Engels derde graad tso Boekhouden-Informatica handel Informaticabeheer



Download 0.51 Mb.
Page11/12
Date09.11.2016
Size0.51 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

REA-DICKENS, P., GERMAINE, K., Evaluation, Oxford University Press, Oxford, 1992, 175 blz.

Een boek voor zelfstudie. Het hele brede kader van evaluatie in het taalonderwijs: van taalgedrag van de leerling (procesgericht, productgericht), lesmateriaal (woordenboeken, schoolboeken, leerplan), methodes, leraargedrag.



UNDERHILL, N., Testing Spoken Language. A handbook of oral testing techniques, Cambridge University Press, Cambridge, 1987, 117 blz.

Na een uiterst zinnige (korte) inleiding, volgt het boekje de (chrono)logische orde van het werkschema bij het ontwerpen van (in dit geval mondelinge) toetsen (per hoofdstuk): formuleer doel van de lessen, leerbehoefte en verwachtingen van de leerling (1), kies het gewenste algemene type van toets (2), kies de meest geschikte toetstechniek (3), bepaal je scoresysteem (4) en (ev. achteraf) controleer of de toets goed getoetst heeft (5). Telkens geeft de auteur commentaar, voorbeelden en praktische tips. In zijn geheel wellicht meer voor de 'grotere' mondelinge toetsen, maar ook bij lectuur 'stukje voor stukje' een bron van inspiratie voor het dagelijkse klasgebeuren.



VAN PETEGEM, P., VANHOOF, J., Evaluatie op de testbank – Een handboek voor het ontwikkelen van alternatieve evaluatievormen, Wolters Plantyn – UA – Edubron, 2002 Didier.

VAN THIENEN, K., SCHOLLAERT, R., Gewikt en gewogen, (Syllabus Serie nr 3), Leuven,Garant, 2000, 207 blz.

Vanuit een theoretisch kader worden een aantal instrumenten aangereikt om toetsen te beoordelen en te maken. Alle ervaring van het ECCELLENTT-project bij elkaar gebracht.



    1. Zelfstandig leren

BRANDT, W., PETEGEM van, P., Begeleid zelfstandig leren, Mechelen, Wolters-Plantyn, 2003. aflevering 1: 108 blz.

DELLER, S., Lessons from the learner. London: Longman, 1990.

Een schatkist aan ideeën om de leerlingen actiever als mede-organisatoren van hun eigen leren bij de Engelse lessen te betrekken.



ELLIS, G., SINCLAIR, B., Learning to Learn English. A course in learner training, Cambridge University Press, Cambridge, 1989 (met Teacher's Book en Cassette), 118 blz.

Een systematische gids, en een collectie activiteiten, om met de leerlingen over hun leeractiviteit, hun leerproces, hun leermoeilijkheden met Engels te werken, op weg naar zelfstandig leren: leren leren, specifiek voor het vak Engels.



ERREY, L., SCHOLLAERT, R., (Eds), Whose learning is it anyway. Developing learner autonomy through task-based language learning, Garant, 2003.

FRIED-BOOTH, D., Project Work, Resource Book for Teachers, Oxford University Press, Oxford, 2002, 96 blz.

SCHOLLAERT, R., (Ed), Disclosing the treasure within. Towards schools as learning communities (Syllabus serie nr. 9) Antwerpen, Garant, 2003, 299 blz.

  1. Eindtermen

Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs (bv. de tweede graad van het Technisch Secundair Onderwijs). Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie.

Vakgebonden eindtermen moderne vreemde talen Frans-Engels derde graad TSO



    1. Luisteren







De leerlingen kunnen

1




het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen en relevante informatie selecteren in niet al te complexe mededelingen, waarschuwingen, publieke aankondigingen en instructies.

2




het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, relevante informatie selecteren, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in niet al te complexe, door beeldmateriaal ondersteunde:







  • informatieve teksten zoals een tv-nieuwsitem

  • prescriptieve teksten zoals een gebruiks- en plaatsingsvoorschrift, een reclameboodschap

  • narratieve teksten zoals een reportage, een film- en feuilletonfragment

3




het globale onderwerp bepalen en een spontane mening/appreciatie vormen bij eenvoudige, door tekst- of beeldmateriaal ondersteunde artistiek-literaire teksten.

4




begrijpen wat een gesprekspartner aanbrengt om een niet al te complex rechtstreeks gesprek en een eenvoudig telefoongesprek te kunnen voeren.







De teksten m.b.t. de eindtermen 1-4:







  • hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard

  • geven redundante informatie en zijn vrij concreet

  • worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd

  • vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal







De leerlingen kunnen

5




de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak:







  • m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies

  • m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen

  • m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld

6




bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen:







  • relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden

  • hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden

  • het luisterdoel bepalen

  • zich niet laten afleiden als ze in een klankstroom niet alles begrijpen

7




reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze:







  • vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen

  • vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag

  • conclusies kunnen trekken i.v.m. de bedoelingen en emoties van de schrijver

8




communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze:







  • zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent

  • gebruik maken van beeldmateriaal, context, redundantie

  • vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen







Attitudes

9*




De leerlingen zijn bereid:







  • belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt

  • grondig en onbevooroordeeld te luisteren

  • luisterconventies te respecteren

  • zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de spreker

  • zich open te stellen voor esthetische beleving

    1. Lezen







De leerlingen kunnen

10




het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren en de tekststructuur en -samenhang herkennen bij:







niet al te complexe informatieve teksten zoals een diagram, een grafiek, een statistiek, een nota, een krantenbericht, een jobadvertentie, een brief, een e-mail, een hypertekst

niet al te complexe prescriptieve teksten zoals een handleiding, een gebruiksaanwijzing, een veiligheidsvoorschrift, een instructie

niet al te complexe narratieve teksten zoals een (reis)verhaal

eenvoudige argumentatieve teksten zoals een lezersbrief, een recensie uit een jongerentijdschrift



11




het globale onderwerp bepalen,hoofdgedachte achterhalen en een spontane mening vormen bij zeer eenvoudige artistieke literaire teksten zoals een gedicht, een stripverhaal, een kortverhaal.







De teksten m.b.t. eindterm 10 en 11:







  • hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard

  • zijn over het algemeen relatief kort

  • zijn over het algemeen vrij concreet, geven redundante informatie en bevatten weinig impliciete informatie







De leerlingen kunnen

12




de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak:







  • m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies

  • m.b.t. spelling en interpunctie;

  • m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld

13




bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen:







  • relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden

  • hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden

  • het leesdoel bepalen

  • de tekstsoort herkennen

  • de lay-out interpreteren (b.v. subtitels)

  • zich niet laten afleiden als ze in een tekst niet alles begrijpen

  • belangrijke informatie aanduiden

  • hypothesen opbouwen over de inhoud of bedoeling van de tekst

14




reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze:







  • het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten

  • weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik)

  • elementen van tekstopbouw kunnen aanduiden

15




communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze:







  • de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context

  • zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen

  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's)







Attitudes

16*




De leerlingen zijn bereid:







  • onbevooroordeeld te lezen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen

  • zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de schrijver

  • te reflecteren op hun eigen leesgedrag

  • zich open te stellen voor esthetische beleving

    1. Spreken/gesprekken voeren







De leerlingen kunnen

17




informatie geven en vragen en een spontane mening geven over onderwerpen die tot hun interessesfeer behoren.

18




informatie geven en vragen bij documenten zoals een afbeelding, een formulier, een gebruiksaanwijzing, een ontwerp, een prijsofferte.

19




een spontane mening/appreciatie geven over beluisterde of gelezen teksten.

20




een korte beschrijving geven van een handeling, een gebeurtenis of een ervaring.

21




een niet al te complexe rechtstreekse conversatie voeren.

22




een eenvoudig telefoongesprek voeren.







De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 17-22:







  • hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke vertrouwde werksituaties

  • zijn eenvoudig geformuleerd en gebracht in een spreektempo dat de verstaanbaarheid niet in het gedrang brengt

  • leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid







De leerlingen kunnen

23




de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak:







  • m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies

  • m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen

  • m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld

24




bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen:







  • relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten

  • hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden

  • informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken

  • bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren

25




reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze:







  • vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen

  • vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag

26




communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze:







  • gebruik maken van non-verbaal gedrag

  • zeggen dat ze iets niet begrijpen, vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen

  • zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben

  • navragen bij de gesprekspartner of hun formulering correct is







Attitudes

27*




De leerlingen zijn bereid:







  • actief te luisteren om tot goed spreken te komen

  • het woord te nemen en actief deel te nemen aan een gesprek

    1. Schrijven







De leerlingen kunnen

28




formulieren en vragenlijsten invullen.

29




een mededeling schrijven.

30




een formele en een informele brief en een e-mail schrijven.







De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 28-30:







  • hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke werksituaties

  • zijn over het algemeen vrij kort en eenvoudig geformuleerd

  • vertonen een zekere vormcorrectheid bij voorspelbaar taalgebruik (standaardformules) maar zijn bij eigen formuleringen meer gericht op de doeltreffendheid dan op vormcorrectheid







De leerlingen kunnen

31




de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak:







  • m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies

  • m.b.t. spelling en interpunctie

  • m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld

32




bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen:







  • relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten

  • hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden

  • informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken

  • rekening houden met het doelpubliek

  • passende lay-out gebruiken

33




reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze:







  • weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal

  • de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen

  • vertrouwd zijn met de opbouw van een geschreven tekst

34




communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze:







  • zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen

  • bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT

  • gebruik maken van een model







Attitudes

35*




De leerlingen zijn bereid







  • hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en van fouten te leren

  • zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten

  • desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken

  • hun belangrijke teksten te laten nakijken door iemand die de Franse/Engelse taal beheerst

* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.





1 Zie verder bij 1.2 voor een overzicht van het termen- en begrippenkader dat de eindtermen hanteren. We brengen het er kort en ter informatie in herinnering.


2 Eindtermen gebruiken deze categorieën in een onvermijdelijke vaagheid. De vakgroep kan ze ijken voor de dagelijkse praktijk door te overleggen aan de hand van zeer concrete voorbeelden, vooral bij het toetsen.

3 Wat schuin en vetjes gedrukt staat is nieuw in vergelijking met de tweede graad.

4 Tussen de haakjes verwijzen we naar de eindtermen. Achteraan in het leerplan vind je een opsomming van alle leerlingen eindtermen Moderne Vreemde Talen derde graad KSO/TSO.

5

Download 0.51 Mb.

Share with your friends:
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page