vanuit een bepaalde situatie, vermeldt een doelpubliek en is expliciet in zake de verwachtingen qua lengte, gebruik van signaalwoorden, enz. Een schrijfopdracht is ook verbonden met andere communicatieve vaardigheden. Je schrijft immers nooit zomaar.


Enkele voorbeelden:

  • Naar aanleiding van een tekst over verkeersveiligheid schrijft de leerling naar de burgemeester om gevaarlijke punten onderweg naar school aan te kaarten.

  • Naar aanleiding van een tekst over Halloween schrijf je als (zogezegde) jeugdleider een brief naar de ouders om een Halloweenactiviteit aan te kondigen en een aantal veiligheidsmaatregelen waarvoor je oog hebt, uit te leggen.

  • Naar aanleiding van het lezen van een bijsluiter herschrijft de leerling de 10 belangrijkste tips voor een publiek van tieners.

Het doelpubliek en de situatie bepalen immers de inhoud, de stijl, het register.

    1. De interculturele component

      1. Doelstellingen

INT1 De leerplandoelstellingen voor de interculturele component situeren zich op het vlak van de functionele kennis bij luisteren, lezen, spreken en schrijven (ET 5, ET 12, ET 23, ET 31). Om luister-, lees-, schrijf-, en spreekopdrachten efficiënt uit te voeren moeten leerlingen immers hun kennis van de socio-culturele diversiteit binnen de Engelstalige gemeenschap inzetten. Hoe meer wij weten over de wereld van de andere, hoe beter we een boodschap zullen begrijpen. Naarmate we meer weten over de wereld van de andere, zullen er minder communicatiestoornissen optreden.

INT2 Daarnaast situeren een aantal leerplandoelstellingen voor de interculturele component zich eveneens op het vlak van de affectieve doelstellingen bij luisteren, lezen (ET 9*, ET 16*). Van de leerlingen wordt verwacht dat ze zich inleven in de socio-culturele wereld van de spreker/schrijver. Dit veronderstelt ook een zekere nieuwsgierigheid, openheid en tolerantie voor het anders-zijn van anderen.

De leerdoelen in verband met attitude houden in dat de leerlingen:



  • belangstelling hebben voor mensen, leefgewoonten en cultuur;

  • aandacht hebben voor verschillen en (onderliggende) gelijkenissen met hun eigen leefgewoonten en gevoeligheden. Bij gelegenheid worden ze attent gemaakt op achterliggende oorzaken of motieven. Zo leren ze stereotiepe of onterecht generaliserende opvattingen doorprikken. Ze zijn bereid hun eigen leefsituatie en de daarmee gepaard gaande vooroordelen kritisch te bekijken;

  • een gezond kritische houding leren ontwikkelen ten opzichte van elke zogenaamd objectieve of eenzijdige presentatie van informatie;

  • een attitude ontwikkelen tot interculturele openheid, inleving en nieuwsgierigheid naar de cultuur van de andere.

      1. Leerinhouden

In het algemeen kan je stellen dat je, naarmate je meer weer weet van de cultuur, de gewoonten en gebruiken, de situatie in een land, je ook efficiënter zult kunnen communiceren met zijn bewoners.

Engels is de lingua franca bij uitstek: de internationale taal die gebruikt wordt in professionele en niet-professionele contacten over de hele wereld; de taal die ons toegang verschaft tot landen waarvan we de taal niet spreken. Via het Engels kunnen we dus gemakkelijk aspecten van andere culturen verkennen. Interculturele competentie is dus niet beperkt tot het Verenigd Koninkrijk, zelfs niet tot die gebieden waar Engels wordt gesproken (de vroegere Britse kolonies, Canada, de Verenigde Staten van Amerika en Australië).



Interculturele competentie omvat het weten over en het openstaan voor aspecten van andere culturen en landen tout court.

De volgende mogelijkheden die ook al in de tweede graad werden vermeld, kunnen ook in de derde graad aan bod komen, voor de UK, USA, Canada, Australië, en exemplarisch ook voor landen met Engels als tweede taal (bv. Indië, Nigeria, Zuid-Afrika,...):

  • aspecten van het dagelijks leven: eten en drinken, feesten en werken, ontspanning;

  • levensomstandigheden: levensstandaard, wonen, welvaart;

  • sociale relaties en conventies: klassenstructuur, familie, sekse, generaties, werk, rassen, politieke en religieuze groepen;

  • levenswaarden, geloof, attitudes, regionale culturen, instellingen, tradities, geschiedenis, rituelen, kunst, godsdienst, minderheden;

  • lichaamstaal.

Afspraken met het oog op het voorkomen van overlappingen tussen de tweede en de derde graad zijn daarbij uiteraard nodig.

Concreet voor luistervaardigheid betekent dit ook dat de leerlingen weet hebben van de verschillende standaardvarianten van het wereldwijd verspreide Engels als moedertaal (Brits, Amerikaans, Canadees, Australisch, enz.) en dat ze daar leren mee omgaan. Ze moeten ook kennismaken (luisterervaring opdoen) met Engels als lingua franca, gesproken door non-native speakers met een vlotte taalbeheersing.

Concreet voor leesvaardigheid betekent dit dat de leerlingen een bepaald spellingsbeeld herkennen als bv. Amerikaans Engels en Brits Engels.

Het houdt ook in dat leerlingen in hun eigen spreek- en schrijfproducten vermijden om bv. accenten te vermengen.

Daarbij wordt leerlingen ook geleerd op hun hoede te zijn voor verschillende verwijzingen en connotaties die woorden kunnen hebben. Bv. “a university” in de U.K. verwijst naar een ander type instelling dan in Vlaanderen. Of “a flat” in de U.K roept andere connotaties op dan in Vlaanderen. Hetzelfde geldt voor bv. “Catholic school” of “public school”. Zo beseffen zij ook het belang van een zekere mate van political correctness wat betreft benamingen, bv. a negro versus a nigger versus an Afro-American. Of van bepaalde gevoeligheden die in deze landen een rol kunnen spelen, bv. Schotland en Engeland; of de aboriginals in Australië.

De leerlingen hebben ook weet van de rol van cultuurverschillen bij het zaken doen en onderhandelen. Zo zullen de Japanners nooit nee zeggen, discussiëren Fransen niet over zaken tijdens het etentje, speelt hiërarchie een grotere rol bij Britten dan bij Denen. Voorbeelden te over.

Daarnaast streven we niet alleen kennis van allerlei wetenswaardigheden, maar ook een houding van respect en openheid na: een proces waarin men groeit in het openstaan voor andere culturen, waarbij men de eigen gewoonten en gebruiken niet als alleenzaligmakend erkent. Ten slotte is het de bedoeling dat ook het besef dat communicatieproblemen kunnen ontstaan door verschillen in cultuur en gewoonten, groeit.

Boekhouden-informatica, Handel, Informaticabeheer

In deze studierichtingen verdient het aspect intercultureel handeldrijven de nodige aandacht: je moet de cultuur van de handelspartner kennen om er succesvol zaken mee te doen.

In deze context loont het voor deze richtingen zeker de moeite stil te staan bij de problematiek van globalisering, anti- en andersglobalisme, privatisering of hoe het reilen en zeilen in een land onlosmakelijk verbonden is met een breder wereldgebeuren. Ook de problematiek van het ethisch handel drijven vindt hier een plaats.


      1. Pedagogisch-didactische wenken

Het is niet de bedoeling dat elementen van de interculturele component onderwerp worden van systematische lessen, maar wel dat ze aan bod komen in gesprekken naar aanleiding van lees- en luisterteksten. Authentiek materiaal, d.w.z. muziek, artikels uit kranten en tijdschriften, info op het internet, tv-programma’s, videoclips, enz. levert ons telkens nieuwe mogelijkheden om aspecten van de interculturele component te verkennen.

Onder meer de volgende BBC websites bieden hier alleszins waardevol materiaal:

http://www.bbc.co.uk/schools/gcsebitesize/

http://www.bbc.co.uk/whatson/

http://news.bbc.co.uk/1/programmes/working_lunch/default.stm

http://news.bbc.co.uk/1/hi/programmes/working_lunch/education/2868121.stm



    1. De ondersteunende/functionele vaardigheden

      1. Woordenschat

        1. Doelstellingen

De doelstellingen voor de functionele of ondersteunende vaardigheid, woordenschat, worden geformuleerd in de eindtermen voor de communicatieve vaardigheden. Dit houdt in dat woordenschat duidelijk functioneel moet zijn: de woordkennis van de leerlingen staat ten dienste van het zo correct en efficiënt mogelijk uitvoeren van lees- en luister-, spreek- en schrijftaken (ET 5, 12, 23 en 31). Deze doelstelling maakt dus duidelijk dat niet enkel kennis van woorden wordt gevraagd/ingeoefend, maar wel het concrete gebruik van woorden in allerlei communicatieve situaties.

Daarnaast moeten leerlingen communicatiestrategieën aanwenden bij het uitvoeren van de verschillende communicatieve taken. Dit houdt in dat ze weten hoe ze nieuwe woorden kunnen begrijpen en zelf gebruiken met behulp van verschillende strategieën. Zo leren ze dat ze de betekenissen van woorden uit de context kunnen afleiden. Ze leren ook dat ze betekenis kunnen afleiden via kennis van woordvormingsregels. Ze leren woordenboeken en digitale hulpbronnen gebruiken. (ET 8, 15, 6, 34)



        1. Leerinhouden

Een lijst met te kennen woorden, receptief of productief, wordt niet opgelegd. De lexicale leerinhouden zullen bepaald worden door de thema’s waarrond gewerkt wordt. Sommige teksten zullen daarbij bepaalde woordenschat genereren en dan is het de taak van de leerkracht om zorgvuldig te waken over productieve en receptieve woordenschat. Daarnaast zal er binnen de thema’s regelmatig woordenschat uit bepaalde woordvelden aangebracht en in geoefend worden om efficiënt te communiceren binnen die thema’s.

Op het einde van de tweede graad zijn een 1000-tal woorden, collocaties en uitdrukkingen goed ingeoefend. Deze zouden dus vlot ter beschikking van de leerling moeten staan. Daarnaast zijn er een 500-tal woorden en uitdrukkingen die evenzeer basiskennis zijn, maar wellicht onvoldoende beheerst worden om als verworven te worden beschouwd. Op het einde van de derde graad zouden leerlingen moeten beschikken over een 2000-tal 19 woorden. Het gaat hier om een algemene, niet-professionele woordenschat.

Daarnaast komt ook vakspecifieke woordenschat aan bod. Uitgangspunt van de kern van dit leerplan is echter dat we Engels leren in een technische context, vooraleer we ons expliciet richten op technische woordenschat. Het zijn bovendien vaak juist de ‘technische’ woorden die voor iemand die met het vakgebied vertrouwd is, het gemakkelijkst uit een goede context kunnen worden afgeleid. Het is dus niet de bedoeling om de leerlingen te confronteren met lijsten vakterminologie. Maar wel om hen via het aanbieden van tekst vertrouwd maken met bepaalde richtingspecifieke woordenschat zodat zij hun weg vinden in vakspecifiek materiaal dat zij later onder ogen krijgen.

bv:
Een niet-exhaustieve lijst van mogelijke semantische velden:



  • semantische velden die te maken hebben met

  • de werkomstandigheden, veiligheid en inrichting van de werkplaats;

  • omgang met de handelaar, de klant, vaststellen van fouten, kwaliteitscontrole, planning van de arbeid;

  • kostenbestrijding, verkoopsvoorwaarden;

  • semantische velden in verband met de kritische zin: bepalen van oorzaak en gevolg, problemen stellen en oplossen, concluderen,

  • woordvormen: de betekenis voor de techniek van bepaalde prefixen en suffixen. Prefixen en suffixen hebben vaak semantische belang in technische leesteksten. De leerling kan gemakkelijker iets begrijpen door oog te hebben voor dergelijke grafemen. Prefixen geven negatieve en positieve aanduidingen, wijzen op grootte, plaats, tijd, volgorde en getal.

Voorbeelden van vakspecifieke woordenschat:

Boekhouden-informatica

Basiswoordenschat i.v.m. boekhouding en de bedrijfswereld. Bv.:

Debit, deficit, liability, revenues, benefit role, double-entry bookkeeping, budgetary control, financial statement, audit report, creditor, share, stockmarket, data processing, optional, a credit note, a debit note, terms of payment, undercharged…




Handel

Basiswoordenschat i.v.m. soorten bedrijven en processen.

Bv. Ltd companies, liability, share, franchise, an account, natural resources, an enterprise scheme, a stock broker, production controller, a plant, a manufacturing company, a blue-chip company, terms of employment, to retail, to disseminate…..


Download 0.51 Mb.

Share with your friends:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page