De mythe van het joodse kannibalisme



Download 165.19 Kb.
Page2/4
Date09.11.2016
Size165.19 Kb.
#1263
1   2   3   4
Het motief van het joodse kannibalisme met de daaraan voorafgaande al dan niet rituele moord bleek een lang leven te zijn beschoren. In de christelijke middeleeuwen duikt het motief in allerlei variaties overal weer op. Ik moet ook daarover kort zijn en noem slechts enkele gegevens.44 Het middeleeuwse anti-joodse discours is anders dan het antieke pre-christelijke omdat het christendom als dominant motief dat van de godsmoord invoerde: de Joden hebben Jezus vermoord en zijn daarom een verdoemd volk. Maar alsof dat niet genoeg was, komt ook hier het element van joods kannibalisme weer tevoorschijn. En deze keer is het uiteraard geen heidense Griek die het slachtoffer is maar – u raadt het al – een christen, erger nog: een christelijk kind. Op de achtergrond speelt hier het door de hele periode van de middeleeuwen heen door christenen aangehangen geloof dat Joden aanhangers van de duivel waren (waarbij ze een aardig handje werden geholpen door naargeestige uitlatingen in de johanneïsche literatuur van het Nieuwe Testament over de duivel als vader van de Joden en de synagoge van de satan: Joh. 8.44 en Openb. 2.9). De Joden hadden een pact met de duivel gesloten en waren erop uit de christenheid te vernietigen – geen wonder dat verhalen over allerlei door Joden bedreven gruwelpraktijken in circulatie werden gebracht en gretig aftrek vonden, een klassiek voorbeeld van diabolizering van een heel volk.45 Zeer talrijk zijn de beschuldigingen dat Joden door vergiftiging, o.a. van waterbronnen, proberen een zo groot mogelijk aantal christenen uit te roeien. Wanneer dan ook in 1348 de Zwarte Dood in Europa toeslaat, een pestepidemie waardoor een groot deel van de Europese bevolking omkomt, is het duidelijk wie daarachter zitten; tienduizenden Joden worden her en der vermoord als schuldigen aan deze ramp, behalve in Avignon waar ze bescherming van de paus genieten.46 Eeuwen later zegt Luther nog steeds dat, als de Joden de kans kregen, ze alle christenen zouden vermoorden.47
Maar niets heeft in de Middeleeuwen meer bijgedragen aan de bestendiging van een diepgewortelde intense jodenhaat dan de talrijke verhalen over rituele moord op christelijke kinderen door Joden.48 Deze horrorachtige beschuldigingen, waarvan we talloze gevallen kennen, werden meestal door katholieke geestelijken in omloop gebracht en daarin werden willekeurige sterfgevallen en verdwijningen aangegrepen om de Joden ervan te betichten dat zij christenen hadden vermoord omdat ze hun bloed, en vaak ook hun ingewanden, nodig hadden voor hun duivelse rituelen, d.w.z. magische praktijken. In latere versies heet het dan meestal dat hun bloed, hart en lever nodig waren voor het bereiden van matses en andere gerechten voor het Pesachmaal.49 Soms werd er nog bij verteld dat het kind werd vetgemest voorafgaand aan de dood door kruisiging! Zulke beschuldigingen liepen meestal uit op massale moordpartijen.
Deze mythe is onuitroeibaar gebleken. Niet alleen werd hij in de Nazitijd door Duitse fascisten als Julius Streicher in Der Stürmer volop uitgebuit,50 maar – zoals we nu zullen zien – ook in de 21ste eeuw is deze gruwelmythe nog springlevend en vindt hij gretig aftrek. Bij de tijd van het nationaal-socialisme (1933-1945) hoef ik niet langer stil te staan. Het is immers genoegzaam bekend dat in de nazi-propaganda de Joden als volk systematisch zozeer gedemoniseerd en gedehumaniseerd werden dat op den duur een meerderheid van de Duitsers, Oostenrijkers, Polen enz. de Joden als niets anders kon zien dan als smerig ongedierte dat verdelgd moest worden. De massamoordenaars in de concentratiekampen konden dan ook aan het einde van elke dag naar huis gaan met het goede gevoel de mensheid een grote dienst te hebben bewezen met het uitroeien van levensgevaarlijk ongedierte.51
Wie optimistisch zou verwachten dat na de Tweede Wereldoorlog dit giftige gedachtengoed wel zou zijn verdwenen, komt bedrogen uit. In 1946 vielen er in Polen tientallen joodse slachtoffers na beschuldigingen van ritueel kannibalisme. Nog geen tien jaar geleden werd deze beschuldiging opnieuw geuit in een Roemeense krant en op de Wit-Russische televisie.52 Zeer onlangs, in de winter van 2005/2006, zond de Syrische staatstelevisie een uitzending over de Joden uit waarin rabbijnen als kannibalen werden afgeschilderd. Geen wonder als men bedenkt dat in 1983 de latere Syrische vicepremier en minister van defensie Mustafa Tlass een boek publiceerde (De matze van Zion) waarin de bloedmythe weer breed wordt uitgemeten, een boek waarop hij promoveerde (!) en waarmee hij een zeer groot publiek zou bereiken (20 jaar later staat het nog steeds op de bestsellerslijst en is het in tal van talen vertaald).
Daarmee stuiten we op een groot en mondiaal probleem, nl. dat de islamitische wereld de fakkel van de redeloze jodenhaat van de nazi’s heeft overgenomen en met vuur en verve verder draagt. De islamisering van het Europese antisemitisme is een van de meest huiveringwekkende ontwikkelingen van de laatste decennia. In heel de islamitische wereld wordt al jaren lang dag in dag uit in kranten, weekbladen, schoolboeken, radio- en televisie-uitzendingen, preken van imams, in lessen op school en aan de universiteiten een onvoorstelbare hoeveelheid anti-joodse propaganda van de ergste soort over honderden miljoenen hoofden uitgestrooid. Ook in talloze cartoons, die soms aantoonbaar regelrecht zijn overgenomen uit de anti-joodse pers van de Nazi-tijd, wordt een beeld van het joodse volk gecreëerd dat in negativiteit zijn weerga niet kent. De theoloog Hans Jansen (niet onze arabist) heeft er een kleine 1500 verzameld uit alleen al de laatste vijf jaar. Alle Joden zijn daarin steevast bloeddorstige monsters, zo niet erger. Onlangs schreef de Israëlische media-watcher Aryeh Stav dat wat er aan anti-joodse propaganda omgaat in de islamitische wereld in omvang en ernst die van de Nazi-tijd overtreft.53 Dat hij gelijk heeft kan iedereen zien die de moeite neemt eens een tijd te volgen wat er met name in Arabische media verschijnt (bijv. via de website van MEMRI, het Middle East Media Research Institute)54 of anders door het verbijsterende boek Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme van Hans Jansen te lezen en zijn CD-rom met bijna 1500 cartoons te bekijken.55 Daaruit blijkt zonneklaar dat in de islamitische wereld op zeer grote schaal een hysterische vorm van jodenhaat bestaat.
Zoals gezegd, ook de Jood als kannibaal ontbreekt in deze intensieve haatcampagne niet. In menige cartoon worden Joden afgebeeld die islamitische kinderen rauw verslinden, maar ook in boeken en TV-documentaires, op internet-websites en in films, en zelfs in ‘wetenschappelijke’ publicaties duikt het motief veelvuldig op. Ook tal van andere zaken, waarvan de rest van de mensheid weet dat Joden er helemaal niets mee te maken hebben, worden hun in de schoenen geschoven: de Joden zitten achter de aanslag op de Twin Towers, achter de Deense cartoons, achter de aidsepidemie, achter de tsunami, achter de vogelgriep, achter de recente bomaanslag op de sji’itische gouden moskee in Samarra, uiteraard achter het communisme én kapitalisme etcetera. Als dan onweerlegbaar wordt aangetoond dat iets helemaal niet waar is, bijvoorbeeld doordat Osama bin Laden zelf zegt de aanslag op de Twin Towers te hebben gepleegd, zet dat maar weinigen aan tot denken, nee, men schakelt alle denkbare middelen in om met deze cognitieve dissonantie om te gaan en stelt vervolgens dat dus Osama bin Laden voor de Israëlische geheime dienst werkt. Niets helpt om deze groteske vijandsbeelden in de islamitische wereld te ontkrachten – immers, men wil niets anders geloven. Hier regeert niet alleen de leugen, hier regeert godsdienstfanatisme in zijn gevaarlijkste vorm. En het trieste is dat we het hier niet hebben over kleine groepjes radikalen maar juist over grote massa’s gewone islamitische gelovigen die op dit punt door en door gehersenspoeld zijn door hun geestelijke en politieke leiders.
Het bontst in dit opzicht maken het Iran, Syrië en de Palestijnse gebieden. Syrië heb ik al genoemd. Over Iran en zijn rabiate anti-joodse leiders die Israël met een atoombom van de kaart willen vegen, hoef ik weinig te zeggen. Dat godsdienstwaanzinnige regime, dat de Holocaust ontkent maar er wél graag zelf een wil veroorzaken, vormt de grootste bedreiging voor Israëls voortbestaan sinds 1948: het werkt onverbloemd aan een ‘Endlösung.’ Maar in termen van ons thema –het propageren van jodenhaat - is de situatie minstens even erg bij de Palestijnen. De extreme grofheid van de anti-joodse hersenspoeling die men daar kan constateren overtreft de bangste verwachtingen. In tal van Palestijnse schoolboeken wordt kinderen jaar in jaar uit geleerd dat het een heilige plicht is het joodse volk te vernietigen omdat Joden als Satanskinderen zich tegen God verzetten en tegen de mensheid en de islam complotteren.56 Ook hebben de Joden helemaal geen historische wortels in Palestina, zij zijn nieuwkomers vergeleken met de Palestijnen en moeten dus als een agressieve koloniale macht worden beschouwd die gericht is op de vernietiging van de islam en daarom zelf vernietigd moet worden. En al dat lesmateriaal wordt door Europa zwaar gesubsidieerd, dus ook met uw en mijn belastinggeld.
Een van de zeer treurig stemmende kanten van deze zaak is dat Palestijnse intellectuelen en wetenschappers aan Palestijnse universiteiten, niets doen om deze leugens te ontmaskeren terwijl ze vrijwel zeker beter weten. Het is een primaire taak van de wetenschap om onwetendheid te verhelpen, onzin aan de kaak te stellen, vooroordelen te ontmaskeren en kritiek te leveren op wat historisch en sociaal-ethisch niet door de beugel kan. Maar geen Palestijnse wetenschapper verheft zijn stem tegen deze giftige laster, integendeel, men doet er vaak juist een schepje bovenop (dat geldt ook voor de omhooggevallen Edward Said). Ook in andere islamitische landen ziet men trouwens dat wetenschappers tot slippendragers van de geestelijke en politieke machthebbers zijn verworden.57
Velen zullen het mij kwalijk nemen dat ik de lijn van de Nazipropaganda doortrek naar de islamitische en met name de Palestijnse jodenhaat. Immers, zo denkt men, het ligt in het geval van de Palestijnen toch heel anders, het komt toch door de Israëlische bezetting van Palestijns gebied? Nee, dat is aantoonbaar onzin. Voorbijgaand aan het veelzeggende feit dat al in de 19de eeuw in islamitische landen in het Midden-Oosten een reeks beschuldigingen van joods ritueel kannibalisme uitliep op moord en doodslag, beperk ik mij tot het volgende. Al lang vóór de bezetting van Palestijnse gebieden, ja zelfs al lang vóór de oprichting van de staat Israël, nl. vanaf de jaren ’20 van de vorige eeuw, hadden de Palestijnen een leider genaamd Haj Amin al-Hoesseini, de islamitische grootmoefti van Jeruzalem, die vanaf de opkomst van Hitler in 1933 nauwe banden met deze Duitse dictator heeft gesmeed.58 Tijdens de oorlog heeft hij jaren lang in Berlijn vertoefd om Hitler te adviseren bij zijn plannen de Joden uit te moorden.59 Wie de protokollaire verslagen van de gesprekken tussen beide heren leest kan een huivering niet onderdrukken: hoe hartgrondig zijn zij het erover eens dat het ‘Weltjudentum’ én de demokratie eens en voor goed moeten worden uitgeroeid.60 In 1944 bezoekt de Palestijnse leider samen met Eichmann het kamp Auschwitz en hij is zo enthousiast over de effectiviteit van deze moordfabriek dat hij na terugkeer in Palestina plannen maakt ook zo’n vernietigingskamp in de omgeving van Nablous te bouwen om het land geheel ‘judenrein’ te maken. Na de oorlog betreurt hij dat het hem niet is gelukt dat hoge ideaal te realizeren en in 1948, vlak voor de stichting van de staat Israël, roept hij de Palestijnen op om alle Joden te vermoorden en geen enkele krijgsgevangene in leven te laten. Door zijn grenzenloze jodenhaat wordt Al-Hoesseini tot ver over de grenzen van zijn land razend populair in de islamitische wereld. Het is deze islamofascist, deze nazistische oorlogsmisdadiger, die door Yasser Arafat altijd is geprezen als ‘the great hero of the Palestinian people’ en ook door de leiders van Hamas nog steeds als een lichtend voorbeeld wordt gezien. De opsteller van het handvest van Hamas, Achmed Yassin, die zichzelf als de belangrijkste opvolger van Al-Hoesseini zag, maakt in dat handvest duidelijk dat de strijd tegen de staat Israël slechts de eerste etappe is in een wereldwijde vernietigingsoorlog tegen de Joden door de Moslimbroederschap.61 In het Palestijnse verzet is er dus altijd een sterke islamofascistische onderstroom geweest. Geen wonder dat Hamas na de machtsovername eerder dit jaar onmiddellijk nauwe banden met Iran heeft aangeknoopt; zij delen immers hetzelfde ideaal, en dat is het ideaal van Nazi Duitsland, een ‘Endlösung,’ alle rookgordijnen van leugens ten spijt. Geen wonder ook dat vlak na de Tweede Wereldoorlog duizenden Nazi-misdadigers een veilig heenkomen zochten en onderdak kregen in Arabische landen. Op de ministeries in Cairo krioelde het toen van de SS-ers.62 Maar ook elders waren zij welkom, immers, vele islamitische heersers in het Midden-Oosten stonden zeer welgezind tegenover Hitler, en staan dat nog. Toen Hitler in 1935 de Neurenberger rassenwetten afkondigde, ontving hij uit de hele Arabisch-islamitische wereld tal van gelukwensen. De zeer hoge verkoopcijfers van Mein Kampf in die wereld tot op vandaag (het boek werd al in de jaren ’30 in het Arabisch vertaald) bevestigen het beeld nog eens ten overvloede. En wat een ongehoorde brutaliteit dat juist uit die hoek de aantijging komt dat Israëli’s de nieuwe nazi’s zijn, een gedachte die overigens ook hier in Nederland wordt gepropageerd door griezels als Gretta en Dries (wier achternamen ik uit weerzin weiger uit te spreken)!
Wie denkt dat de jodenhaat in Palestina alleen met de politieke situatie en niets met de islamitische religie te maken heeft moet ik opnieuw ontnuchteren. Tot aan 1994 woonden er vele tienduizenden christenen in de Palestijnse gebieden, trouw aan de Palestijnse zaak, aanhangers van Arafat, maar dat mocht niet baten. Nu, na 12 jaar Palestijns bestuur, is het merendeel van die christenen gevlucht voor continue dreiging, intimidatie en geweld, kortom voor wat in gewoon Nederlands christenvervolging heet. En iedereen heeft zijn hoofd afgewend, ook die instelling waarvan je zou verwachten dat die zou opstaan voor zijn christelijke broeders en zusters in nood, de Wereldraad van Kerken, maar dat self-serving instituut heeft vrijwel alleen maar veroordelingen van Israël en steun aan het islamitische Palestijnse verzet uitgesproken. Maar dat terzijde, in ieder geval is nu hopelijk duidelijk dat religie hier wel degelijk een rol speelt en dat het doortrekken van de lijn van Hitler naar de islamitische jodenhaat niet zo onzinnig is als velen ons willen doen denken. Het moet echter tot credit van de Palestijnen gezegd worden dat, ondanks dit alles, nog steeds een groot deel van dit volk, al weet ik niet of het een meerderheid is, vrede met Israël wil en niet haar vernietiging nastreeft.
Als men in ogenschouw neemt dat de islamitische jodenhaat door de intensieve propaganda dagelijks meer moslims beïnvloedt, en wel in de gehele wereld met groot succes, kan men met grote waarschijnlijk concluderen dat er nog nooit eerder in de geschiedenis een zo groot aantal jodenhaters is geweest als nu. Dat is ook zichtbaar in het alsmaar toenemende aantal antisemitische voorvallen wereldwijd. In ons land beperkt het zich nog tot pesterijen en intimidatie van Joden; in Polen wakkert het nieuwe rechtse regime doelbewust de oude jodenhaat weer aan; in Zweden wordt een website waarop een cartoon van Mohammed wordt getoond onmiddellijk door de overheid van het internet gehaald terwijl een islamitische website waarop wordt opgeroepen Joden te vermoorden van diezelfde overheid ongehinderd mag doorgaan; in Frankrijk zijn de eerste doden al gevallen; elders in Europa vinden aanslagen op synagogen plaats; op Amerikaanse campuses wordt allerwege door intellectuelen (of wat daarvoor wil doorgaan) een hetze-achtige anti-Israël-stemming gekweekt; de staat Israël wordt door Iran bedreigd met een totale vernietigingsoorlog. Wereldwijd houden joodse gemeenschappen hun hart vast. Opnieuw leven Joden overal in ongerustheid en angst.
Lang geleden leerde Karl Popper ons dat je nooit tolerant moet zijn tegenover intoleranten, maar Europa met haar slappe knieën is deze les vergeten en lijkt uit culturele zelfhaat te buigen voor de terreur van de straat; Europa is (alweer) te naief om deze ‘clash of civilizations’63 onder ogen te zien en (opnieuw) blind voor het sluipende gevaar van het fascisme, ditmaal het islamofascisme.64
Maar wat doen in deze situatie de kerk en de wetenschap? De kerk laat het opnieuw grotendeels afweten. Enkele individuele pro-Israël kerken daargelaten moet men constateren dat de Wereldraad van Kerken – zoals ik reeds opmerkte - voornamelijk veroordelingen van Israël bekokstooft; deze nutteloze instelling kan niet snel genoeg ter ziele gaan. Wat de wetenschap betreft, her en der worden vanuit universiteiten, vooral in Engeland, pogingen ondernomen om tot een boycot van Israëlische universiteiten te komen, niet van Palestijnse of andere Arabische terwijl juist daar de principes van de wetenschap vaak met voeten worden getreden, zoals ik zojuist liet zien.
Wat doet de Universiteit Utrecht? Terwijl Eli Wiesel ons keer op keer heeft voorgehouden dat er maar één remedie tegen jodenhaat is en dat is informatie en nog eens informatie, waardoor onzinnige vertekeningen van de werkelijkheid gecorrigeerd kunnen worden, besluit de Theologische Faculteit alhier het onderwijs en onderzoek in het jodendom te marginaliseren. Terwijl er hier in de tweede helft van de twintigste eeuw nog een fulltime hoogleraar jodendom met een fulltime medewerker was, rest er nu nog slechts een parttime universitair docent die bovendien nog het grootste deel van zijn tijd les in het Nieuwe Testament moet geven i.p.v. in het jodendom omdat de plaats van de joodse studies in het curriculum verregaand is uitgekleed. Dit is in het huidige tijdsgewricht een totaal onverantwoord beleid. Wel royaal aandacht geven aan de islam en tegelijkertijd het jodendom in onderwijs en onderzoek marginaliseren is het tegenovergestelde van wat nodig is. Juist de wetenschap heeft hier een extra zware verantwoordelijkheid. Als noch de kerk noch de wetenschap een tegenwicht biedt aan het wereldwijd toenemende antisemitisme, wie doet het dan wel nu we ook van de politiek weinig heil kunnen verwachten? Ik stel hier met nadruk dat een theologische faculteit die in dit beangstigende tijdsgewricht haar verantwoordelijkheid in de strijd tegen de jodenhaat door middel van onderwijs en onderzoek niet erkent, haar bestaansrecht moreel gesproken op het spel zet. Ik voeg hier nog aan toe dat ik ook van mening ben dat bij benoeming van islamologen aan de faculteit gelet moet worden op de signatuur, d.w.z. dat het van groot belang is dat er niet iemand wordt benoemd van het politiek correcte soort islamologen waarvan Nederland er veel teveel heeft – de enkele goede niet te na gesproken zoals onze eigen Hans Jansen (nu wél de arabist) - maar een kritische islamoloog die de moed heeft ook de donkere kanten van de islam onder ogen te zien en studenten er weerbaar tegen te maken. Wij moeten kunnen zeggen dat wie na een volgende Holocaust – die God verhoede - weer durft te zeggen “We hebben het niet geweten,” aantoonbaar een leugenaar is.
Velen, vooral leden van de politiek correcte linkse kerk, zullen mij van islamofobie beschuldigen. Dat ik daarvan niet wakker lig komt doordat ik weet dat het in die hoek gebruikelijk is zich d.m.v. dit handige etiket te onttrekken aan de wetenschappelijke plicht naar de feitelijke basis van mijn argumenten te kijken. Het is een vorm van denkluiheid waarmee men het debat onmiddellijk voor gesloten kan verklaren. Ik lijd niet aan islamofobie, daarvoor heb ik in contacten met moslims, met name Palestijnse moslims, teveel goede ervaringen opgedaan. Maar we mogen onze ogen nooit sluiten voor zaken die we niet graag zien of die niet passen in ons vaak door linkse ideologische oogkleppen bepaalde wereldbeeld.
*****
Dames en heren, ik kom tot het persoonlijke en afsluitende deel van mijn rede. Zevenendertig jaar heb ik aan deze faculteit gewerkt. In 1969 vroeg mijn grote voorganger Willem Cornelis van Unnik mij na afloop van een privatissimum Syrisch of ik zijn onderzoeksassistent wilde worden. Ik zei ja, maar kreeg toen ook direct te horen dat ik gauw moest gaan publiceren. Ik schrok me dood. Ik had geen idee waarover en was nog maar een net 23 jaar geworden student. Maar van Unnik zei dat dat vanzelf in orde zou komen. Toen ik tot mijn eigen verbazing enkele maanden later mijn eerste wetenschappelijke ontdekking deed en daarover een artikel schreef (niet in het Nederlands want dat mocht niet van van Unnik), riep hij na lezing ervan uit: “Eindelijk vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente!” Hij bond mij toen op mijn hart elk jaar minstens één keer in een internationaal vakblad te publiceren en dat heb ik, gehoorzaam als ik was, dan ook altijd braaf gedaan. Van Unnik zei mij ook dat een classicus (en dat ben ik) de neiging heeft het Griekse element in het Nieuwe Testament te overschatten en het joodse te onderschatten. Daarom drong hij er op aan dat ik meer tijd aan joodse studiën zou besteden. Ook dat deed ik en maakte mij daartoe, behalve het Hebreeuws dat ik al kende, de diverse Aramese dialekten eigen. Het ging van Unnik er altijd om het Nieuwe Testament in zijn antieke context te bestuderen, maar dat dan in de breedste zin van het woord. Nieuwtestamentici die zich beperken tot het lezen van een boekje over het jodendom en het Romeinse rijk in de eerste eeuw – en dat zijn er heel wat! – vond hij gemakzuchtige luilakken. Zelf nam hij het begrip ‘Umwelt’ van het Nieuwe Testament heel ruim – bij hem liep die ‘Umwelt’ van Homerus tot en met de Syrische kerkgeschiedenis van de middeleeuwen.65 Hij stimuleerde mij daarmee het net ver uit te gooien om de kennisvangst zo groot mogelijk te laten zijn. Dat was niet aan dovemans oren gezegd. Voor mijn hele verdere akademische leven is de studie van de Umwelt van het Nieuwe Testament en het vroege christendom altijd een studie van de joodse en Grieks-Romeinse cultuur in het millennium van Alexander de Grote tot aan Mohammed geweest, waarbij ook de studie van de kerkvaders inbegrepen is.
Het heeft mij op verre wegen en vooral op ver uiteenlopende wegen gevoerd. Zo zult u in mijn bibliografie studies vinden over rabbijnse antropologie en over subtractieve telwoorden in een zestal oude talen, over het ontstaan van het Griekse atheïsme en over de vroegste geschiedenis van de joodse mystiek, over joodse grafschriften en over de spiritualiteit van de oudchristelijke woestijnvaders, over de talen van de Samaritanen en over de Grieks-Romeinse interpretaties van Egyptische hiërogliefen, over de theorie van het tweevoudige zaad in de antieke embryologie en over joods-christelijke betrekkingen in Byzantium. U vraagt zich wellicht verbijsterd af wat dat allemaal met het Nieuwe Testament te maken heeft. Ik zou zeggen: neem en lees, u ontdekt het dan vanzelf (u zult dan bijvoorbeeld zien dat mijn studie van de antieke embryologie tot de oplossing van een hardnekkig raadsel in de brief aan de Hebreeën heeft geleid).66 Natuurlijk waren er altijd wel collega’s in den lande die klaagden dat ik veel te weinig aan het Nieuwe Testament stricto sensu deed, maar dat is niet waar. Ten eerste verscheen mijn allereerste artikel in het tijdschrift Novum Testamentum67 en mijn allerlaatste zeer onlangs nog in New Testament Studies,68 en ten tweede liggen er tussen die beide studies nog enkele tientallen andere op het terrein van het Nieuwe Testament. Ik geef toe dat dat veel minder is dan de enkele honderden publicaties op de gebieden buiten het Nieuwe Testament, maar dáár is dan ook veel meer onontgonnen terrein te vinden dan op de vaak zo platgetreden terreinen van de studie van het Nieuwe Testament. Ik heb altijd kategorisch geweigerd eraan mee te werken dat er aan de eindeloze zondvloed van commentaren op alle boeken van het Nieuwe Testament er nog weer een aan zou worden toegevoegd. Nee, ik houd niet van afgekloven botten. En dat werk op al die terreinen van de Grieks-Romeinse, de joodse en de christelijke oudheid heeft mij niet alleen altijd mateloos veel arbeidsvreugde geschonken maar mij ook veel erkenning opgeleverd, niet alleen in de vorm van een hoogleraarschap aan de UU maar ook in een paar buitenlandse gasthoogleraarschappen, waaronder een in Jeruzalem, en als kroon op mijn werk in 1994 mijn verkiezing tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, wat de grootste verrassing van mijn loopbaan was.


Download 165.19 Kb.

Share with your friends:
1   2   3   4




The database is protected by copyright ©sckool.org 2022
send message

    Main page