De mythe van het joodse kannibalisme



Download 165.19 Kb.
Page3/4
Date09.11.2016
Size165.19 Kb.
1   2   3   4
Behalve door het werk van van Unnik ben ik in mijn vroege loopbaan diepgaand beïnvloed door het werk van een aantal buitenlandse geleerden waarvan ik hier alleen de belangrijksten kan noemen.69 Ten eerste is dat James Barr, wiens boek The Semantics of Biblical Language uit 1961 op mij als jong student klassieke talen een grote indruk maakte, een boek dat het gezicht van de bijbelwetenschap heeft veranderd, hoewel ik moet zeggen dat ik nog steeds menige vakgenoot in de valkuilen zie vallen waarvoor hij ons zo heeft gewaarschuwd. Als tweede noem ik Martin Hengel, wiens boek Judentum und Hellenismus uit 1969 voor mij richting-bepalend is geweest. De interactie tussen de joodse en de Griekse cultuur is altijd in het centrum van mijn onderzoeksinteresse gebleven. Toen in 1999 in Amerika een congres werd gehouden ter gelegenheid van het 30-jarig jubileum van dit magnum opus van Hengel heb ik daar een lezing gehouden over een aspect van deze thematiek (het gebruik van het Grieks als spreektaal van Joden in Palestina) waarmee ik ook uiting gaf aan onze lange vriendschap.70 Als derde noem ik Ed Sanders, wiens boek Paul and Palestinian Judaism uit 1977 mij destijds meer dan enige andere publicatie de ogen heeft geopend voor het joodse karakter van het Nieuwe Testament. Tenslotte noem ik wijlen Morton Smith, de meest briljante geest die ik ooit heb ontmoet, een man wiens onvoorstelbaar grote kennis van de antieke wereld in de breedste zin van het woord in al haar aspecten voor mij een grote bron van inspiratie is geweest. Ook al weet ik dat hij voor anderen soms een ware kwelgeest was met zijn venijnige pen, persoonlijk heb ik niets dan goeds van hem ondervonden.71 Deze vier geleerden, hoe verschillend ook, hebben gemeen dat voor hen de studie van de Bijbel alleen ingebed in een ruimer kader van studie van de talen en culturen van de oudheid kon plaatsvinden. Dat is net als bij van Unnik ook bij mij altijd het ideaal geweest en ik heb er hard voor gewerkt om dat in Utrecht ook gestalte te geven.
Die traditie, door van Unnik hier in 1946 geïnitieerd, is nu echter in Utrecht teloor gegaan. Ik had het al over de marginalisering van de joodse studiën. De invoering van de BaMa structuur is door facultaire beleidsmakers aangegrepen om veel waarin onze faculteit groot was geworden te minimaliseren. De hoogleraar godsdiensten van het hellenisme is niet opgevolgd. De UD-post Judaica is gehalveerd. Beide vakken worden met mijn vertrek niet meer op hoogleraarsniveau behartigd. De studie van de oude talen is teruggedrongen tot een niveau waarbij ik koude rillingen krijg. In het algemeen zijn de historisch-filologische vakken, traditioneel terecht als ruggegraat van de wetenschappelijke theologie beschouwd, ernstig beknot ten faveure van nieuwe vakken waarvan ik de zin vaak niet inzie.72 De traditie van van Unnik, Baarda en vele anderen is daarmee verdwenen en zal nooit meer terugkeren. Dat stemt mij zeer treurig, vooral als het gaat om de joodse studiën.
Ook de wijze waarop de faculteit de noodzakelijke bezuinigingen heeft doorgevoerd stemt mij droevig. Daarbij is een leeftijdscriterium gehanteerd om te bepalen wie de faculteit moest verlaten – daarom sta ik hier nu, nog geen 60 jaar. Maar als de UU ‘a leading European research university’ wil worden, zoals de nieuwste brochure van de UU ons toeronkt, had dan niet veeleer met een kwaliteitscriterium gewerkt moeten worden? De vaak onthullende wetenschappelijke jaarverslagen hadden daarbij uitstekende diensten kunnen bewijzen. Is nu niet een gouden kans verspeeld om van de nood van bezuinigingen een deugd van gemiddelde kwaliteitsverhoging te maken? Voor de getroffenen, die allen weg moesten op grond van een omstreden leeftijdscriterium - Godfried Bomans zou zeggen: hier is een HBS-er met een liniaal aan het werk geweest - is deze gang van zaken moeilijk te verteren geweest. Zeker, de faculteit heeft in mijn geval enorm haar best gedaan het leed te verzachten door mij ter gelegenheid van mijn vertrek en aanstaande 60ste verjaardag een prachtig afscheidssymposium aan te bieden. En ik zal niet ontkennen dat het een grote pleister op de wonde is, waarvoor ik de faculteit ook oprecht wil danken, maar bij een ander beleid had die wonde helemaal niet geslagen hoeven worden.
Voordat ik overga tot dankwoorden nog een enkel woord over mijn oogziekte. Het zal aanstonds duidelijk worden waarom ik dat doe. Deze kwaal, macula-degeneratie geheten, is een slepende ziekte waardoor men langzamerhand goeddeels blind wordt. Zolang men dat nog niet is, lijkt er voor de buitenwacht niets aan de hand. Men ziet eruit als een goedziende en anderen kunnen vaak nauwelijks geloven dat het gezichtsvermogen ernstig aan het teruglopen is. Ik heb meegemaakt dat achter mijn rug om werd gefluisterd dat het in mijn geval wel aanstellerij zou zijn en dat ik mijn oogziekte overdreef om zo meer onderzoekstijd over te houden. Zoals een skeptische collega eens tegen mij zei: ‘Nou, een mooie vrouw zie je anders nog wel!’ Mij dunkt dat als je het verschil in formaat tussen een vrouw en een Grieks accent of een Hebreeuwse punctuatie niet meer kent, je dan de verhoudingen toch wel uit het oog hebt verloren. Een probleem bij deze ziekte is dat de patiënt aan iemand die er niet aan lijdt nooit kan uitleggen waarom je het ene wel en het andere niet kunt zien, waarom je iets de ene keer wel en de andere keer niet kunt zien, waarom je iets op de ene plek wel en op de andere plek niet kunt zien. Het wel of niet meer kunnen zien van iets hangt af van een heel ingewikkeld complex van factoren waarin de patiënt zelf vaak pas na heel lange tijd inzicht krijgt.73 Ik vertel dit alles in de hoop dat u voortaan mensen met deze ziekte niet beoordeelt naar wat u meent te weten. Dat kan zeer kwetsend zijn en dat verdienen mensen met zo’n somber vooruitzicht niet.
Tenslotte dan de woorden van dank die ik verschuldigd ben aan degenen die mijn verblijf aan deze faculteit decennia lang hebben veraangenaamd. Er zijn daarvan drie kategorieën waarvan ik telkens slechts twee vertegenwoordigers noem pro omnibus omdat het anders veel te veel zou worden. Van de overledenen noem ik met dankbaarheid Wim van Unnik en Jannes Reiling. Van de nog levenden die niet meer aan de faculteit verbonden zijn noem ik met ere Tjitze Baarda en Gerard Mussies. De tien jaren dat Tjitze hier hoogleraar was behoren tot de gouden jaren van mijn loopbaan. Hij was – en is - een hartelijke persoonlijkheid, wetenschappelijk zeer stimulerend en wijs. Dat Gerard Mussies (‘de geleerde mus’) en ik, beiden geen gemakkelijke mensen, kans hebben gezien om 30 jaar lang dag in dag uit in goede harmonie met elkaar samen te werken is een wonder waarvoor ik hem nog steeds dankbaar ben. Van degenen die nog wel werkzaam zijn aan de faculteit én KTU noem ik, exempli gratia, alleen het echtpaar Corja en Maarten Menken. Waarom hen? Omdat ik, ten eerste, van hen altijd veel goeds heb ondervonden, maar ten tweede, omdat ik in dit paar zowel de mannen als de vrouwen, zowel de vakgenoten als de niet-vakgenoten, en zowel leden van de faculteit als die van de KTU die hebben bijgedragen aan mijn welbevinden alhier in de afgelopen 37 jaar, kan bedanken.
Helemaal aan het eind noem ik nog iemand die op een heel andere wijze veel voor mij heeft betekend. Dat is de voormalige directeur van een non-profit reisorganisatie, het Instituut voor Internationale Excursies, Marius Groeneveld. Met hem en dankzij hem heb ik veel door het Midden-Oosten gereisd. Maar dat waren geen gebruikelijke reizen, want door hem heb ik landen als Israël, Syrië, Jordanië, en Egypte leren kennen op een wijze die voor de meesten niet weggelegd is. Elke reis bevatte altijd een programma met gesprekken met politici, beleidsmakers, geestelijke leiders en geleerden. De ene keer ontmoetten we Abba Eban, een andere keer de hoogste adviseur van president Mubarak, Osama el-Baz, of leden van de PLO National Council in ballingschap in Damascus. Dankzij deze zeldzaam boeiende ontdekkingsreizen ben ik, als het gaat om de verhouding van Israël tot de andere volkeren, niet in het verleden blijven steken. Marius Groeneveld heeft mij met de neus op het heden gedrukt.
Dames en heren, Dit was mijn afscheidscollege. Sommigen van u hebben iets geleerd, anderen hebben wellicht met kromme tenen hun ergernis uitgezeten, nog weer anderen hebben misschien een lekker dutje gedaan, kortom: voor elk wat wils, precies zoals het hoort bij een openbaar afscheidscollege. Ik hoop in ieder geval dat, bij welke kategorie luisteraars u ook hoort, dit college u lang zal bijblijven.
Ik kom tot mijn slotzin. Ik kondig die nogal nadrukkelijk aan omdat ik mij gelukkig prijs in staat te zijn precies dezelfde slotzin uit te spreken als die waarmee ik vijftien jaar geleden op deze plek mijn oratie afsloot. Die zin luidt als volgt: Zich jarenlang omringd te weten door drie zo liefdevolle vrouwen als Mechtild, Mirjam en Bernardine is een ervaring waarvoor ik de dankbaarheid alleen zou kunnen uitdrukken met woorden die het vocabulair dat mij in het kader van een academische rede ter beschikking staat, verre te boven gaan. Daarom geef ik er de voorkeur aan er het zwijgen toe te doen, aannemend dat u de welsprekendheid van dit zwijgen zult begrijpen.
Ik heb gezegd.

Voor een overzicht van alle publicaties (1970-2006) van Pieter W. van der Horst verwijzen wij u naar de website:



http://www.uu.nl/uupublish/desubfaculteit/wiewatwaar/medewerkers/homepages/pvanderhorst/7571main.html


1 In een fragment uit zijn De pietate dat bewaard is bij Porphyrius, De abstinentia II 26. Dit is nr. 4 in de grote collectie van M. Stern, Greek and Latin Authors on Jews and Judaism, 3 delen, Jerusalem 1974-1984, I, 10. In het vervolg verwijs ik naar dit werk met de gangbare afkorting GLAJJ gevolgd door het nummer van het fragment. Het gaat om fr. 584A in de nieuwe editie met vertaling van W. Fortenbaugh et alii (edd.), Theophrastus of Eresus. Sources for His Life, Writings, Thought and Influence, vol. 2, Leiden 1992, 404-429.

2 Zie de uitgebreide bespreking van deze problemen in J. Bouffartigue & M. Patillon (edd.), Porphyre, De l’abstinence, livres II-III, Paris 1979, 58-67.

3 Geciteerd bij Josephus, Contra Apionem I 176-181 = GLAJJ nr. 15.

4 Zie bijvoorbeeld de skepsis van U. von Wilamowitz-Moellendorff, Der Glaube der Hellenen, vol. 2, Darmstadt 1955, 253 n. 1. Zo ook H. Lewy, ‘Aristotle and the Jewish Sage according to Clearchus of Soli,’ Harvard Theological Review 31 (1938) 205-235.

5 Eveneens uit het begin van de 3de eeuw v.C. stamt een passage uit de Indika van Megasthenes waarin hij zegt dat wat in India de Brahmanen zijn in Syrië de Joden zijn (GLAJJ nr. 14). Ook Clearchus laat Aristoteles in het hierboven verkort weergegeven fragment zeggen dat wat in India de Kalani zijn in Syrië de Joden zijn. Zie over dit thema verder M. Hengel, Judentum und Hellenismus. Studien zu ihrer Begegnung unter besonderer Berücksichtigung Palästinas bis zur Mitte des 2. Jh.s v. Chr., Tübingen 1969, 464-473 (‘Die Juden als Philosophen nach den frühesten griechischen Zeugnissen’).

6 Geciteerd bij Diodorus Siculus, Bibl. Hist. XL 3, 3 = GLAJJ nr. 11. Over de vraag welke van de onder de naam van Hecataeus overgeleverde teksten over de Joden authentiek zijn zie o.a. B. Bar-Kochva, Pseudo-Hecataeus, “On the Jews.” Legitimizing the Jewish Diaspora, Berkeley-Los Angeles 1996, en D.R. Schwartz, ‘Diodorus Siculus 40.3 – Hecataeus or Pseudo-Hecataeus?.’ in M. Mor et al. (edd.), Jews and Gentiles in the Holy Land in the Days of the Second Temple, the Mishnah and the Talmud, Jerusalem 2003, 181-197. De echtheid van de fragmenten blijft omstreden, maar ook al zou de door mij aangehaalde passage niet authentiek zijn, dan verandert dat niets aan het totaalbeeld van pro-joodse sympathie van Griekse zijde.

7 Zie uit de omvangrijke vakliteratuur bijv. B. Wander, Gottesfürchtige und Sympathisanten. Studien zum heidnischen Umfeld von Diasporasynagogen, Tübingen 1998.

8 Een goed overzicht van de motieven in deze literatuur vindt men bij P. Schäfer, Judeophobia. Attitudes toward the Jews in the Ancient World, Cambridge MA – London 1997.

9 Daarover mijn boek Philo’s Flaccus: The First Pogrom, Leiden 2003.

10 P.W. van der Horst, Chaeremon. Egyptian Priest and Stoic Philosopher. The fragments collected and translated with explanatory notes, Leiden 1984, tweede druk 1987.

11 Er is veel debat over de vraag of de anti-joodse elementen in dit relaas op Manetho zelf teruggaan of latere interpolaties zijn, maar mijns inziens heeft Menachem Stern een overtuigend pleidooi voor de oorspronkelijkheid ervan gevoerd in GLAJJ I 62-65.

12 Dit fragment is bewaard bij Josephus, Contra Apionem I 228-252 = GLAJJ nr. 21.

13 Zie o.a. K. Berthelot, Philanthrôpia judaica. Le débat autour de la ‘misanthropie’ des lois juives dans l’antiquité, Leiden 2003, 79-184.

14 V. Tcherikover & A. Fuks (edd.), Corpus Papyrorum Judaicarum, 3 delen, Cambridge MA 1957-1964, nr. 150, 5-6. Dat met ‘mensen zonder opvoeding en beschaving’ (athreptoi kai anagôgoi) de Joden bedoeld worden is een vrij algemeen aanvaarde interpretatie.

15 Zie P.W. van der Horst, ‘Apion, “cimbaal van de wereld”,’ Lampas 35 (2002) 228-241.

16 Geciteerd door Josephus, Contra Apionem II 91-96 = GLAJJ nr. 171.

17 Dezelfde beschuldiging wordt later (?) in de eerste eeuw herhaald door een zekere Damocritus, maar wel met als verschilpunten dat volgens deze auteur het kannibalistische ritueel niet jaarlijks maar eens in de zeven jaar plaatsvond en dat het niet om een Griek ging maar om een vreemdeling (xenos); zie GLAJJ nr. 247.

18 E. Bickerman, ‘Ritualmord und Eselskult,’ in zijn Studies in Jewish and Christian History, deel 2, Leiden 1980, 225-255. Dat ook Joden deze beschuldiging tegen niet-Joden konden inbrengen bewijst Sapientia Salomonis 12:3-7, met het commentaar van D. Winston, The Wisdom of Solomon, Garden City 1979, 239-240.

19 Vrijwel dezelfde beschuldiging werd overigens sinds de tweede eeuw n.C. door Grieken en Romeinen ook tegen de christenen in stelling gebracht; zie A. McGowen, ‘Eating People: Accusations of Cannibalism Against Christians in the Second Century,’ Journal of Early Christian Studies 2 (1994) 413-442; uit de oudere literatuur vooral F.J. Dölger, ‘“Sacramentum infanticidii.” Die Schlachtung eines Kindes und der Genuß seines Fleisches als vermeintlicher Einweihungsakt im ältesten Christentum,’ in zijn Antike und Christentum IV, Münster 1934, 188-228, en W. Schäfke, ‘Frühchristlicher Widerstand,’ Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II 23, 1, Berlin – New York 1979, 460-723, spec. 579-596. De studie van H.H. Chapman, ‘“A Myth for the World.” Early Christian Reception of Cannibalism in Josephus, Bellum Judaicum 6.199-219,’ Society of Biblical Literature Seminar Papers 2000, Atlanta 2000, 359-378, heeft niets met ons thema te maken.

20 Bickermans theorie dat het in het geval van Apions lasterverhaal om een element uit de Seleucidische politieke propaganda gaat is niet ondenkbaar (‘Ritualmord’ 240-245), maar hij verdisconteert onvoldoende dat de enige versie van dit verhaal uit een Egyptische pen komt. Ook een ander motief uit Apions polemiek, nl. dat de Joden een ezelskop aanbidden (C.Ap. 2:80), heeft een Egyptische achtergrond; zie J.W. van Henten & R. Abusch, ‘The Depiction of the Jews as Typhonians and Josephus’ Strategy of Refutation in Contra Apionem,’ in: L. H. Feldman & J. R. Levison (eds), Josephus’ Contra Apionem: Studies in its Character and Context with a Latin Concordance to the Portion Missing in Greek, Leiden 1996, 271-309.

21 L. Vidman, Isis und Sarapis bei den Griechen und Römern, Berlin 1970; F. Dunand, Le culte d’Isis dans le basin oriental de la Méditerranée, 3 delen, Leiden 1973; F. Solmsen, Isis among the Greeks and Romans, Cambridge MA – London 1979; R.E. Witt, Isis in the Ancient World, Baltimore – London 1997 (=1971); R. Merkelbach, Isis Regina – Zeus Sarapis: Die griechisch-ägyptische Religion nach den Quellen dargestellt, Stuttgart – Leipzig 1995. Voor een algemeen overzicht van de verbreiding van Egyptische culten buiten Egypte zie men M. Malaise, ‘La diffusion des cultes égyptiennes dans les provinces européennes de l’Empire romain,’ Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II 17, 3, Berlijn – New York 1984, 1615-1691, en J. Leclant, ‘Aegyptiaca et milieux isiaques. Recherches sur la diffusion du matériel et des idées égyptiennes,’ ibidem 1692-1709. R. Turcan, Les cultes orientaux dans le monde romain, Parijs 1989, 77-128; S. Takacs, Isis and Sarapis in the Roman World, Leiden 1995; L. Bricault, Atlas de la diffusion des cultes isiaques, Paris 2001.

22 W. Peek, Der Isishymnus von Andros und verwandte Texte, Berlijn 1930; R. Harder, Karpokrates von Chalkis und die memphitische Isispropaganda (Abhandlungen der Preussischen Akademie der Wissenschaften 1943, Phil,-hist. Kl. Nr. 14), Berlin 1944; J. Bergman, Ich bin Isis. Studien zum memphitischen Hintergrund der griechischen Isis-Aretalogien, Uppsala 1968; Y. Grandjean, Une nouvelle arétalogie d’Isis à Maronée, Leiden 1975; H. Engelmann, The Delian Aretalogy of Sarapis, Leiden 1975; H. Engelmann, Die Inschriften von Kyme, Bonn 1976, 97-108. De door Harder gepubliceerde tekst uit Chalkis (op Euboia) is ook afgedrukt in L. Vidman, Sylloge inscriptionum religionis Isiacae et Sarapiacae, Berlin 1969, nr. 88; de door Engelmann gepubliceerde tekst uit Kyme ook in Grandjean, Nouvelle arétalogie 122-124, en Merkelbach, Isis Regina 115-118. Voor een compleet overzicht van het materiaal zie Grandjean, Nouvelle arétalogie 8-11. Voor het propagandistische karakter van deze teksten zie A.D. Nock, ‘Graeco-Egyptian Religious Propaganda,’ in zijn Essays on Religion and the Ancient World, Oxford 1972, II 703-711, en Witt, Isis 100-110.

23 Pap. Oxy. 1380, 122-233 (excerpten), vertaald in P.W. van der Horst, Gebeden uit de antieke wereld, Kampen 1994, 38-40. Indrukwekkende parallellen zijn te vinden in de fraaie Isishymnen van Isidorus; zie V. F. Vanderlip, The Four Greek Hymns of Isidorus and the Cult of Isis, Toronto 1972.

24 Engelmann, Inschriften 98.

25 Kyme 21 (Engelmann, Inschriften 98; Bergmann, Ich bin Isis 302)); Ios 18 (Peek, Isishymnus 123-4; Witt, Isis 155); Andros 45-46 (Peek, Isishymnus 17); Diodorus Siculus 1.14.1 (mogelijk uit Hecataeus van Abdera).

26 Zie H. Bonnet, Reallexikon der ägyptischen Religionsgeschichte, Berlin-New York 1971 (=1952), 326-332; A.-J. Festugière, ‘À propos des arétalogies d’Isis,’ in zijn Études de religion grecque et hellénistique, Parijs 1972, 138-163.

27 Solmsen, Isis 34.

28 Zie noot 9.

29 In die zin is het ook niet van groot belang of Apion nu wel of niet een Egyptenaar of een Griek was, al deel ik niet de verregaande skepsis van sommigen die betogen dat Josefus’ bewering dat Apion een Egyptenaar was alleen maar een kwestie van culturele stigmatisering en discreditering is; zie bijv. K.R. Jones, ‘The Figure of Apion in Josephus’ Contra Apionem, Journal for the Study of Judaism 36 (2005) 278-315.

30 Hierover met name Festugière, ‘À propos des arétalogies d’Isis’ 145-149. Zie ook F. Graf, ‘Kannibalismus,’ Neue Pauly 6 (1999) 247. Over de vraag of er ook daadwerkelijk mensenoffers in de Grieks-Romeinse wereld werden gebracht zie F. Schwenn, Die Menschenopfer bei den Griechen und Römern, Giessen 1915, en W. Burkert, Homo Necans. The Anthropology of Ancient Greek Sacrificial Ritual and Myth, Berkeley etc. 1983, Index s.v. Het bekendste document waarin kannibalistische taferelen worden beschreven is Juvenalis’ Satire 15; de meest uitgebreide verhandeling over kannibalistische volkeren is Plinius’ Naturalis Historia 7.9-12.

31 Voor deze en andere mythische anthropophagen zie D.D. Hughes, Human Sacrifice in Ancient Greece, London-New York 1991, 71-138.

32 Vgl. ook Aulus Gellius, Noctes Atticae 9.4.6; Strabo 15.1.56 (over volkeren in de Kaukasus).

33 Vgl. Aristophanes, Ranae 1032-1036.

34 Over deze inconsistentie in het beeld van het tijdperk van Kronos in de Griekse literatuur zie H.S. Versnel, Inconsistencies in Greek and Roman Religion II: Transition and Reversal in Myth and Ritual, Leiden 1994, 106-114.

35 J. Gwyn Griffiths, Plutarch’s De Iside et Osiride, University of Wales Press 1970, 309.

36 Daarover mijn studie ‘De eerste atheïst’ in mijn Mozes – Plato – Jezus. Studies over de wereld van het vroege christendom, Amsterdam 2000, 99-108.

37 Zie B. Snell (ed.), Tragicorum Graecorum Fragmenta I, Göttingen 1971, 265-266. De tekst is identiek aan Orphisch fragment 292 Kern, dat ook zegt dat men destijds voor het bereiden van maaltijden eerst elkaar moest doden (v.14-17).

38 Ook Empedocles schijnt er een theorie op na te hebben gehouden van een verval der mensheid van een vegetarisch bestaan tot een van kannibalistische aard; zie M.R. Wright, Empedocles: The Extant Fragments, London-Indianapolis 1995 (2nd ed.), 284-288.

39 Meer materiaal bij Festugière, ‘À propos des arétalogies d’Isis’ 145-149.

40 Vgl. ook Pseudo-Hippocrates, De vetere medicina 3, waar wordt gezegd hoezeer mensen geleden hebben onder de thêriôdês diaita, toen men nog rauw en onbewerkt vlees at. Verder Isocrates, Panegyricus 28; Hyginus, Fabulae 274.20; Diodorus Siculus 1.90.

41 Zie o.a. S. Blundell, The Origins of Civilization in Greek and Roman Thought, London-Sydney 1986; Th. Cole, Democritus and the Sources of Greek Anthropology, Atlanta 1990; B. Gatz, Weltalter, goldene Zeit und sinnverwandte Vorstellungen, Hildesheim 1967, 144-174. Veel materiaal is ook te vinden in het oudere werk van J. Haussleiter, Der Vegetarismus in der Antike, Berlin 1935.

42 Ik acht het overigens, met Festugière, heel goed mogelijk dat het motief van de overwinning van het kannibalisme in de Isis-aretalogieën aan Griekse Kulturentstehungslehren is ontleend.

43 Een kleine twee eeuwen na Apion vinden we de beschuldiging van joods kannibalisme opnieuw bij de historicus Cassius Dio die vertelt dat de Joden van Cyrene onder leiding van een zekere Andreas in 115 n.C. slachtingen aanrichtten onder de Grieken en Romeinen. “Zij aten het vlees van hun slachtoffers op, gebruikten hun ingewanden als gordels, smeerden zich in met hun bloed, en droegen hun huid als kleding. Velen zaagden zij doormidden, vanaf het hoofd naar beneden, anderen wierpen ze voor de wilde dieren, en weer anderen dwongen zij te vechten als gladiatoren” (


Download 165.19 Kb.

Share with your friends:
1   2   3   4




The database is protected by copyright ©sckool.org 2020
send message

    Main page